Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1952

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
201001583/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2007 heeft de minister een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001583/1/V6.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) van 11 januari 2010 in zaak nr. 09/6 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2007 heeft de minister een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 28 november 2008 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 maart 2010. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. W. de Vilder, advocaat te Beek, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Volgens de Handleiding RWN 2003 (hierna: de Handleiding) wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde onder meer afgewezen, indien er op het moment van indiening van het verzoek of de beslissing daarop, serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen. Van een serieuze verdenking is onder meer sprake indien tegen de verzoeker proces-verbaal wegens misdrijf is opgemaakt en de strafzaak niet is beëindigd of de strafbeschikking niet is uitgevaardigd dan wel indien tegen de verzoeker een strafzaak wegens misdrijf openstaat. Van belang is dat een afwijzende beslissing nimmer kan worden gebaseerd op alleen een enkel proces-verbaal. Een proces-verbaal leidt immers niet altijd tot het opleggen van een sanctie. Omdat het bij de vraag naar het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde oplevert, primair gaat om diens gedragingen, is in beginsel irrelevant waar deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Een bepaalde gedraging is immers niet minder ernstig indien het buiten de landsgrenzen heeft plaatsgevonden. Aangezien het gaat om het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de Nederlandse openbare orde vormt, wordt niet tegengeworpen de bestraffing van een gedraging die naar Nederlands recht geen misdrijf vormt. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat in het buitenland bepaalde gedragingen in het algemeen zwaarder of lichter kunnen worden bestraft dan in Nederland. Daarom moet tevens worden beoordeeld of de buitenlandse beoordeling van het misdrijf vergelijkbaar is met de Nederlandse beoordeling. Buitenlandse feiten kunnen bijvoorbeeld blijken uit gegevens van de Justitiële documentatiedienst of uit de verklaringen van de verzoeker zelf, aldus de Handleiding.

Voorts wordt volgens de Handleiding een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde afgewezen, indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop - de zogeheten rehabilitatietermijn - een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd, waarbij met sanctie onder meer wordt bedoeld iedere vrijheidsbenemende straf of maatregel en iedere geldboete, strafbeschikking of transactie van € 453,78 of meer. Het is van belang dat de verzoeker zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de verzoeker in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.

Volgens de Handleiding is het in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat een verzoek dat op grond van het beleid moet worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat niet snel van het beleid wordt afgeweken en moet zeer grote terughoudendheid worden betracht, aldus de Handleiding.

2.2. Aan de bij het besluit van 28 november 2008 gehandhaafde afwijzing van het verzoek om naturalisatie heeft de minister ten grondslag gelegd dat er ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde, omdat er serieuze verdenkingen bestaan dat [appellant] een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen. De minister heeft daarbij in aanmerking genomen dat [appellant] in Turkije wordt gezocht wegens desertie uit het Turkse leger en dat in Nederland tegen hem een proces-verbaal is opgemaakt ter zake van valsheid in geschrifte en oplichting.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de minister in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gehandeld door, los van de aangevoerde bezwaren, aan het besluit van 28 november 2008 een niet eerder ingeroepen weigeringsgrond ten grondslag te leggen. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 1 oktober 2008 in zaak nr. 200708648/1), volgt uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging plaatsvindt en is de bezwaarschriftprocedure bedoeld voor een volledige heroverweging die niet is gebonden aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. De Afdeling heeft voorts eerder overwogen (onder meer in de uitspraak van 5 maart 2008 in zaak nr. 200704988/1) dat door het hanteren van een niet eerder in de procedure ingeroepen weigeringsgrond niet buiten de grenzen wordt getreden die artikel 7:11, eerste lid, van de Awb stelt aan de heroverweging in bezwaar. Door aan het besluit van 28 november 2008 alsnog de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN ten grondslag te leggen, heeft de minister de juridische grondslag van het primaire besluit van 8 maart 2007 gewijzigd. Deze wijziging is te beschouwen als het resultaat van de heroverweging van het primaire besluit van 8 maart 2007. Voorts is niet gebleken van een verslechtering van de positie van [appellant], aangezien bij het besluit van 28 november 2008 niet tot anders of meer is beslist dan de handhaving van de afwijzing van zijn verzoek om naturalisatie. Bovendien is [appellant] op 18 november 2008 over de nieuwe weigeringsgrond gehoord.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het onderzoek met betrekking tot de omstandigheden van zijn desertie in Turkije onvoldoende is geweest. Volgens [appellant] had de minister op zijn minst een deugdelijke schriftelijke rapportage moeten laten opmaken, waarin aandacht wordt besteed aan een vergelijking van het strafbare feit in de Turkse en in de Nederlandse situatie en waarin een beoordeling in het kader van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst (hierna: de WGMD) is opgenomen. Daarbij wijst hij erop dat zijn weigering in het Turkse leger te dienen in de Nederlandse situatie geen misdrijf oplevert in verband met de bepalingen in de WGMD, terwijl Turkije de mogelijkheid van een beroep op gewetensbezwaren niet kent. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat, nu de desertie tien jaar geleden heeft plaatsgevonden en uit een in het procesdossier aanwezige telefoonnotitie blijkt dat tegen hem in Turkije geen strafzaak openstaat, het onbillijk is om hem, gelet op de zogeheten rehabilitatietermijn van vier jaar, dit feit tegen te werpen. Tot slot heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat de minister in het zeer lange tijdsverloop en het gegeven dat in Turkije geen gewetensbezwaren erkend worden, aanleiding had moeten zien om van het beleid in de Handleiding af te wijken.

