Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200910347
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2009 heeft het college het wijzigingsplan "wijzigingsplan Keramiekstraat-Nijverheidsstraat Steyl" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de rechtbank Roermond ingekomen op 24 december 2009, beroep ingesteld. De rechtbank Roermond heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht ter verdere behandeling doorgestuurd naar de Raad van State.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910347/1/R3.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2009 heeft het college het wijzigingsplan "wijzigingsplan Keramiekstraat-Nijverheidsstraat Steyl" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de rechtbank Roermond ingekomen op 24 december 2009, beroep ingesteld. De rechtbank Roermond heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht ter verdere behandeling doorgestuurd naar de Raad van State.

[appellante] heeft het beroep aangevuld bij brief van 11 januari 2010 en bij faxbericht van 20 mei 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door [vennoot B], en het college, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting J.L.J. Eggels, junior-projectleider bij Antares Projecten B.V., verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het wijzigingsplan behelst een wijziging van het bestemmingsplan "Steyl" (hierna: het bestemmingsplan) en voorziet in de wijziging van de bestemming "Bedrijf" in de bestemmingen "Wonen" en "Verkeer-Verblijfsgebied" ten behoeve van het realiseren van acht woningen op een perceel grond aan de Keramiekstraat/Nijverheidsstraat te Tegelen.

2.2. [appellante] verzet zich tegen het realiseren van de bestemming "Wonen". Zij stelt dat haar bedrijf, dat zich bevindt in de directe nabijheid van het perceel waar het wijzigingsplan betrekking op heeft, door de bestemmingswijziging nagenoeg geheel zal worden ingesloten door woningen. Zij is onder andere een transportbedrijf en een zand- en grindhandel en voorziet problemen indien op korte afstand van het bedrijf acht vrijstaande woningen worden gebouwd. Dat er al een flat staat aan de achterzijde van het bedrijfsterrein kan geen vrijbrief zijn voor de bouw van acht nieuwe woningen. Daarbij is van belang dat de woningen in de flat aan de kant van het bedrijfsterrein de keuken hebben en de woonkamers aan de andere kant van het gebouw liggen. De afstand tot woonbebouwing dient volgens [appellante] op grond van de brochure Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor geluid 50 meter te zijn voor goederenvervoerbedrijven en 100 meter voor zand- en grindhandel, maar de nieuwe woningen zijn binnen deze afstanden gepland. Het college heeft zich bij het passeren van deze richtafstanden gebaseerd op het akoestisch onderzoek van 6 oktober 1998. Nu dat onderzoek is verricht in opdracht en op kosten van [appellante] en zonder haar toestemming is gebruikt, heeft het college zijn besluit daar niet op mogen baseren en dienen de richtafstanden aangehouden te worden. Voorts geldt voor stof een richtafstand van 30 meter voor de zand- en grindhandel en voor gevaar een richtafstand van 30 meter voor het transportbedrijf, en heeft het college de afwijking van deze afstanden niet gemotiveerd.

Ten slotte voert [appellante] aan dat het college geen belangenafweging heeft gemaakt. Het college wil de woningen enkel bouwen om de bedrijfsverplaatsing van Noten B.V. te bekostigen. [appellante] ziet echter het belang van de bouw van de woningen niet nu de woningmarkt is ingestort en de gevolgen van de bouw van de woningen voor haar bedrijf aanzienlijk zullen zijn.

2.3. Het college voert aan dat met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft, in beginsel als een gegeven mag worden beschouwd. Dat op grond van deze bevoegdheid de mogelijkheid bestaat dat het bedrijf van [appellante] door woningen omsloten zal worden, staat dan ook vast.

Het college betoogt voorts dat slechts een zand- en grindhandel kan worden geëxploiteerd op het perceel van [appellante] (hierna: het bedrijfsperceel) en dat dat als uitgangspunt heeft gegolden voor het antwoord op de vraag of het bedrijf in het functioneren wordt beperkt door de bouw van de woningen. Nu zich reeds op zeer korte afstand (5 meter) van het bedrijf woningen bevinden waarop de bedrijfsvoering moet worden afgestemd en de nieuwe woningen op grotere afstand zullen worden gerealiseerd, zal de bedrijfsvoering door de bouw van de woningen niet worden belemmerd, zodat van de richtafstanden kan worden afgeweken. Voorts blijkt uit het akoestisch onderzoek dat het nieuwbouwplan voor de aan het bedrijf vergunde geluidruimte geen beperking vormt.

2.4. Ingevolge artikel 30.2 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Steyl", voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Bedrijf" te wijzigen in de bestemming "Wonen" en "Verkeer en verblijf" met dien verstande dat:

(…)

(4) een goed woonmilieu gegarandeerd is en omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsmatig functioneren worden beperkt;

(…)

(8) het gebruik als woondoeleinden de waarden van de bestemmingen in de omgeving niet onevenredig aantast;

(…).

2.5. Voorop moet worden gesteld dat de omstandigheid dat, zoals het college stelt, met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan vast staat dat de mogelijkheid bestaat dat het bedrijf van [appellante] door woningen omsloten zal worden, er niet aan afdoet dat bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid de planregels in acht moeten worden genomen en eventuele effecten voor het bedrijf van [appellante] moeten worden onderzocht en de belangen van [appellante] moeten worden meegewogen.

2.6. Het wijzigingsplan voorziet in de bouw van vier blokken van twee halfvrijstaande woningen, die zullen worden gesitueerd op geringe afstand van het bedrijfsperceel. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante] aldus dat zij vreest te worden beperkt in haar bedrijfsmogelijkheden en te worden geconfronteerd met klachten van de bewoners van de door het plan mogelijk gemaakte woningen omdat als gevolg van de uitoefening van haar bedrijf ter plaatse van die woningen geen goed leefklimaat zal worden ervaren.

