Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1939

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200906994/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2009, no. 12, heeft de raad het bestemmingsplan "Musselkanaal Centrum fase 1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906994/1/R1.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Super de Boer supermarkten B.V., gevestigd te Amersfoort,

2. de stichting Stichting Heereweegen, gevestigd te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Stadskanaal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2009, no. 12, heeft de raad het bestemmingsplan "Musselkanaal Centrum fase 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Super de Boer bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2009, en de Stichting bij brief, bij de

Raad van State ingekomen op 16 september 2009, beroep ingesteld.

Super de Boer heeft haar beroep aangevuld bij brief van 8 oktober 2009.

De Stichting heeft haar beroep aangevuld bij brief van 16 oktober 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en Super de Boer hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2010, waar De Stichting, vertegenwoordigd door R.W. Bouwmeester en mr. G.H.J. Heutink, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door J. Bessembinders, wethouder, en mr. R.P. Doting, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.1. De raad heeft zich in een nader stuk op het standpunt gesteld dat Super de Boer geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar beroep. Hierbij wijst de raad erop dat het filiaal van Super de Boer is overgenomen door C1000 en dat Super de Boer geen supermarkt meer heeft in Musselkanaal. Uit een nader stuk van Super de Boer blijkt evenwel dat het filiaal in Musselkanaal niet is overgenomen door C1000. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat Super de Boer niet langer belang heeft bij een uitspraak op het door haar ingestelde beroep.

Intrekking

2.2. Ter zitting heeft De Stichting de beroepsgrond die ziet op de terinzagelegging van een parkeeronderzoek van Grontmij van 2007 en een schaduwberekening ingetrokken.

Planbeschrijving

2.3. Het plan schept een juridisch-planologisch kader voor de ontwikkeling van het centrum van Musselkanaal en voorziet in een bibliotheek en buurthuis, alsmede winkels, woningen en een plein ter plaatse van de gronden waar zich thans een bibliotheek en buurthuis bevinden. Het plan beoogt, voor zover hier van belang, een aantrekkende werking op de detailhandel te verwezenlijken en het centrum levendiger te maken.

Formele aspecten

2.4. Wat betreft het betoog van De Stichting ter zitting dat beperkingen ter voorkoming van duurzame ontwrichting in het plan moeten voldoen aan de eisen van artikel 1.1.2. van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 14, vijfde lid, van de Dienstenrichtlijn overweegt de Afdeling dat dit niet eerder in de procedure is aangevoerd en dat niet is gebleken dat De Stichting dit niet eerder heeft kunnen aanvoeren. Gelet hierop laat de Afdeling dit aspect wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het voor de raad niet mogelijk was hier in een zo laat stadium van de procedure passend op te reageren.

2.5. De Stichting voert aan dat de onderzoeksrapporten "Stadskanaal Detailhandelsstructuurvisie" van 26 mei 2004 en "Musselkanaal Ruimtelijk-economische visie en Plan van Aanpak" van 2 oktober 2001 van Droogh Trommelen Broekhuis ten onrechte niet tezamen met het ontwerpplan ter inzage zijn gelegd.

2.5.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing met dien verstande dat in voormeld artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.5.2. Het ontwerpplan is met ingang van 12 maart 2009 voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Vaststaat dat daarbij de onderzoeksrapporten "Stadskanaal Detailhandelsstructuurvisie" en "Musselkanaal Ruimtelijk-economische visie en Plan van Aanpak" niet ter inzage zijn gelegd.

2.5.3. De rapporten zijn opgesteld in het kader van de discussie omtrent duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau die voorafgaand aan de vaststelling van het vorige bestemmingsplan in 2007 is gevoerd. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat de rapporten in een zodanig verband staan tot het ontwerpplan dat deze dienen te worden aangemerkt als op het ontwerpplan betrekking hebbende stukken. De omstandigheid dat de raad in zijn reactie op de bezwaren van De Stichting naar de onderzoeksrapporten heeft verwezen biedt hiervoor op zichzelf, mede gelet op de inhoud van de rapporten, naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aanleiding. Er bestond dan ook geen verplichting de onderzoeksrapporten op de voet van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb met het ontwerpplan ter inzage te leggen.