2.4.1. Blijkens het besluit van 28 november 2008 heeft de minister zijn standpunt, dat [appellant] in Turkije wegens desertie wordt gezocht, gebaseerd op een consulaire verklaring van 23 augustus 2002 van het Turkse consulaat te Rotterdam en op van [appellant] verkregen informatie tijdens de hoorzitting in bezwaar van 5 juni 2007. Blijkens het verslag van die hoorzitting heeft [appellant] onder meer verklaard dat hij in 2000 in Turkije in militaire dienst is getreden en na drie maanden is gedeserteerd, waarvoor hij een gevangenisstraf van twee jaar zal krijgen, omdat hij de dienstplicht niet volledig heeft vervuld. De minister heeft in voormeld besluit uiteengezet dat desertie zowel naar Nederlands als naar Turks strafrecht een misdrijf oplevert, hetgeen [appellant] als zodanig niet heeft betwist. Daarbij heeft de minister verwezen naar onder meer de artikelen 100 en 101 van het Wetboek van Militair Strafrecht (hierna: het WvMS). Ingevolge artikel 100, tweede lid, van het WvMS, wordt desertie, in tijd van vrede gepleegd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie. Voorts heeft de minister verwezen naar zijn brief van 3 maart 2008 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, kenmerk 5527561/08, inzake nationaliteitsrechtelijke aangelegenheden en dienstplicht in Turkije. In die brief staat onder meer dat ingevolge de artikelen 66-68 van het Turks Wetboek van Militair Strafrecht het langer dan zes dagen zonder toestemming wegblijven uit de militaire eenheid nadat men is opgekomen wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten minste één en ten hoogste drie jaar. Nu, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de Handleiding geen nadere eisen stelt aan de wijze waarop de vergelijking van de beoordeling van het betreffende strafbare feit in het buitenland dient plaats te vinden, heeft zij terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld. Hierbij wordt voorts in aanmerking genomen dat [appellant] blijkens de stukken de minister toestemming heeft geweigerd de minister van Buitenlandse Zaken een nader onderzoek te laten doen naar een eventuele in Turkije openstaande strafzaak ter zake van dit feit, zodat, zoals de minister in zijn verweerschrift terecht heeft gesteld, een nadere vergelijking met de Nederlandse situatie niet mogelijk is.

Het beroep op de WGMD leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat, zoals de minister in voormeld besluit terecht heeft gesteld, [appellant] zijn gewetensbezwaren met de enkele verklaring dat hij niet tegen Koerden wenst te vechten onvoldoende heeft gestaafd. Daarbij heeft de minister er in zijn verweerschrift overigens op gewezen dat uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 15 juni 2000, over de dienstplicht in Turkije, blijkt dat de kans dat dienstplichtigen worden ingezet bij gevechtshandelingen in Zuidoost-Turkije relatief gering is.

