Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1946

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
201000833/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college het wijzigingsplan "Wijzigingsplan ex artikel 4.5.1a bestemmingsplanvoorschriften jo artikel 11 WRO" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000833/1/R2.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijchen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college het wijzigingsplan "Wijzigingsplan ex artikel 4.5.1a bestemmingsplanvoorschriften jo artikel 11 WRO" vastgesteld.

Bij besluit van 30 oktober 2008, kenmerk 08/7925, 08/9784, heeft het college het door [appellant] en anderen hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2010, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. C. van Deutekom, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door J.C.J.M. Wagenaar, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. G.H. Blom, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Procedurele aspecten

2.1. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte geen nieuw ontwerp van het wijzigingsplan ter inzage is gelegd, waarbij opnieuw de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had moeten worden gevolgd. Hiertoe voeren zij aan dat na de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 april 2008 in zaak nr. AWB 07/3030 inzake een bouwvergunning die was verleend ten behoeve van de veehouderij aan [locatie], waarbij door de rechtbank werd vastgesteld dat de publicaties met betrekking tot het vastgestelde wijzigingsplan onjuist waren en het plan door deze gebrekkige bekendmaking niet in werking was getreden, niet kon worden volstaan met het opnieuw ter inzage leggen van het reeds vastgestelde plan.

2.1.1. Met het correct publiceren van het vaststellingsbesluit inzake het voorliggende wijzigingsplan, heeft het college voldaan aan de hierboven aangehaalde uitspraak van de rechtbank Arnhem. Daarin is overwogen dat het het college vrijstond om het vaststellingsbesluit alsnog op juiste wijze te publiceren. Voorts verzet de Awb noch een andere wet zich ertegen dat het college het wijzigingsplan onverwijld ongewijzigd opnieuw ter inzage legt zonder dat de procedure ter voorbereiding van een wijzigingsplan wordt doorlopen. De reden waarom het voorliggende wijzigingsplan niet in werking was getreden, was immers gelegen in een gebrek van na de vaststelling van het wijzigingsplan. Ook is een vlotte voortgang van de procedure niet gebaat bij het opnieuw doorlopen van de procedure die leidt tot vaststelling van het wijzigingsplan. Tegen dit ongewijzigd ter inzage gelegde en gepubliceerde wijzigingsplan kon een bezwaarschrift worden ingediend bij het college en vervolgens beroep worden ingesteld bij de Afdeling, hetgeen [appellant] en anderen ook hebben gedaan. Het betoog faalt.

Planbeschrijving

2.2. Het wijzigingsplan voorziet in een wijziging van de vorm van het bouwvlak op de plankaart van de bestaande veehouderij van [partij], die is gevestigd aan [locatie] in Wijchen. In het plan wordt de totale oppervlakte van het bouwvlak niet vergroot. De vormverandering van het bouwvlak houdt verband met een voorgenomen uitbreiding van deze veehouderij.

Inhoudelijke aspecten

2.3. [appellant] en anderen betogen dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wegens overschrijding van de normen voor geurbelasting ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) en dat ten onrechte niet is beoordeeld of een milieueffectrapport opgesteld had moeten worden ten behoeve van het plan.

In de uitspraak van 28 januari 2009 in zaak nr. 200801039/1 heeft de Afdeling met betrekking tot de in 2008 aan [partij] verleende milieuvergunning overwogen dat ingevolge kolom 4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 geen m.e.r.-beoordelingsplicht bestond, omdat de drempelwaarde zoals opgenomen in categorie 14 van onderdeel D niet werd overschreden en voorts dat de in artikel 3, derde lid, van de Wgv geregelde uitzondering van toepassing is, zodat de Wgv niet aan vergunningverlening aan [partij] in de weg stond.

Nu het feitencomplex met betrekking tot de veehouderij aan [locatie] sinds die uitspraak niet is gewijzigd, bestaat geen aanleiding om ten aanzien van het wijzigingsplan wat betreft het bestaan van een m.e.r.-beoordelingsplicht en ten aanzien van de overschrijding van de geurbelasting thans anders te oordelen. Derhalve slagen deze betogen niet.

2.4. [appellant] en anderen voeren aan dat in het bestreden besluit geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden. Het college heeft volgens [appellant] en anderen er geen blijk van gegeven dat het plan is getoetst aan het meest recente provinciale en rijksbeleid. Ook is ten onrechte volstaan met een verwijzing naar de procedure inzake de milieuvergunning en is niet bezien of uitbreiding van het agrarische bedrijf in planologisch opzicht mogelijk is. Voorts is in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening gehouden met hun belangen. Hiertoe voeren zij aan dat zij vergevorderde plannen hebben om op een naastgelegen perceel een nieuw landgoed te ontwikkelen en de in het plan voorziene uitbreiding voor het agrarisch bedrijf deze plannen belemmert. Derhalve is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:11 van de Awb, aldus [appellant] en anderen.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het enkel veranderen van het bouwvlak zonder toename van het oppervlak niet zonder meer van invloed is op de geurbelasting ter plaatse of anderszins. De geurbelasting is bij de verlening van de milieuvergunning getoetst aan de Wgv en daaruit bleek dat deze wet geen belemmering vormt. Verder komt het emissiepunt van het agrarisch bedrijf niet dichterbij de gronden van [appellant] en anderen te liggen, zodat voor hen geen planologisch nadeligere situatie ontstaat. Voorts is er nooit de intentie geweest het bedrijf weg te bestemmen of het bouwvlak te verkleinen om de ontwikkeling van het bedrijf tegen te gaan. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit waren de plannen van [appellant] en anderen voor een nieuw landgoed onvoldoende concreet om deze mee te wegen in de beoordeling van het plan. Bovendien ondervinden zij geen nadeel van de vormverandering van het bouwvlak van het bedrijf, aldus het college.

2.4.2. Nog afgezien van het feit dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de plannen van [appellant] en anderen voor een nieuw landgoed op hun gronden nog weinig concreet waren, is door [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het wijzigingsplan aan de verwezenlijking van hun plannen in de weg staat. Hierbij is in aanmerking genomen dat het plan slechts een beperkte wijziging van het bouwvlak betreft, waarbij het bestaande bouwvlak niet wordt vergroot en geen sprake zal zijn van een toename van de geurbelasting. Voorts is door [appellant] en anderen niet inzichtelijk gemaakt aan welk recent provinciaal dan wel rijksbeleid het plan ten onrechte niet is getoetst, zodat dit betoog reeds hierom niet kan slagen. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat geen heroverweging heeft plaatsgevonden van de relevante ruimtelijke belangen op basis van de feiten zoals die bestonden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Het college heeft derhalve in redelijkheid medewerking kunnen verlenen aan de vormverandering van het bouwvlak.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

12-571.