Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2622

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
201000604/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2009 heeft de staatssecretaris goedkeuring onthouden aan het op 9 juli 2009 door de gemeenteraad van Rotterdam vastgestelde plan van scholen basisonderwijs voor de periode 2010-2013 (hierna: het plan), voor zover het betrekking heeft op het opnemen daarin van een islamitische basisschool in de deelgemeente Kralingen-Crooswijk (hierna: de deelgemeente).

Wetsverwijzingen
Wet op het primair onderwijs
Wet op het primair onderwijs 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000604/1/H2.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Islamitisch Primair Onderwijs Rijnmond, gevestigd te Rotterdam,

appellante,

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, thans: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna:

de staatssecretaris

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2009 heeft de staatssecretaris goedkeuring onthouden aan het op 9 juli 2009 door de gemeenteraad van Rotterdam vastgestelde plan van scholen basisonderwijs voor de periode 2010-2013 (hierna: het plan), voor zover het betrekking heeft op het opnemen daarin van een islamitische basisschool in de deelgemeente Kralingen-Crooswijk (hierna: de deelgemeente).

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 18 januari 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 februari 2010.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2010, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. M.H. Boogers, werkzaam bij VBS Consult, vergezeld door C. Gerdan, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.Y. van Hattum, werkzaam bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO), voor zover hier van belang, kan de bekostiging van een bijzondere school slechts een aanvang nemen, indien zij voorkomt op een voor de gemeente van vestiging vastgesteld plan van nieuwe scholen.

Ingevolge artikel 74, tweede lid, voor zover hier van belang, behoeft het plan de goedkeuring van de minister.

Ingevolge artikel 76, tweede lid, voor zover hier van belang, gaat het verzoek om opneming in het scholenplan van een bijzondere school vergezeld van de gegevens genoemd in artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, derde lid.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, aanhef en onder a en b, gaat een voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad dat de opneming in het plan van een of meer openbare scholen bevat, vergezeld van een prognose van het te verwachten aantal leerlingen en de beschrijving van het voedingsgebied.

Ingevolge het derde lid, onder 7, gelezen in samenhang met artikel 76, tweede lid, onder b, bevat de in het eerste lid bedoelde prognose, indien het betreft een school van een richting waarvoor reeds een school binnen de gemeente aanwezig is: het belangstellingspercentage voor de school of scholen van die richting binnen de gemeente. Ingevolge de laatste volzin van het derde lid kan de prognose tevens gegevens bevatten naar aanleiding van de directe meting.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, neemt de gemeenteraad een bijzondere school in elk geval in het plan op, indien op grond van de bij het verzoek overgelegde gegevens aannemelijk is dat zij binnen vijf jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende vijftien jaar na die periode van vijf jaar zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm.

Ingevolge artikel 79, vierde lid, aanhef en onder b, sub 1, onthoudt de minister zijn goedkeuring voor zover op grond van de bij het verzoek om goedkeuring overgelegde gegevens niet aannemelijk is dat een school overeenkomstig de artikelen 77 en 78 zal worden bezocht door het ingevolge artikel 77 vereiste aantal leerlingen.

2.2. Bij besluit van 17 december 2009 heeft de staatssecretaris goedkeuring onthouden aan het opnemen van een islamitische basisschool in de deelgemeente in het plan. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat in deze deelgemeente reeds de islamitische basisschool 'Noen' is gevestigd, die met ingang van 1 augustus 2005 bekostiging heeft ontvangen en op 1 oktober 2009 werd bezocht door 143 leerlingen, dus minder dan de stichtingsnorm van 307 leerlingen per school die voor de gemeente Rotterdam gold ten tijde van belang. De staatssecretaris acht het niet aannemelijk dat, indien een doorstart van deze basisschool plaatsvindt zoals door de stichting en de gemeenteraad met het opnemen van een islamitische basisschool in het plan wordt beoogd, de stichtingsnorm van 303 leerlingen per school die thans voor de gemeente geldt, alsnog binnen vijf jaar en voorts gedurende vijftien jaar daarna zal worden bereikt. Uit de indirecte meting volgt dat het gemeentelijk belangstellingspercentage voor deze richting, te weten het aantal leerlingen dat de school of scholen in Rotterdam van deze richting bezoekt in relatie tot de basisgeneratie van de gemeente Rotterdam, 1,88 is. Daarvan uitgaande zal de stichtingsnorm bij lange na niet gehaald worden, aldus de staatssecretaris.

2.3. Niet in geschil is dat de basisschool niet aan de stichtingsnorm voor de gemeente Rotterdam van 303 leerlingen voldoet indien van de indirecte meting wordt uitgegaan.

2.4. De stichting betoogt dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom in dit geval geen gebruik kan worden gemaakt van de methode van de directe meting, waar dat bij de start van de school in 2005 wel is gebeurd. Dit betoog kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel, reeds omdat de school blijkens het aantal leerlingen dat de school in 2009 bezocht bij lange na niet voldoet aan de stichtingsnorm, hetgeen veeleer een contra-indicatie vormt om thans weer gebruik te maken van en doorslaggevende betekenis te hechten aan de directe meting. De staatssecretaris was op grond van het enkele feit dat eerder uitgegaan is van de directe meting dan ook niet gehouden om dat thans nogmaals te doen.

