Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2614

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
200910268/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 november 2008 heeft het college het verzoek van [appellanten] om handhavend op te treden tegen de door [belanghebbende] zonder vergunning geplaatste schuur op het perceel [locatie] te Haarlem, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/570 met annotatie van D. Meloni
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910268/1/H1.

m uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 november 2009 in zaak nr. 09/2180 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2008 heeft het college het verzoek van [appellanten] om handhavend op te treden tegen de door [belanghebbende] zonder vergunning geplaatste schuur op het perceel [locatie] te Haarlem, afgewezen.

Bij besluit van 11 maart 2009 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 17 november 2009, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 20 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 1 februari 2010.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2010, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. M. Kashyap, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.L. Bos, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat de schuur van [belanghebbende] zonder de benodigde bouwvergunning is gebouwd, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. Vaststaat dat geen concreet zicht is op legalisatie. Het college heeft bij besluit van 15 april 2008 alsnog geweigerd bouwvergunning voor de schuur te verlenen. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank tot het onjuiste oordeel is gekomen dat sprake is van een combinatie van omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden heeft kunnen afzien. Als omstandigheden heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het college een programmatisch handhavingsbeleid hanteert, eerst een inventarisatie wenst te maken van alle in de omgeving gelegen illegale bouwwerken, nieuw beleid ontwikkelt, de inbreuk op de rechtsorde gering acht en daarom handhaving geen prioriteit heeft om het inzetten van capaciteit te rechtvaardigen, van mening is dat [appellanten] weinig hinder van de schuur ondervinden en de nota 'reguleren erfbebouwing bij woonschepen' van 9 april 2003 nog slechts voorlopig is vastgesteld.

2.5. De Afdeling is van oordeel dat deze omstandigheden, ook bezien in hun onderlinge samenhang, niet als zodanig bijzonder kunnen worden aangemerkt dat het college daarin aanleiding had mogen vinden om te weigeren van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden gebruik te maken. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het hier om een verzoek van een derde om handhaving gaat. Dat het college wat betreft handhaving andere prioriteiten stelt is een keuze van het college en geen bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het college al geruime tijd - sedert april 2003 - kennelijk geen aanleiding heeft gezien definitief beleid te ontwikkelen ten aanzien van het optreden tegen illegale bouwwerken bij woonboten. Voorts heeft het college de stelling van [appellanten], dat zij ten gevolge van de situering van de schuur, waarvan de dakrand zo goed als over hun eigen schuur is geplaatst, geen onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan hun schuur kunnen verrichten, niet gemotiveerd weersproken.

2.6. Gelet op het vorenstaande is de weigering van het college om handhavend tegen de schuur op te treden niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft dit miskend. Het betoog van [appellanten] slaagt dan ook.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 11 maart 2009 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 november 2009 in zaak nr. 09/2180;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem van 11 maart 2009, kenmerk CS/bo/08/202611;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00 (zegge: vijftienhonderdachttien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlem aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 373,00 (zegge: driehonderddrieënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

202.