Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1938

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200905316/1/R1 en 200905317/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009 met het kenmerk PZH-2009-390568A heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nieuwkoop bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Geluidszone Hoekse Aarkade 2008" (hierna: bestemmingsplan "Geluidszone") .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/5547 met annotatie van R. Frusch
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905316/1/R1 en 200905317/1/R1.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

de vereniging Burgerbelang Hoekse Aarkade, gevestigd te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009 met het kenmerk PZH-2009-390568A heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nieuwkoop bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Geluidszone Hoekse Aarkade 2008" (hierna: bestemmingsplan "Geluidszone") .

Bij besluit van 26 mei 2009 met het kenmerk PZH-2009-390618 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nieuwkoop bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Gezoneerd Bedrijventerrein Hoekse Aarkade" (hierna: bestemmingsplan "Bedrijventerrein").

Tegen deze besluiten heeft de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2009, beroep ingesteld.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij A] B.V. en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 27 mei 2010, waar de vereniging, vertegenwoordigd door haar [voorzitter], en het college, vertegenwoordigd door ing. J.A. Looij, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn [partij A], vertegenwoordigd door mr. J.G. Bos, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door A.J.R. Roosken, werkzaam bij planbureau mRO, en R. Kouch, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft de vereniging haar beroepsgrond dat het ontoelaatbaar is dat zonder de eigenaren in te lichten overgegaan wordt tot uitbreiding van het waterareaal, ingetrokken.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of de plannen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat de plannen en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Ontvankelijkheid

2.3. Het college en de raad stellen zich op het standpunt dat de beroepen van de vereniging niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, aangezien is verzuimd om tijdig een zienswijze tegen de ontwerpplannen naar voren te brengen.

2.3.1. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO in samenhang bezien met afdeling 3.4 van de Awb, voor zover hier van belang, wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kan een ieder gedurende deze termijn zienswijzen naar voren brengen bij de raad.

De ontwerpplannen zijn blijkens de kennisgeving met ingang van 6 maart 2008 gedurende zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 16 april 2008.

Binnen deze termijn heeft de vereniging aangegeven, bij brieven van 15 april 2008, tegen beide ontwerpbestemmingsplannen bezwaren te hebben. Eerst na afloop van voormelde termijn heeft de vereniging, bij brieven van 10 juni 2008, duidelijk gemaakt welke bezwaren zij tegen de ontwerpbestemmingsplannen heeft.

De vereniging heeft vervolgens bij het college tijdig bedenkingen ingediend. Het college heeft de bedenkingen van de vereniging buiten beschouwing gelaten, omdat volgens het college de vereniging niet tijdig zienswijzen bij de raad heeft ingediend.

2.3.2. Het kenbaar maken van niet nader aangeduide bezwaren is onvoldoende om zienswijzen naar voren te brengen. In de term "zienswijze" ligt immers een zekere motiveringseis besloten.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1/R1 brengt het zorgvuldigheidsbeginsel met zich, indien een bestemmingsplan met de in afdeling 3.4 van de Awb neergelegde uniforme openbare voorbereidingsprocedure is voorbereid, zoals in het onderhavige geval, dat de indiener van de binnen de wettelijke termijn naar voren gebrachte niet nader aangeduide bezwaren onverwijld in de gelegenheid wordt gesteld om deze binnen twee weken van gronden te voorzien. Voor zover er een termijn van niet langer dan twee weken wordt gegund, is er geen gevaar dat de in artikel 25 van de WRO neergelegde beslistermijn omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan in gedrang komt.

De raad heeft het voorgaande niet onderkend en heeft de vereniging niet onverwijld in de gelegenheid gesteld om de door haar bij brieven van 15 april 2008 niet nader aangeduide bezwaren binnen twee weken van gronden te voorzien. De omstandigheid dat de vereniging heeft aangegeven dat de gronden in de maand mei nog zullen volgen doet hieraan niet af. Gelet hierop kan de vereniging redelijkerwijs niet worden verweten dat zij geen zienswijzen tegen de ontwerpplannen heeft ingebracht.

De beroepen zijn dan ook ontvankelijk.

Terinzagelegging beide bestemmingsplannen

2.4. De vereniging betoogt dat de gelijktijdige terinzagelegging van beide ontwerpbestemmingsplannen en het voegen van het bestemmingsplan "Geluidszone" als bijlage bij het bestemmingsplan "Bedrijventerrein" in strijd is met de rechtszekerheid.