2.5. De stichting betoogt voorts dat de staatssecretaris de uitkomsten van de indirecte meting niet in de besluitvorming had mogen betrekken, omdat deze niet representatief zijn. De stichting voert daartoe aan dat de deelgemeente een van de gemeente als geheel afwijkende bevolkingssamenstelling heeft en dat het islamitisch onderwijs in de gemeente niet goed gespreid is. Volgens de directe meting die in haar opdracht is uitgevoerd in het voedingsgebied hebben de ouders van 9,6% van 959 kinderen tussen 0 en 11 jaar een voorkeur voor islamitisch liberaal basisonderwijs en zal de school volgens de hierop gebaseerde prognoses in de peilperiode aan de stichtingsnorm voldoen. De stichting voert aan dat waar het verschil tussen het gemeentelijk belangstellingspercentage van 1,88 en het percentage van 9,6 dat uit de directe meting volgt, niet groot is, de uitkomsten van de directe meting als valide en betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en de staatssecretaris ten onrechte aan deze uitkomsten voorbij is gegaan.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 mei 2008 in zaak nr. 200705509/1) heeft de directe meting blijkens de wetsgeschiedenis slechts een beperkte aanvullende rol, voor het geval de ingevolge artikel 75, eerste lid, aanhef en onder a, van de WPO over te leggen prognose van het gemeentelijk belangstellingspercentage, berekend op basis van de indirecte meting, onvoldoende gegevens oplevert voor de bepaling van de behoefte. Uitgegaan moet worden van de indirecte meting, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals een van de gemeente als geheel afwijkende bevolkingssamenstelling in het voedingsgebied.

In het bestreden besluit van 17 december 2009 heeft de staatssecretaris vermeld dat op 1 januari 2009 de gemeente Rotterdam 587.161 inwoners telde, waarvan 53,10% tot de autochtone bevolking behoorde en 46,9% tot de allochtone bevolking. De deelgemeente, het voedingsgebied waar de vestiging van de school is beoogd, telde op die datum, aldus dat besluit, 49.289 inwoners, waarvan 51,4% tot de autochtone bevolking behoorde en 48,6% tot de allochtone bevolking. Deze cijfers zijn door de stichting op zichzelf niet betwist. Uit de door de stichting overgelegde gegevens blijkt voorts dat in 2009 het percentage niet-westerse allochtone inwoners in de gemeente, te weten 36, gelijk was aan dat van het voedingsgebied. Uit zowel de percentages vermeld in het bestreden besluit, als die vermeld in de gegevens afkomstig van de stichting volgt dat de bevolkingssamenstelling in de deelgemeente niet wezenlijk afwijkt van die van de gemeente als geheel. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op dat standpunt gesteld.

De stelling van de stichting dat uit het door haar overgelegde overzicht van de bevolkingssamenstelling naar leeftijdscategorie volgt dat in het voedingsgebied relatief meer inwoners wonen in de leeftijdscategorie van 20-30 jaar en het dus aannemelijk is dat er in het voedingsgebied op termijn naar verhouding meer kinderen zullen wonen in de leeftijdscategorie van 4 tot 12 jaar dan in de gemeente als geheel, volgt de Afdeling niet, nu immers uit datzelfde overzicht blijkt dat thans het percentage jongeren in laatstgenoemde leeftijdscategorie in het voedingsgebied lager is dan dat in de gemeente als geheel. Bovendien heeft de stichting niet aannemelijk gemaakt dat die verhouding binnen de termijn van artikel 77, eerste lid, van de WPO zodanig zal zijn gewijzigd dat aanleiding bestaat ervan uit te gaan dat aan de stichtingsnorm zal worden voldaan of dat dit gegeven grond vormt om wederom de directe meting toe te laten.

2.5.2. In hetgeen de stichting overigens heeft aangevoerd, is evenmin grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die alsnog nopen tot een directe meting in het voedingsgebied in aanvulling op een indirecte meting in de gemeente.

Niet valt in te zin dat de omstandigheid dat, zoals de stichting stelt, het gemiddelde van de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) vastgestelde waarden van de huur- en koopwoningen in het voedingsgebied hoger is dan in de andere deelgemeenten en in de gemeente als geheel, er toe zou moeten leiden dat de percentages zoals die hiervoor onder 2.5.1. zijn weergegeven niet meer zouden kunnen worden gevolgd.

Dat de herstructurering van Nieuw Crooswijk, aldus de stichting, tot meer aanmeldingen van leerlingen zal leiden, is evenmin aannemelijk, aangezien uit de door de stichting gestelde cijfers volgt dat ongeveer een gelijk aantal woningen zal worden gebouwd als zal worden gesloopt.

De door de stichting aangevoerde verschillen tussen wijken binnen de deelgemeente kunnen in dit verband geen rol van betekenis spelen, aangezien de stichting bij het verzoek tot plaatsing van de school in het plan ingevolge artikel 75, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WPO de deelgemeente Kralingen-Crooswijk als voedingsgebied heeft gekozen en de staatssecretaris bij de beoordeling van het verzoek derhalve terecht hiervan is uitgegaan.

De stelling van de stichting dat het islamitisch onderwijs in de gemeente Rotterdam onevenwichtig is gespreid, kan tenslotte ook niet leiden tot het door de stichting beoogde doel, nu de stichting niet nader onderbouwd heeft dat in dit geval sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de bevolkingssamenstelling in het voedingsgebied dat daaruit moet worden afgeleid dat de indirecte meting van de gemeente niet representatief is.

2.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

47-615.