Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2609

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
200909189/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft het college van gedeputeerde staten een verzoek van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmidddelen met betrekking tot activiteiten van de inrichting van H.J. Lichtenberg, handelend onder de naam [vergunninghoudster], op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909189/1/M1.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft het college van gedeputeerde staten een verzoek van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmidddelen met betrekking tot activiteiten van de inrichting van H.J. Lichtenberg, handelend onder de naam [vergunninghoudster], op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college van gedeputeerde staten het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard alsmede het besluit van 6 mei 2009 aldus gewijzigd dat de opslag van droge autowrakken door [vergunninghoudster] aan de [locatie] te [plaats] tot en met 31 januari 2010 wordt gedoogd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 januari 2010.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghoudster] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door R.J. van Moll Msc, mr. M.N.L. Klappe en ing. S.A. Zomer, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], bijgestaan door mr. F. Kolkman, advocaat te Wierden, en door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij brief van 31 maart 2009 hebben [appellanten] het college van gedeputeerde staten verzocht om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen wegens het in werking zijn van de inrichting zonder vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer.

2.2. Ingevolge artikel 18.14 van de Wet milieubeheer kan een belanghebbende aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven.

2.3. [appellanten] menen dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte van handhaving heeft afgezien.

In dit verband betogen zij dat er geen concreet zicht op legalisatie was. Ten tijde van het nemen van het besluit van 6 mei 2009 en ook ten tijde van het bestreden besluit was op de aanvraag van 3 oktober 2007 nog steeds geen milieuvergunning verleend, aldus [appellanten]. Voorts ziet het er volgens hen niet naar uit dat de ten tijde van het besluit van 6 mei 2009 nog te verlenen milieuvergunning binnen afzienbare tijd in werking zal treden, aangezien voor de containers waarin auto-onderdelen worden opgeslagen geen bouwvergunning is verleend. Ook voor de hal en het geluidscherm is niet de benodigde bouwvergunning verleend, aldus [appellanten]. Op 21 januari 2009 is een concept-projectbesluit gepubliceerd, waarover zienswijzen naar voren zijn gebracht die nog niet zijn weerlegd. De inrichting is volgens [appellanten] voorts in strijd met het bestemmingsplan. Het ziet er volgens hen niet naar uit dat het onderhavige plan in ongewijzigde vorm planologisch kan worden gerealiseerd.

Voorts betogen [appellanten] dat als gevolg van de activiteiten bodemvervuiling en lawaai ontstaan. In dit verband voeren zij aan dat ter plaatse autowrakken liggen, die niet volledig zijn ontdaan van alle vloeistoffen, en op- en overslaghandelingen plaatsvinden. De stalen containers met daarin auto-onderdelen zijn niet vloeistofdicht of hebben geen keuringscertificaat van vloeistofdichtheid, aldus [appellanten].

2.3.1. Het college van gedeputeerde staten voert aan dat er geen reden was om handhavend op te treden, vanwege concreet zicht op legalisatie, het ontbreken van een milieubelang en de financiële gevolgen voor het bedrijf.

Het college van gedeputeerde staten overweegt in het bestreden besluit dat op 24 juni 2008 een ontwerpbesluit op de aanvraag om een oprichtingsvergunning is opgesteld, dat op 9 juli 2008 ter inzage is gelegd, en dat de milieuvergunning waarschijnlijk binnen enkele maanden kan worden verleend. De ten tijde van het besluit van 6 mei 2009 nog te verlenen milieuvergunning kan volgens het college van gedeputeerde staten normaal in werking treden. Voor het plaatsen van de containers is volgens het college van gedeputeerde staten, blijkens navraag bij het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten, geen bouwvergunning vereist, omdat de containers in het kader van de bedrijfsvoering regelmatig op een andere plaats worden gezet. Verder betoogt het college van gedeputeerde staten dat het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten planologische medewerking zal verlenen aan de betrokken activiteiten en dat de benodigde bouwvergunningen daardoor ten tijde van het besluit van 6 mei 2009 op korte termijn konden worden verwacht.

Het college van gedeputeerde staten voert voorts aan dat de ter plaatse aanwezige autowrakken geen vloeistoffen bevatten. Het ontdoen van vloeistoffen is volgens het college van gedeputeerde staten uitbesteed. De autowrakken worden op het terrein slechts opgeslagen. De containers bevatten alleen droge niet herbruikbare auto-onderdelen en bevatten geen vloeistoffen of andere stoffen die lekkage kunnen veroorzaken. Gezien het voorgaande is de kans op bodemvervuiling en lawaai volgens het college van gedeputeerde staten minimaal.

Verder voert het college van gedeputeerde staten aan dat de financiële gevolgen van het tijdelijk afvoeren van autowrakken naar een andere locatie voor [vergunninghoudster] onredelijk zouden zijn.