2.4.1. Beide ontwerpbestemmingsplannen hebben gelijktijdig ter inzage gelegen. In de kennisgeving van de terinzagelegging zijn beide ontwerpbestemmingsplannen genoemd. Voorts is bestemmingsplan "Geluidszone" als bijlage 5 bij het bestemmingsplan "Bedrijventerrein" gevoegd. De raad heeft in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein" aangegeven dat de beide bestemmingsplannen vanwege de samenhang gelijktijdig in procedure worden gebracht.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 29 augustus 2007, zaak nr. 200603048/1, is het vaststellen van een geluidszone in een ander plan dan waarin de bestemming voor het betreffende gebied wordt gewijzigd in beginsel niet in strijd met het recht of een goede ruimtelijke ordening. Dit laat evenwel onverlet dat de geluidszone - behoudens de situatie dat uitsluitend is beoogd de geluidsruimte van een al bestaand gezoneerd terrein aan te passen in welk geval alleen de zone wijzigt - tegelijkertijd of nagenoeg tegelijkertijd met het plan dat voorziet in een (wijziging van de) bestemming op grond waarvan inrichtingen als bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer zijn toegestaan, dient te worden gewijzigd. In dit geval is daar aan voldaan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college geen goedkeuring aan de beide bestemmingsplannen heeft kunnen verlenen omdat de beide ontwerpbestemmingsplannen gelijktijdig ter inzage zijn gelegd en het bestemmingsplan "Geluidszone" als bijlage is gevoegd bij het bestemmingsplan "Bedrijventerrein".

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein"

2.5. De vereniging betoogt dat de naam van bestemmingsplan "Bedrijventerrein" leidt tot een onjuiste beeldvorming, omdat het plangebied geen bedrijventerrein is. Volgens de vereniging ontbreekt voorts de aanduiding van de plangrens op de plankaart en zijn de op de plankaart vermelde afstandsmaten feitelijk onjuist. Voorts betoogt de vereniging dat de bepalingen van het bestemmingsplan onduidelijk zijn.

2.5.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat in het bestemmingsplan de bestemming "Bedrijventerrein" aan de gronden wordt toegekend, zodat de naam van het bestemmingsplan correct is. De aanduiding van de plangrens staat volgens de raad op de plankaart vermeld en ook de schaal en de maten kloppen. Voorts stelt de raad dat de voorschriften volgens de landelijke standaardisering zijn geredigeerd.

2.5.2. Het bestemmingsplan kent aan de betrokken gronden grotendeels de bestemming "Bedrijventerrein" toe, zodat het college zich terecht op het standpunt stelt dat de naam van het bestemmingsplan niet verwarrend is.

De Afdeling overweegt voorts dat de aanduiding van de plangrens op de plankaart staat vermeld, zodat het beroep van de vereniging in zoverre feitelijke grondslag mist. Voorts is niet gebleken dat de op de plankaart vermelde afmetingen onjuist zijn noch heeft de vereniging onderbouwd waaruit deze onjuistheid zou blijken. In hetgeen de vereniging overigens heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de voorschriften niet onduidelijk zijn.

Bestemmingsplan "Geluidszone"

2.6. De vereniging betoogt dat de parapluherziening van het bestemmingsplan "Geluidszone" geen recht doet aan de belangen van de omwonenden en in strijd is met de rechtszekerheid. Tevens ontstaat volgens de vereniging onduidelijkheid nu de geluidszone en het bedrijventerrein in twee aparte bestemmingsplannen zijn opgenomen. Voorts betoogt zij dat de woonboten ten onrechte niet op de plankaart zijn opgenomen.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ook nu er gekozen is voor een parapluherziening een duidelijke bescherming van het woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd. Er is volgens de raad sprake van twee bestemmingsplannen, waarvoor gekozen is omdat de geluidzone groter is dan de gronden die in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein" zijn betrokken.

