Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2594

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
201003973/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan de stichting vergunning verleend voor het lozen van afvalwater via de gemeentelijke riolering van Roosendaal en de afvalwaterpersleiding voor Westelijk Noord-Brabant op de rioolwaterzuiveringsinstallatie Bath, gemeente Reimerswaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003973/2/M1.

Datum uitspraak: 20 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting Stichting R.K. Ziekenhuis St. Franciscus (hierna: de stichting), gevestigd te Roosendaal,

verzoekster,

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta (hierna: het dagelijks bestuur),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan de stichting vergunning verleend voor het lozen van afvalwater via de gemeentelijke riolering van Roosendaal en de afvalwaterpersleiding voor Westelijk Noord-Brabant op de rioolwaterzuiveringsinstallatie Bath, gemeente Reimerswaal.

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2010, heeft de stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 juni 2010, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te 's-Hertogenbosch, en P.W. Braspenning, ing. J.J.S. Koijen en drs. R.G.F. Wintermans, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M.A.A.M. van Kollenburg-van Linder en ir. L.A.C.M. van den Broek, beiden werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge voorschrift 7.6 dient het afvalwater, afkomstig van verpleegafdelingen waar vanwege besmettingsrisico’s voor ziekenhuismedewerkers en medepatiënten met infectieziekten geïsoleerde verpleging van patiënten plaatsvindt, op zodanige wijze te worden gedesinfecteerd dat lozing van pathogene kiemen wordt voorkomen. De aard en de hoeveelheid van de eventueel hierbij gebruikte desinfecteermiddelen behoeven de goedkeuring van het dagelijks bestuur.

2.2.1. De stichting kan zich niet verenigen met voorschrift 7.6. Ter onderbouwing van dit standpunt voert zij aan dat naleving van het voorschrift noopt tot zeer ingrijpende technische maatregelen en hoge exploitatiekosten met zich brengt, terwijl het nut en de noodzaak van dit voorschrift volgens haar niet duidelijk zijn. In dit verband wijst de stichting er op dat meer dan 9 van de 10 mensen met een infectieziekte in hun eigen omgeving, dus in hun thuissituatie, herstellen, zodat de pathogenen ook middels particuliere lozingen in het rioolwater terecht kunnen komen. Verder wijst de stichting erop dat uit onderzoek is gebleken dat het merendeel van de pathogene organismen een rioolpassage en -zuivering niet overleven. Bovendien is er sprake van een ongelijke situatie voor de Nederlandse ziekenhuizen, nu alleen het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta aanleiding ziet een voorschrift op het gebied van infectieziekten aan de vergunningen te verbinden, aldus de stichting. Tot slot betoogt de stichting dat het voorschrift niet controleerbaar en dus niet handhaafbaar is.

2.2.2. Het dagelijks bestuur stelt zich, onder verwijzing naar het rapport van de coördinatiecommissie uitvoering Wet verontreiniging oppervlaktewateren ‘Afvalproblematiek van ziekenhuizen’ van september 1986 (hierna: het CUWVO-rapport), op het standpunt dat voorschrift 7.6 niet onredelijk bezwarend is. In dit verband wijst het dagelijks bestuur erop dat de verplichte desinfectie alleen is gericht op de afvalwaterstroom bij de geïsoleerde verpleging, een qua omvang zeer beperkte afvalwaterstroom. Volgens het dagelijks bestuur is uitdrukkelijk niet bedoeld voor te schrijven dat al het afvalwater van het ziekenhuis moet worden gedesinfecteerd. Verder heeft het dagelijks bestuur ter zitting aangegeven dat voorschrift 7.6 ten doel heeft de aanwezigheid van de pathogene kiemen in het afvalwater afkomstig van patiënten met infectieziekten die geïsoleerd worden verpleegd middels desinfectie te voorkomen. Volgens het dagelijks bestuur zouden de pathogene kiemen bij hevige regenbuien via overstorten in de gemeentelijke riolering in de nabije omgeving van het ziekenhuis in het oppervlaktewater in een woonwijk kunnen geraken en derden kunnen besmetten.

