Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2600

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
200909060/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2004 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een open opslagloods op het perceel [locatie] (kadastraal bekend gemeente Geldermalsen, sectie […], nummer […]) te Geldermalsen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909060/1/H1.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Geldermalsen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 oktober 2009 in zaken nrs. 09/434 en 09/479 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2004 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een open opslagloods op het perceel [locatie] (kadastraal bekend gemeente Geldermalsen, sectie […], nummer […]) te Geldermalsen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 juni 2005 heeft het college aan [appellant] bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van deze loods.

Bij besluit van 5 juni 2008 heeft het college aan [Holding] bouwvergunning verleend voor het vernieuwen van de golfplaten van de zijgevels van de romneyloods op het perceel.

Bij besluit van 11 november 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [belanghebbenden] tegen de besluiten van 28 september 2004, 23 juni 2005 en 5 juni 2008 gemaakte bezwaren gegrond verklaard, die besluiten herroepen en besloten in heroverweging op een later moment een nieuw besluit te nemen op de aanvragen om bouwvergunning te verlenen van [vergunninghouder], [appellant] en [Holding], in samenhang met het opstarten van een vrijstellingsprocedure.

Bij uitspraak van 20 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbenden] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2010 waar [belanghebbenden] als partij zijn gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Van de zijde van het college zijn desverzocht nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. De bouwplannen zien op het oprichten, onderscheidenlijk gedeeltelijk veranderen van een open opslagloods en het gedeeltelijk vernieuwen van de romneyloods. Ter plaatse van het perceel, waarop de open opslagloods is voorzien, geldt het bestemmingsplan "Het Rot 1991." Ter plaatse van het perceel, waarop de romneyloods is opgericht, gelden de bestemmingsplannen "Het Rot 1991" en "Het Rot, herziening 1996." De voorschriften van deze bestemmingsplannen zijn identiek.

2.2. Ingevolge de bestemmingsplannen "Het Rot 1991" en "Het Rot, herziening 1996" rust op het perceel de bestemming "Lintbebouwing" met de aanduiding "werken."

Ingevolge artikel 9, lid 1.1 zijn de op de kaart voor "Lintbebouwing" aangewezen gronden bestemd voor bewoning en ondergeschikt daaraan voor de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf, met uitzondering van detailhandel, met daartoe dienende woningen en daarbij behorende aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen, erven, andere bouwwerken en andere werken.

Ingevolge artikel 9, lid 1.2, aanhef en onder c, van de voorschriften van de bestemmingsplannen "Het Rot 1991" en "Het Rot, herziening 1996", voor zover thans van belang, zijn de op de kaart voor "werken" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven zoals genoemd in artikel 2 van deze voorschriften, zomede bestaande bedrijven c.q. detailhandel zoals aanwezig ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan met daartoe dienende bedrijfsruimten c.q. winkel, in combinatie met een woning.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, voor zover thans van belang, moet bij het bouwen van gebouwen ten dienste van de in lid 1.1 t/m lid 1.3 van dit artikel genoemde doeleinden voldaan worden aan de navolgende eisen:

a. voorzover dit nader op de kaart - blad 2 - als zodanig is aangegeven mogen hoofdgebouwen aanwezig zijn met een goothoogte van ten hoogste 4 m en een hoogte van ten hoogste 10 m;

b. bijgebouwen mogen aanwezig zijn met een goothoogte van ten hoogste 3 m en een hoogte van ten hoogste 5 m.

c. t/m d. (…).

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, wordt in deze voorschriften onder hoofdgebouw verstaan: een gebouw, dat op een perceel bouwgrond door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, wordt in deze voorschriften onder bijgebouw verstaan: een gebouw, behorende bij een op hetzelfde perceel bouwgrond gelegen hoofdgebouw.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft onderzocht of de bouwplannen met de bestemmingsplannen "Het Rot 1991" en "Het Rot, herziening 1996" in strijd zijn.