2.6.2. Het bestemmingsplan "Geluidszone" voorziet in de aanwijzing van een geluidzone om het bedrijventerrein Hoekse Aarkade, dat in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein" is bestemd. Het bestemmingsplan "Geluidszone" betreft een thematische wijziging van de bestemmingsplannen "Korteraar", "Glastuinbouwgebieden" en "Papenveer" omdat de geluidzone in het plangebied van deze bestemmingsplannen valt. Het bestemmingsplan "Geluidszone" is als bijlage gevoegd bij het bestemmingsplan "Bedrijventerrein".

In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de keuze dat met het bestemmingsplan "Geluidszone" slechts wordt voorzien in de aanwijzing van een geluidzone door middel van een thematische herziening van de bestemmingsplannen "Korteraar", "Glastuinbouwgebieden" en "Papenveer", niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Nu de raad slechts heeft beoogd de geluidzone planologisch te regelen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan ook een regeling had moeten worden opgenomen voor de woonboten. Zij neemt daarbij in aanmerking dat behalve de geluidzone niets wordt gewijzigd. Voorts is het bestemmingsplan "Geluidszone" als bijlage bij het bestemmingsplan "Bedrijventerrein" gevoegd, zodat de gevolgen van beide bestemmingsplannen in één document te raadplegen zijn.

Geluidzone

2.7. De vereniging betoogt dat het college ten onrechte meer gewicht heeft toegekend aan de belangen van [partij A] en er voor had moeten kiezen om geluidreducerende maatregelen te treffen. Voorts betoogt de vereniging dat aan het akoestisch onderzoek onjuiste gegevens omtrent de verkeersintensiteiten ten grondslag liggen. Zij voert daartoe aan dat bij de vaststelling van het aantal verkeersbewegingen de verkeersbewegingen die samenhangen met de uitbreiding van [partij A] niet zijn meegenomen en dat de verkeersbelasting van de intensivering van de activiteiten van [partij B] niet is onderzocht. Ook is volgens de vereniging ten onrechte de komst van andere bedrijven niet in het onderzoek meegenomen. Volgens de vereniging is voorts het onderzoek niet onafhankelijk nu dit in opdracht van [partij A] is opgesteld. Voorts betoogt de vereniging dat de omwonenden door de geluidzone in het gebruik van hun opstallen zullen worden beperkt.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er wel degelijk geluidwerende maatregelen getroffen zullen worden, zodat de norm van 50 dB(A) buiten de geluidzone niet overschreden wordt. Het verder inkrimpen van de geluidzone zal volgens de raad tot te grote financiële offers leiden voor [partij A]. Meer geluidwerende maatregelen dan in het plan voorzien zullen voorts slechts een zeer gering effect hebben en een visuele belemmering vormen. Voorts stelt de raad dat de verkeersintensiteiten zijn gebaseerd op de huidige en verwachte bedrijfsvoering van de bedrijven. Volgens de raad hoefde er geen rekening gehouden te worden met de komst van nieuwe bedrijven, omdat ook nieuwe bedrijven aan de 50 dB(A)-norm van de geluidzone moeten voldoen. Voorts stelt de raad dat alle in het akoestisch onderzoek gebruikte gegevens objectief meet- en toetsbaar zijn en dat de berekening op de wettelijk vastgestelde wijze is uitgevoerd.

2.7.2. De raad heeft in het kader van de bestemmingsplannen twee akoestische onderzoeken laten uitvoeren. Het eerste onderzoek door Peutz dateert van 6 oktober 2006 en ziet alleen op [partij A]. Op basis van de inspraak op de voorontwerpbestemmingsplannen en de reactie van het college heeft de raad een tweede akoestisch onderzoek laten uitvoeren door Peutz, dat gedateerd is op 8 juni 2007. Dit tweede onderzoek ziet zowel op [partij A] als op [partij B]. Op basis van het onderzoek van 8 juni 2007 is de zonegrens in het bestemmingsplan "Geluidszone" vastgesteld.

Bij de berekeningen van de geluidsituatie van [partij A] is uitgegaan van de door [partij A] gewenste bedrijfsvoering inclusief het gebruik van de verworven gronden en de realisatie van het geplande ketelhuis. Voor het vrachtverkeer is uitgegaan van de min of meer maximale situatie die in de nabije toekomst gerealiseerd kan worden, inclusief de uitbreiding. Er is bij de vrachtbewegingen uitgegaan van een 'worst case'-situatie. Voor de berekeningen van de geluidsituatie van [partij B] is uitgegaan van de representatieve situatie die een min of meer maximaal gebruik representeert dat meer dan 12 maal per jaar voorkomt. Achter de huidige werkplaats bouwt [partij B] thans een nieuwe stalling en een elektrische botenkraan. Ter zitting is door de raad onweersproken gesteld dat deze ontwikkelingen in de berekeningen van de geluidsituatie zijn meegenomen.