2.7. Ingevolge het bestemmingsplan, dat door de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2009, zaak no. 200902307/1/R2 (www.raadvanstate.nl) in rechte onaantastbaar is geworden, rust op het bedrijfsperceel de bestemming "Bedrijf". In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het gebruik van het perceel voor transportactiviteiten zich niet verdraagt met die bestemming. Voorts heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat niet is gebleken dat transportactiviteiten anders dan ten behoeve van de zand- en grindhandel plaatsvinden. Gelet daarop heeft het college bij de beantwoording van de vraag of [appellante] door het wijzigingsplan niet in haar bedrijfsmatig functioneren wordt beperkt in redelijkheid als uitgangspunt kunnen hanteren dat slechts rekening hoeft te worden gehouden met de exploitatie van de zand- en grindhandel. Het door [appellante] gestelde over de afwijking van de richtafstand voor geluid en gevaar in verband met goederenvervoer heeft het college dan ook buiten beschouwing kunnen laten.

2.8. Het college heeft aan zijn standpunt dat het nieuwbouwplan voor de aan het bedrijf vergunde geluidruimte geen beperking vormt het rapport "Akoestisch onderzoek Wet Milieubeheer bouwplan 8 woningen Keramiekstraat te Tegelen", project nr. M9 305.401.1, gedateerd 1 oktober 2009, van K+ Adviesgroep ten grondslag gelegd. Dit rapport is voor wat betreft de representatieve bedrijfssituatie gebaseerd op het akoestisch onderzoek F 4474-2 van Adviesbureau Peutz, gedateerd 6 oktober 1998, dat volgens partijen is opgesteld in het kader van de procedure voor een milieuvergunning voor het bedrijf van [appellante].

Het enkele feit dat het onderzoek van Adviesbureau Peutz indertijd is uitgevoerd in opdracht van [appellante] en door haar is betaald, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat het college het onderzoek van K+ Adviesgroep niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. [appellante] heeft niet aangevoerd dat de onderzoeken van Adviesbureau Peutz en K+ Adviesgroep naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertonen. Nu uit het onderzoek van K+ Adviesgroep blijkt dat het geluidniveau van het bedrijf van [appellante] ter plaatse van de te realiseren woningen binnen de ingevolge Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer geldende geluidnormen blijft, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bedrijf van [appellante] op dit punt niet in haar bedrijfsmatig functioneren wordt beperkt door het wijzigingsplan. Nu de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgestelde richtafstanden louter indicatief van aard zijn, brengt dit mee dat het college onder verwijzing naar het verrichte akoestisch onderzoek van de richtafstand voor geluid heeft kunnen afwijken.

2.9. Vast staat dat zich naast het bedrijfsperceel een flatgebouw bevindt waarvan de achtergevel min of meer parallel loopt aan de westelijke grens van het perceel. De kortste afstand tussen het bedrijfsperceel en deze flat bedraagt 5 meter, de langste afstand is ruim 20 meter. Het college heeft onweersproken gesteld dat [appellante] haar bedrijfsvoering moet afstemmen op deze woningen. Voorts staat vast de door het plan mogelijk gemaakte woningen, anders dan het flatgebouw, niet naast het bedrijfsperceel maar in het verlengde van de meest westelijke hoek daarvan zullen worden gesitueerd. De rechterhoek van het bouwvlak voor de twee het dichtst bij het bedrijfsperceel te realiseren woningen bevindt zich ingevolge het wijzigingsplan op 17 meter van de hoek van het bedrijfsterrein. De afstand tussen de linkerhoek van dat bouwvlak en het bedrijfsterrein bedraagt 22 meter. De kortste afstand tussen de drie andere mogelijk gemaakte woonblokken en de hoek van het bedrijfsterrein zal onderscheidenlijk 28, 39 en 52 meter bedragen. Dat brengt mee dat voor twee woningen in enigerlei mate en voor twee andere woningen in geringe mate wordt afgeweken van de richtafstand voor stof van 30 meter. Voorts zullen de tuinen van deze woningen, gelet op de situering van de bouwvlakken, hoofdzakelijk aan de van het bedrijfsperceel afgekeerde zijde van de woningen komen te liggen op minimaal 30 meter afstand van het bedrijfsperceel. Gelet daarop en mede in aanmerking genomen dat uit de stukken noch het verhandelde ter zitting is gebleken dat de flats naast het bedrijfsperceel overlast in de vorm van stofhinder ondervinden, heeft het college in redelijkheid van de richtafstand voor stof kunnen afwijken.

Hieruit volgt dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij terecht vreest dat de bewoners van de door het plan mogelijk gemaakte woningen als gevolg van de uitoefening van haar bedrijf geen goed leefklimaat zullen ervaren.

2.10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan [appellante] niet worden gevolgd in haar stelling dat de gevolgen van de bouw van de woningen voor haar bedrijf aanzienlijk zullen zijn. Daarom kan niet worden geoordeeld dat het college het belang van het realiseren van de woningen - waarmee blijkens de toelichting wordt voldaan aan het beleid woningbouw te plegen binnen de contouren van bestaande kernen en zo optimaal mogelijk gebruik te maken van de beschikbare ruimte binnen bestaand stedelijk gebied - niet in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van [appellante]. De niet nader toegelichte stelling van [appellante] dat het college de woningen slechts wil bouwen om een bedrijfsverplaatsing te financieren en dat het belang van de bouw van de woningen gering is omdat de woningmarkt is ingestort vormt onvoldoende grond voor een ander oordeel.

2.11. De conclusie is dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Mathot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

413.