2.2.3. In onderdeel 8.2 van het CUWVO-rapport zijn aanbevelingen geformuleerd. Volgens het CUWVO-rapport, voor zover hier van belang, dient door de waterkwaliteitsbeheerder, meer dan tot nu toe het geval is, aandacht te worden besteed aan de bacteriologische gesteldheid van het ziekenhuisafvalwater (aanwezigheid van pathogene organismen), met name in die gevallen waar sprake is van lozing op oppervlaktewater met een specifieke bestemming (bijv. recreatie). Volgens het CUWVO-rapport dient daarbij met name aandacht te worden besteed aan overstorten uit gemengde rioolstelsels en nooduitlaten. Het verdient aanbeveling om voor het onderzoek naar de bacteriologische gesteldheid en het beantwoorden van de vraag of desinfectie van afvalwater noodzakelijk is in die gevallen in overleg met de Inspecteur van de Volksgezondheid te treden, aldus de CUWVO in haar rapport.

2.2.4. Uit het bestreden besluit volgt dat al het (huishoudelijk) afvalwater van de verpleegafdelingen binnen het ziekenhuis via de gemeentelijke vuilwaterriolering op de afvalwaterzuiveringsinstallatie wordt geloosd.

Het dagelijks bestuur heeft niet weersproken dat niet alleen het ziekenhuis maar ook particulieren op de gemeentelijke vuilwaterriolering zijn aangesloten, zodat er ook door hen wordt geloosd.

Daargelaten het antwoord op de vraag of het afvalwater van het ziekenhuis dat uiteindelijk op het oppervlaktewater wordt geloosd dusdanig vervuild is dat desinfectie van het afvalwater voor lozing noodzakelijk is en de vraag of er sprake is van een lozing op oppervlaktewater met een specifieke bestemming, is de voorzitter voorshands van oordeel dat het door het dagelijks bestuur geformuleerde doel met het verbinden van voorschrift 7.6 aan de vergunning niet wordt bereikt. In dit verband hecht de voorzitter niet alleen belang aan de omstandigheid dat de stelling dat veel patiënten met een infectieziekte van de groepen A en B1, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet Publieke Gezondheid thuis herstellen van hun ziekte en daarmee mogelijk pathogene stoffen in het afvalwater lozen door het dagelijks bestuur niet is weersproken, maar ook dat er bij de in het ziekenhuis opgenomen patiënten met infectieziekten in de regel enige tijd zal zijn verstreken voordat wordt onderkend dat een patiënt een dusdanige infectieziekte heeft dat hij geïsoleerd moet worden behandeld.

De waterschappen in den lande voeren ten aanzien van de vraag of en op welke wijze aandacht moet worden gegeven aan de bacteriologische gesteldheid van het afvalwater afkomstig van ziekenhuizen geen eenduidig beleid. Het dagelijks bestuur stelt dat het eigen beleid is gestoeld op het CUWVO-rapport. Volgens het dagelijks bestuur volgt uit dit rapport, na nadere bestudering daarvan, dat het verbinden van een voorschrift als voorschrift 7.6 aan de vergunning noodzakelijk is. Niet in geschil is dat het dagelijks bestuur op dit moment het enige in Nederland is dat het CUWVO-rapport op deze wijze interpreteert.

Vooropgesteld dat een bestuursorgaan bij het opstellen van beleid bestuurlijke vrijheid toekomt, vergt de vraag of het dagelijks bestuur met het opleggen van een desinfecteerplicht voor afvalwater van patiënten met een infectieziekte van de groepen A en B1, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet Publieke Gezondheid uitvoering geeft aan het ter zake gevoerde beleid nader onderzoek, waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. Het is aan de Afdeling om zich hierover naar aanleiding van de behandeling van de zaak in de bodemprocedure nader uit te spreken.

2.3. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter zal bevorderen dat in het kader van de behandeling van de hoofdzaak de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening op korte termijn zal worden verzocht een deskundigenbericht uit te brengen en trachten de behandeling van de hoofdzaak ter zitting zo snel mogelijk na ontvangst van het deskundigenbericht te laten plaatsvinden.

2.4. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta van 15 maart 2010, kenmerk 10UT002476;

II. veroordeelt het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta tot vergoeding van bij de stichting Stichting R.K. Ziekenhuis St. Franciscus in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta aan de stichting Stichting R.K. Ziekenhuis St. Franciscus het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2010

195-489.