2.4.2. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] zich met betrekking tot zijn desertie niet met succes kan beroepen op de zogeheten rehabilitatietermijn van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop, gedurende welke termijn geen sprake mag zijn van oplegging of tenuitvoerlegging van een sanctie ter zake van een misdrijf. De minister heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat hij vanwege het ontbreken van nadere gegevens over een eventuele strafzaak in Turkije niet kan vaststellen of de rehabilitatietermijn is verstreken. Anders dan [appellant] betoogt, biedt de telefoonnotitie van 8 juli 2008 onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat tegen hem in Turkije geen strafzaak openstaat. Behalve dat de in die notitie weergegeven mededeling van de desbetreffende medewerker van het Turkse consulaat, dat in Turkije op desertie wel sancties staan, maar dat deze niet als criminal charges zijn aan te merken, algemeen van aard is en niet ziet op de specifieke situatie van [appellant], is deze informatie voorts niet in overeenstemming met de inhoud van voormelde brief van de minister van 3 maart 2008 en met de eerdere verklaring van [appellant] dat hij vanwege desertie in Turkije een gevangenisstraf van twee jaar zal krijgen.

2.4.3. Gelet op het in 2.4.1. en 2.4.2. overwogene, heeft de minster het tijdsverloop en het gegeven dat in Turkije geen gewetensbezwaren worden erkend, terecht niet als dusdanig bijzonder aangemerkt dat die tot afwijking van de Handleiding zouden nopen.

Het betoog faalt.

2.5. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hem ter zake van op 27 juli 2006 gepleegde valsheid in geschrifte en oplichting op 24 december 2008 een transactievoorstel van € 250,00 is gedaan, welk bedrag lager is dan het in de Handleiding gehanteerde normbedrag van € 453,78, treft geen doel. Die omstandigheid laat onverlet dat ten tijde van het besluit van 28 november 2008 tegen [appellant] wegens deze misdrijven, waarvan de minister op 16 juli 2008 aangifte heeft gedaan, proces-verbaal was opgemaakt. Voorts was ten tijde van dat besluit van een beëindigde strafzaak dan wel van een uitgevaardigde strafbeschikking geen sprake, nu uit een telefoonnotitie van 26 november 2008 blijkt dat het proces-verbaal op 25 november 2008 door de regiopolitie Limburg-Zuid is doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie. Onder deze omstandigheden, daarbij tevens in aanmerking genomen dat de minister gehouden was om ingevolge de uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2008 in zaak nr. 08/1509 vóór 1 december 2008 opnieuw een besluit te nemen op het door [appellant] gemaakte bezwaar, heeft de rechtbank, anders dan [appellant] betoogt, voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door het doen van navraag bij het Openbaar Ministerie, of in vervolg op het proces-verbaal een straf, maatregel of boete zal worden gevorderd, achterwege te laten. Hierbij is tevens van belang dat, zoals de rechtbank evenzeer terecht heeft overwogen, in dit geval in overeenstemming met de Handleiding aan de afwijzing van het verzoek om naturalisatie niet alleen een proces-verbaal ten grondslag is gelegd.

De klacht van [appellant] dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn betoog dat de minister eerder aangifte had kunnen doen, is terecht voorgedragen, maar kan niet leiden tot het ermee beoogde doel. Dat de minister, na verkrijging op 30 mei en 1 juni 2007 van de voor [appellant] belastende informatie, nog ruim een jaar heeft gewacht met het doen van aangifte betreft niet een zodanig lange periode dat hij daarin aanleiding had behoren te zien van de Handleiding af te wijken.

2.6. Tot slot heeft de rechtbank blijkens de aangevallen uitspraak het door [appellant] gestelde belang bij een Nederlands paspoort voor het uitoefenen van zijn baan als internationaal vrachtwagenchauffeur in haar overwegingen betrokken. Anders dan [appellant] stelt, heeft de rechtbank daarbij een juiste maatstaf aangelegd door in dit verband te overwegen dat de hinder die hij bij die werkzaamheden stelt te ondervinden als gevolg van het feit dat hij niet de Nederlandse nationaliteit heeft, geen bijzondere omstandigheid oplevert die tot afwijking van het in de Handleiding neergelegde openbare orde beleid zou kunnen nopen.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Prins

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

363.