Uit de berekeningen volgt dat ter hoogte van de nabijgelegen woningen de gecumuleerde geluidbelasting van [partij A] en [partij B] niet hoger is dan 50 dB(A). Op basis van de uitkomsten van het onderzoek van 8 juni 2007 heeft de raad de geluidzone zodanig vastgesteld dat er geen woningen of andere geluidgevoelige gebouwen of terreinen binnen deze zone zijn gelegen.

2.7.3. Aangezien bij de berekening van de geluidsituatie rekening is gehouden met de 'worst case'-situatie en met de uitbreidingen van beide bedrijven, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet heeft mogen uitgaan van de deugdelijkheid van het onderzoek. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de voormalige gemeente Ter Aar in verband met haar geringe omvang voorheen gebruik maakte van de milieudienst van de gemeente Alphen aan de Rijn, zodat die gemeente als opdrachtgever van het onderzoek staat vermeld. De facto heeft de raad van de voormalige gemeente Ter Aar opdracht gegeven voor het onderzoek. Gelet hierop mist het betoog van de vereniging in zoverre feitelijke grondslag.

De geluidbelasting op de woningen is minder dan 50 dB(A) en deze woningen vallen buiten de geluidzone. Ook toekomstige bedrijven, voor zover vergunningplichtig ingevolge de Wet milieubeheer, dienen aan de in het bestemmingsplan "Geluidszone" vastgestelde geluidzone te voldoen. Voorts volgt uit het eerste onderzoek dat geluidreducerende maatregelen slechts een zeer gering effect zullen hebben op de geluidbelasting van de omgeving van het bedrijventerrein, deze kostbaar zijn en een visuele belemmering vormen. Gezien het voorgaande ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college aanleiding had moeten zien de contouren van de geluidzone in het belang van de omwonenden dichter bij de grenzen van het bedrijventerrein te leggen.

Het akoestisch onderzoek ziet slechts op de toename van het verkeer dat direct aan de bedrijven is toe te rekenen en niet op de toename van het verkeer op de omringende wegen. Ingevolge de Wet geluidhinder is bij de vaststelling van een bestemmingsplan slechts onderzoek vereist naar de geluidbelasting van een bestaande weg indien het bestemmingsplan nieuwe woningen of andere geluidgevoelige objecten of terreinen mogelijk maakt of indien sprake is van een reconstructie van een bestaande weg. Het bestemmingsplan voorziet daar niet in. Gelet hierop behoefde op grond van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek te worden verricht naar de geluidbelasting vanwege het wegverkeer.

Ter zitting is voorts toegelicht dat het vrachtverkeer van en naar het plangebied voornamelijk over de Hoekse Aarkade, de Oostkanaalweg en de Schilkerweg van en naar de N231 ten noordoosten van het bedrijventerrein zal plaatsvinden. Uit het akoestisch onderzoek ten behoeve van de geluidzone volgt voorts dat de ontwikkelingen slechts een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen zullen veroorzaken. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening voor een aanvullend akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege het vrachtverkeer aanleiding bestond.

Luchtkwaliteit

2.8. De vereniging betoogt dat voor de berekeningen van de luchtkwaliteit van te oude gegevens is uitgegaan, waarbij geen rekening is gehouden met de intensivering van het verkeer over de jaren. Volgens de vereniging ontbreekt een reële opgave van de verkeersbewegingen van en naar [partij B] en dient uitgegaan te worden van de maximale benutting van het bestemmingsplan. Voorts betoogt de vereniging dat het onderzoek niet onafhankelijk is en niet door de gemeente is getoetst.

2.8.1. Volgens de raad is uitgegaan van de toename van het vrachtverkeer waarvan in het akoestisch onderzoek tevens is uitgegaan, is het onderzoek door een gerenommeerd ingenieursbureau uitgevoerd en is het door de gemeente en de milieudienst getoetst.