2.3.2. Ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer treedt, in afwijking van artikel 20.3, eerste lid, eerste volzin, een besluit als bedoeld in artikel 20.6, eerste lid, in gevallen, als bedoeld in artikel 8.5, tweede lid, - waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet - niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend.

2.3.3. Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zodat het college van gedeputeerde staten terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.4. De Afdeling overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat ten tijde van het nemen van het besluit van 6 mei 2009 een toereikende vergunningaanvraag was ingediend en dat het college van gedeputeerde staten het niet onaannemelijk achtte dat de aangevraagde milieuvergunning binnen afzienbare tijd zou worden verleend. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten er naar het oordeel van de Afdeling van mogen uitgaan dat de vergunning niet met toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer wegens strijd met het bestemmingsplan zou behoeven te worden geweigerd, nu, zoals het college heeft betoogd, het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten planologische medewerking zal verlenen aan de betrokken activiteiten. Gelet op dit laatste heeft het college van gedeputeerde staten er tevens van mogen uitgaan dat er geen aanwijzingen bestonden dat de ten tijde van het nemen van het besluit van 6 mei 2009 nog te verlenen milieuvergunning in verband met de verlening van de aangevraagde bouwvergunningen niet binnen afzienbare tijd in werking zou kunnen treden. Het college van gedeputeerde staten heeft dan ook op goede gronden geconcludeerd dat ten tijde van het besluit van 6 mei 2009 concreet zicht op legalisatie bestond. Ter zitting is gebleken dat de bouwvergunning voor het geluidscherm op 23 juni 2010 van rechtswege is verleend.

De Afdeling overweegt voorts dat blijkens door de toezichthouder van het college van gedeputeerde staten uitgevoerde controles de ter plaatse aanwezige droge autowrakken geen vloeistoffen bevatten. Voorts blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat demontagewerkzaamheden en het vloeistofvrij maken van autowrakken door [vergunninghoudster] zijn uitbesteed aan autodemontagebedrijf Van Engelen te Borne. Gelet hierop acht de Afdeling het niet aannemelijk dat ten gevolge van de activiteiten bodemvervuiling of lawaai zal optreden.

Onder deze omstandigheden heeft het college van gedeputeerde staten zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat er bijzondere omstandigheden waren om af te zien van handhavend optreden.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. [appellanten] betogen dat het college van gedeputeerde staten, nu wordt gedoogd tot 31 januari 2010, maar het er niet naar uitziet dat in de periode daarna een in werking zijnde milieuvergunning voorhanden is, voor de periode vanaf 1 februari 2010 een last onder dwangsom had moeten opleggen, voor het geval er dan nog steeds zonder geldige milieuvergunning natte dan wel droge autowrakken en/of stalen containers met auto-onderdelen ter plaatse worden opgeslagen.

[appellanten] betogen voorts dat, nu in het bestreden besluit slechts de opslag van autowrakken ter plaatse wordt gedoogd en niet de opslag van auto-onderdelen in de stalen containers, tegen de opslag van auto-onderdelen ten onrechte geen handhavingsmaatregelen zijn genomen.

2.4.1. Het college van gedeputeerde staten voert aan dat de op 14 december 2009 verleende milieuvergunning op 4 februari 2010 in werking is getreden, zodat er geen reden was de gedoogperiode te verlengen of een preventieve last onder dwangsom op te leggen.

Daarnaast voert het college van gedeputeerde staten aan dat bij het bestreden besluit, in de vorm van een gedoogbesluit, het primaire besluit van 6 mei 2009 is gehandhaafd waarin wordt afgezien van handhaving met betrekking tot zowel het opslaan van autowrakken als het opslaan van auto-onderdelen in containers aan de [locatie] te [plaats].

2.4.2. In het licht van hetgeen de Afdeling hiervoor, onder 2.3.4, heeft overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet mede voor de periode vanaf 1 februari 2010 en voor zover het de opslag van auto-onderdelen in containers aan de [locatie] te [plaats] betreft, heeft mogen afzien van handhavend optreden.

Deze beroepsgronden falen.

2.5. [appellanten] betogen recht te hebben op vergoeding van de gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Door aanpassing in de bezwaarfase van het primaire besluit zijn de bezwaren op dat onderdeel impliciet gegrond verklaard, aldus [appellanten].

2.5.1. Het college van gedeputeerde staten voert aan dat het primaire besluit van 6 mei 2009 niet is herroepen. De wijziging in het primaire besluit is slechts een verandering van het besluit waarbij het impliciet gedogen is aangemerkt als een expliciete gedoogbeschikking. Dit brengt niet mee dat dient te worden overgegaan tot vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase, aldus het college van gedeputeerde staten.

2.5.2. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.5.3. Bij het bestreden besluit is het primaire besluit van 6 mei 2009 niet herroepen. Voor het veroordelen van het college van gedeputeerde staten in de proceskosten die [appellanten] in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken, bestaat dan ook geen aanleiding.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

271-650.