Ten aanzien van de inhoud

2.6. De Stichting betoogt in beroep dat het plan een te ruime verkoopvloeroppervlakte voor detailhandel toestaat en leidt tot een overaanbod aan detailhandel in Musselkanaal. Voorts stelt zij, op grond van het in haar opdracht door Goudappel Coffeng verrichte onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Marktanalyse dagelijkse sector Musselkanaal" van 22 april 2009 dat moet worden gevreesd voor nadelige effecten van het plan op de reeds aanwezige detailhandel. Volgens De Stichting had de raad bovendien, gelet op de conclusie in voornoemd rapport dat naar verwachting een overaanbodsituatie ontstaat van ruim 94%, een actueel distributie-planologisch onderzoek aan het plan ten grondslag moeten leggen.

2.6.1. Super de Boer richt zich tegen het plan voor zover het de vestiging van een supermarkt mogelijk maakt ter plaatse van de gronden met de bestemming "Centrum". De vestiging van een supermarkt in het plangebied leidt tot een onherstelbare verstoring binnen de supermarktbranche, aldus Super de Boer. In dit verband wijst zij op het hiervoor in overweging 2.6. verrichte onderzoek waar de raad volgens haar ten onrechte aan is voorbijgegaan. Zij betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de huidige ondernemers.

2.6.2. De raad stelt zich in het bestreden besluit en blijkens zijn verweerschrift op het standpunt dat een concentratie en herschikking van het winkelaanbod ter plaatse van het plangebied noodzakelijk is. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat het plan niet zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau, maar juist zal bijdragen aan een versterking daarvan. Volgens hem waarborgt het plan voor inwoners van Musselkanaal dat zij hun dagelijkse inkopen op aanvaardbare afstand van hun woning kunnen blijven doen. Bovendien, zo stelt hij, zal de economische positie van ondernemers in ieder geval niet verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Dat de vestiging van een supermarkt in het plangebied zou kunnen leiden tot de sluiting van een andere supermarkt in Musselkanaal leidt volgens de raad nog niet tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau.

2.6.3. Een deel van het plangebied is bestemd als "Centrum". Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, van de planregels, zijn de als zodanig aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor detailhandel. Ingevolge artikel 6, aanhef en onder j, wordt tot een verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wro in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel zodanig dat de verkoopvloeroppervlakte meer dan 1900 m² bedraagt.

2.6.4. Niet in geschil is dat de in het plan opgenomen mogelijkheid van vestiging van detailhandel met een oppervlakte van 1900 m² zal leiden tot een overaanbod van winkelvestigingen in de detailhandelsbranche in Musselkanaal. Voorts is niet uitgesloten en heeft de raad zich blijkens het verweerschrift gerealiseerd dat als gevolg van de beoogde vestiging van een supermarkt met een bedrijfsvloeroppervlak van ongeveer 1500 m², de omzet van de winkelvestigingen in de branche voor dagelijkse inkopen zou kunnen verminderen en dat één of meer ondernemers in de detailhandelsbranche hun bedrijfsvoering wellicht moeten beëindigen. Het voorgaande leidt evenwel niet reeds tot de conclusie dat het voorzieningenniveau van Musselkanaal duurzaam zal worden ontwricht. De vraag of zich een ontwrichting van het voorzieningenniveau in de branche voor dagelijkse inkopen zal voordoen, richt zich immers, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 juni 2009 in zaak nr. 200808122/1/R3), op de vraag of voor de inwoners van Musselkanaal een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonbuurt hun dagelijks inkopen kunnen doen.

Gelet hierop en gelet op het aantal aanwezige winkels in de branche dagelijkse inkopen en in aanmerking genomen de maximale oppervlakte van 1900 m² die in aanvulling hierop mogelijk wordt gemaakt in het plan bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat - zelfs indien, zoals Super de Boer en De Stichting onder verwijzing naar het in hun opdracht verrichte onderzoek stellen, een aanzienlijk overaanbod van het aantal supermarkten en het totaal aantal winkels in de branche voor dagelijkse inkopen zal ontstaan - zodanig veel winkels in de branche voor dagelijkse inkopen hun bedrijfsvoering zullen beëindigen dat de inwoners van Musselkanaal niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woonbuurt hun dagelijkse inkopen kunnen doen.