2.8.2. De raad heeft zijn conclusie dat de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor de planontwikkeling gebaseerd op het in opdracht van [partij A] door onderzoekbureau Tauw uitgevoerde onderzoek van 11 januari 2007. Dit onderzoek concludeert dat in en nabij de omgeving van [partij A] geen sprake is van een overschrijdingssituatie en dat de realisatie van de bedrijfsuitbreiding van [partij A] slechts een zeer geringe invloed op de luchtkwaliteit heeft. Voor het onderzoek is uitgegaan van het huidige en toekomstige bedrijf van [partij A] en van het huidige en toekomstige bedrijf van [partij B] en voorts van de wegen waarop een effect van de wijzigingen van [partij A] op de verkeersintensiteiten is te verwachten. Bij de berekeningen is gebruik gemaakt van verkeersgegevens van de provincie Zuid-Holland en de voormalige gemeente Ter Aar. De gegevens van de gemeente stammen uit 1998, waarbij rekening is gehouden met een groei van 1% per jaar.

2.8.3. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verkeerstoename groter is dan waarmee in het onderzoek rekening is gehouden noch dat de schatting van de verkeersbewegingen van en naar [partij B] niet kloppen. [partij A] en [partij B] zijn beide categorie 3 bedrijven. Nu het bestemmingsplan "Bedrijventerrein" de vestiging van bedrijven van categorie 1 tot en met categorie 3 mogelijk maakt, is de raad met het onderzoek naar de luchtkwaliteit uitgegaan van de representatieve maximale planologische mogelijkheden voor dit bedrijventerrein. In de enkele omstandigheid dat het onderzoek op verzoek van [partij A] is opgesteld, behoefde het college geen aanleiding te zien het onderzoek als niet onafhankelijk en onpartijdig buiten beschouwing te laten. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van het luchtkwaliteitsonderzoek heeft mogen uitgaan.

Flora en fauna

2.9. De vereniging betoogt dat ten onrechte is geconcludeerd dat geen aanvullend onderzoek noodzakelijk is naar flora en fauna. De vereniging voert aan dat door de scheepswerf en het aangrenzende open gebied in het plangebied wel degelijk waardevolle vegetatie en dieren voorkomen, waaronder de rugstreeppad.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat gezien de omstandigheid dat er altijd sprake is geweest van een bedrijventerrein en intensief agrarisch gebruik en de gronden ook thans als zodanig gebruikt worden er geen aanleiding is voor een uitvoerig flora en fauna onderzoek.

2.9.2. In de plantoelichting is opgenomen dat het plangebied voor ongeveer 80% is verhard en reeds lange tijd als bedrijventerrein en voor intensieve landbouw in gebruik is. Het gebied biedt geen geschikte habitat voor flora en fauna, die daar ook nauwelijks voorkomen. Binnen of direct grenzend aan het plangebied zijn ook geen ecologische aandachtsgebieden of stiltegebieden aanwezig, aldus de plantoelichting. Aanvullend onderzoek naar de flora en fauna in het plangebied heeft het college gelet op het voorgaande in redelijkheid niet noodzakelijk hoeven achten. Voorts vormt de enkele stelling dat in het plangebied de rugstreeppad voorkomt geen aanleiding voor een ander oordeel. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

Verkeersmaatregelen

2.10. De vereniging betoogt dat verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn om het langzame verkeer af te schermen van het vrachtverkeer. Volgens de vereniging is sprake van een ongewenste situatie bij de aansluiting van plangebied op het Oude Kerkpad en de Oostkanaalweg.

2.10.1. De raad stelt dat de verkeersveiligheid buiten de strekking van de bestemmingsplannen valt.

2.10.2. Uit het door onderzoekbureau Tauw uitgevoerde onderzoek van 11 januari 2007 volgt dat de wijziging een geschatte verkeerstoename van 6 vrachtwagenbewegingen en 20 personenwagenbewegingen per etmaal als gevolg zal hebben. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de uitbreiding van [partij A] niet zal leiden tot een grote toename van het verkeer, zodat het bestemmingsplan "Bedrijventerrein" op zichzelf niet tot een onveiliger verkeerssituatie zal leiden.

Conclusie

2.11. De conclusie is dat hetgeen de vereniging heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plannen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat de bestreden besluiten anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Bošnjaković

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

410-655.