2.3.1. Het door [belanghebbenden] tegen het besluit van 11 november 2008 bij de rechtbank ingestelde beroep betrof dat besluit, voor zover het college daarbij de besluiten van 28 september 2004, 23 juni 2005 en 5 juni 2008 heeft herroepen en heeft besloten een vrijstellingsprocedure te starten ten behoeve van de vestiging van [B.V.] en [appellant] op het perceel. [belanghebbenden] hebben in het beroepschrift betoogd dat het college in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft volstaan met het herroepen van deze besluiten, zonder daarbij opnieuw op de aanvragen om verlening van bouwvergunning van 2 oktober 2003, 4 april 2005 en 2 mei 2008 te beslissen.

2.3.2. De Afdeling oordeelt als volgt. Door haar onderzoek te richten op de vraag of de loodsen, zoals aangevraagd, met de bestemmingsplannen in strijd zijn, heeft de rechtbank de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil, zoals die in artikel 8:69 van de Awb worden getrokken, op juiste wijze in acht genomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 11 juni 2008 in zaak nr. 200707224/1 de verplichting van een bestuursorgaan, indien het na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven, om het onjuist bevonden besluit te herroepen en zo nodig een nieuw besluit daarvoor in de plaats stellen, niet geldt indien het nemen van een vervangend besluit niet dadelijk mogelijk is, omdat alsnog een wettelijk voorgeschreven procedure dient te worden doorlopen, waarmede geruime tijd kan zijn gemoeid. Ter beantwoording van de vraag of in dit geval alsnog een wettelijk voorgeschreven procedure dient te worden doorlopen, heeft de rechtbank terecht bezien of voor het realiseren en gedeeltelijk veranderen van de loods en het vernieuwen van de golfplanten van de zijgevels van de romneyloods, wegens strijd met de bestemmingsplannen, vrijstelling is vereist.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de bouwplannen met de bestemmingsplannen in overeenstemming zijn. Daartoe voert hij aan dat uit de bij het bestemmingsplan "Het Rot, herziening 1996" behorende plankaart (blad 1), waarop voor het perceel de aanduiding "12" is opgenomen, bezien in verband met de toelichting op dat bestemmingsplan, volgt dat de op het perceel aanwezige bedrijfswoning dient te worden aangemerkt als een hoofdgebouw, als bedoeld in artikel 1, van de planvoorschriften. De loods en de romneyloods dienen volgens hem te worden aangemerkt als bijgebouwen bij deze bedrijfswoning en zijn derhalve op het perceel toegestaan.

2.4.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 oktober 2008 in zaak nr. 200802696/1) is de juridische betekenis van een aanduiding op de plankaart afhankelijk van hetgeen over die aanduiding in de planvoorschriften is bepaald; om aan een aanduiding juridische betekenis te geven, moet deze in de planvoorschriften worden verklaard. Het bestemmingsplan "Het Rot, herziening 1996" bevat geen voorschriften met betrekking tot de aanduiding "12", zoals op de plankaart (blad 1) opgenomen, noch voorschriften waarin de betekenis van deze aanduiding wordt verklaard. Deze aanduiding is derhalve zonder betekenis.

Voor zover [appellant] in dit verband verwijst naar hetgeen ten aanzien van de aanduiding "12" in de toelichting bij het bestemmingsplan

"Het Rot, herziening 1996" is vermeld, geeft dat geen grond voor een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 april 2009 in zaak nr. 200803956/1), de toelichting geen bindend onderdeel van een bestemmingsplan is en als zodanig derhalve geen concreet toetsingskader kan zijn voor een aanvraag om verlening van een bouwvergunning. Voorts is in dit verband van belang dat tussen de toelichting en de plankaart (blad 2), welke in beginsel leidend is, discrepantie bestaat, omdat daarop ter plaatse van de op het perceel aanwezige bedrijfswoning geen rasteraanduiding voor een hoofdgebouw is opgenomen.

Onder deze omstandigheden, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de bouwplannen met de bestemmingsplannen "Het Rot 1991" en "Het Rot, herziening 1996" in strijd zijn.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. De Haseth

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

476.