De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de branche voor dagelijkse inkopen door de komst van een supermarkt en overige detailhandel in Musselkanaal niet behoeft te worden gevreesd. Hierbij betrekt de Afdeling dat in het onderzoeksrapport "Marktanalyse dagelijkse sector Musselkanaal" van Goudappel Coffeng weliswaar wordt geconstateerd dat sprake zal zijn van een overaanbod, maar niet wordt geconcludeerd dat het plan zal leiden tot een dusdanig voorzieningenniveau dat inwoners van Musselkanaal niet op een aanvaardbare afstand van hun woonbuurt hun dagelijkse inkopen kunnen doen. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich eveneens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij geen distributie-planologisch onderzoek hoefde te verrichten. De door De Stichting opgeworpen aspecten omtrent de volledigheid en de juistheid van de onderzoeksrapporten "Stadskanaal Detailhandelsstructuurvisie" en "Musselkanaal Ruimtelijk-economische visie en Plan van Aanpak", waar de raad in zijn reactie op de zienswijze naar heeft verwezen, behoeven evenmin bespreking.

2.7. De Stichting betoogt dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn. Voorts stelt zij dat onvoldoende duidelijk is waarop de berekening van de parkeerbehoefte is gebaseerd. De verwachtingen ten aanzien van de verkeersstromen en de luchtkwaliteit zijn gebaseerd op de berekening van de parkeerbehoefte, zodat ook aan de juistheid daarvan moet worden getwijfeld, aldus De Stichting.

2.7.1. Uit de plantoelichting volgt, voor zover hier van belang, dat voor het plangebied in 180 parkeerplaatsen wordt voorzien en dat in de omliggende schil reeds 100 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Daarmee is volgens de raad, ook op piekmomenten, voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Niet aannemelijk is geworden, te meer nu de parkeerbalans van Grontmij van 5 juni 2009 het standpunt van de raad bevestigt, dat dit aantal onvoldoende is. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de parkeerbalans zodanige gebreken bevat dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. Hierbij acht de Afdeling van belang dat wat betreft het bedrijfsvloeroppervlak rekening is gehouden met de maximale invulling van het plan. Voorts is in aanmerking genomen dat de CROW-aanbevelingen zijn gebruikt voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen, hetgeen heeft geresulteerd in een parkeerbehoefte op piekmomenten van 276, alsmede een toename van de parkeervraag met 75 plaatsen. De Stichting heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan de raad in dit geval geen gebruik mocht maken van de CROW-aanbevelingen. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen de Stichting heeft opgeworpen ten aanzien van de betrouwbaarheid van het verkeers- en luchtkwaliteitsonderzoek verder geen bespreking.

2.8. De Stichting betoogt dat de uitvoerbaarheid van het plan niet is aangetoond, nu geen aanvullend onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied.

2.8.1. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Volgens de plantoelichting is ten aanzien van de aanwezigheid van vleermuizen aanvullend onderzoek nodig om te beoordelen of ontheffing moet worden aangevraagd. In de plantoelichting is verder onderbouwd uiteengezet dat mocht uit het aanvullende onderzoek volgen dat ontheffing voor vleermuizen vereist is, niet verwacht wordt dat deze niet zal worden verleend. Het voornoemde onderzoek is inmiddels verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de notitie "Vleermuisinventarisatie Willem Diemerstraat te Musselkanaal" van 2009. De conclusie in dit rapport is dat in het plangebied geen mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn, dan wel foerageergebied van enig belang. Voor zover er vleermuizen foerageren bestaat er voldoende alternatief foerageergebied in de directe omgeving. Derhalve is in de notitie geconcludeerd dat een ontheffing van de Flora- en faunawet niet noodzakelijk is. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de notitie op dit punt gebreken vertoont noch dat de in de notitie opgenomen conclusies onjuist zijn. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre uitvoerbaar is.

2.9. De Stichting heeft zich in het beroepschrift wat betreft het aspect financiële uitvoerbaarheid beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. De Stichting heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.10. In hetgeen Super de Boer en De Stichting hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De beroepen van Super de Boer en De Stichting zijn ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Nienhuis

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

466-646.