Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1948

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200909538/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2008 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] verleende huurtoeslag 2006 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 2.859 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/17.30 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909538/1/H2.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 28 oktober 2009 in zaken nrs. 08/2179 en 2178 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst).

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2008 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] verleende huurtoeslag 2006 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 2.859 teruggevorderd.

Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] verleende huurtoeslag 2007 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 3.069 teruggevorderd.

Bij besluit van 30 oktober 2008 respectievelijk 31 oktober 2008 heeft de Belastingdienst de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 30 oktober 2008 en 31 oktober 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van deze besluiten geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 januari 2010.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2010, waar [appellant] in persoon en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. B.M.A. van Eck, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), zoals deze gold ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, bestaat, indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien bij de belanghebbende of zijn partner over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen.

2.2. De rechtbank heeft de door [appellant] ingestelde beroepen tegen de besluiten op bezwaar van 30 oktober 2008 en 31 oktober 2008 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd wegens strijd met artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand gelaten. Over het in stand laten van de rechtsgevolgen heeft de rechtbank overwogen dat door [appellant] niet is bestreden dat over de jaren 2006 en 2007 een voordeel uit sparen en beleggen is ontvangen van respectievelijk € 2.859 en € 3.518. Voorts is niet gebleken dat [appellant] daartegen bezwaar heeft gemaakt bij de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft deze bedragen dan ook terecht aangemerkt als voordeel uit sparen en beleggen, zodat [appellant] niet in aanmerking komt voor huurtoeslag over de jaren 2006 en 2007.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst niet tot terugvordering mocht overgaan. Hij voert hiertoe aan dat de Belastingdienst op de hoogte was van het feit dat hij over vermogen beschikte.

2.3.1. Dit betoog faalt. Voor zover [appellant] in dit verband heeft gewezen op het besluit van de Belastingdienst van 2 oktober 2006, heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat dit besluit slechts betrekking heeft op zijn verzoek om maximale huurgrensoverschrijding als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag. Eventueel voordeel uit sparen en beleggen, waarop de vaststelling van de huurtoeslagen op nihil en de terugvordering is gebaseerd, is daarbij niet van belang. Tevens vloeit reeds uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid van de Awir, gelezen in samenhang met het derde en vierde lid voort, zoals deze golden ten tijde van de huurtoeslag 2006 en gelezen in samenhang met het vierde en vijfde lid, zoals deze golden ten tijde van de huurtoeslag 2007, alsmede artikel 24, tweede lid, gelezen in samenhang met het derde lid, dat aan de verlening van een voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op huurtoeslag bestaat. Het voorschot is gebaseerd op een voorlopige berekening en wordt slechts verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming. Die verlening kan bij de definitieve berekening worden herzien, wanneer de werkelijke inkomensgegevens bekend zijn. De voorschotten worden verrekend met de tegemoetkoming hetgeen eveneens kan leiden tot een terugvordering.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat hij eigenlijk geen voordeel uit sparen en beleggen heeft genoten, omdat hij door omstandigheden was genoodzaakt in te teren op zijn vermogen om in zijn bestaan te kunnen voorzien, en dit een situatie is waaronder huurtoeslag kan worden toegekend, gelet op artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag.

2.4.1. Uit artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag volgt niet dat recht bestaat op huurtoeslag, indien wordt ingeteerd op het vermogen. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat voor de vraag of sprake is van vermogen als uitgangspunt geldt de fiscale keuze die [appellant] bij de opgave van zijn verzamelinkomen destijds heeft gemaakt en de bestanddelen die daaruit voortvloeien. Dit betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat hij indertijd niet juist is voorgelicht. Hij voert hiertoe aan dat op het aanvraagformulier voor de huurtoeslag niet stond vermeld dat inkomsten uit sparen en beleggen van invloed konden zijn op het recht op huurtoeslag.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat onbekendheid met regelgeving geen bijzondere omstandigheid oplevert om af te wijken van de terzake geldende wettelijke bepaling. Voorts wordt in de toelichting bij het aanvraagformulier voor huurtoeslag vermeld dat bij voordeel uit sparen en beleggen in beginsel geen recht op huurtoeslag bestaat. Dit betoog faalt dan ook.

2.6. Voor zover [appellant] betoogt dat door het gemeentebestuur een passendheidsverklaring is afgegeven, wordt overwogen dat een dergelijke verklaring geen betekenis heeft voor de vaststelling van het toetsingsinkomen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betreft een passendheidsverklaring alleen de passendheid in verband met de overschrijding van de maximale huurprijs waarbij nog huurtoeslag aangevraagd kan worden.

De Belastingdienst heeft de huurtoeslag over de jaren 2006 en 2007 terecht op nihil vastgesteld, alsmede deze toeslagen kunnen terugvorderen.

2.7. Tenslotte betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van de besluiten van 30 oktober 2008 en 31 oktober 2008 in stand heeft gelaten. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat in dit geval meer dan één beslissing mogelijk was, aangezien een belangenafweging was vereist. [appellant] wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2009 in zaak nr. 200900278/1/H2.

2.7.1. Indien een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat het horen in bezwaar niet tot andere besluiten zou hebben geleid, heeft de rechtbank terecht bepaald dat de rechtsgevolgen van de besluiten van onderscheidenlijk 30 oktober 2008 en 31 oktober 2008 in stand blijven.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

85-630.