Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1936

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200903879/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2009, nr. 12, heeft de raad het bestemmingsplan "Resort Lievelde" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903879/1/R2.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1] en anderen,

2. [appellant sub 2],

gevestigd dan wel wonend te Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Oost Gelre,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2009, nr. 12, heeft de raad het bestemmingsplan "Resort Lievelde" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2009, beroep ingesteld. [appellante sub1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 6 juli 2009 en [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 13 juli 2009

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2010, waar [appellante sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. E.F.J.A.M. de Wit, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. B. ten Have en A. Dieker, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in uitbreiding van het bestaande recreatiepark 'Resort Lievelde' gelegen aan de Koemaatsdijk in Lichtenvoorde. Daarbij wordt de bouw van maximaal 141 chalets mogelijk gemaakt. Voorts maakt het plan onder andere de aanleg van een zwembad, winkel- en horecavoorzieningen en groenvoorzieningen mogelijk.

Het beroep van [appellante sub 1] en anderen

2.2. [appellante sub 1] en anderen betogen dat in het plan ten onrechte een maximale oppervlaktemaat van 55 m2 geldt voor een aantal bestaande chalets op het recreatiepark die deze oppervlaktemaat overschrijden. De maximale oppervlaktemaat van 55 m2 is een arbitraire oppervlaktemaat die volgens hen niet is onderbouwd met ruimtelijke motieven. Voor de desbetreffende chalets zou dan ook een oppervlaktemaat van minimaal 70 m2 moeten gelden. Daarnaast betogen [appellante sub 1] en anderen dat de chalets onder het overgangsrecht vallen.

2.3. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan rekening is gehouden met het geldende provinciale beleid omtrent recreatiewoningen. Voorts is op 19 juli 2005 een besluit tot last onder bestuursdwang genomen inzake alle op het recreatiepark aanwezige chalets, omdat deze zonder bouwvergunning zijn opgericht. Omdat deze bouwwerken niet onder de bescherming van het bouwovergangsrecht vallen en deze daarnaast in strijd zijn met het gemeentelijke beleid ter zake, is meewerken aan legalisatie van chalets groter dan 55 m2 niet aan de orde, aldus de raad.

In het verweerschrift wijst de raad nog op de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2009 in zaak nr. 200900870/1/H1, waarbij het hoger beroep inzake eerdergenoemde last onder bestuursdwang ongegrond is verklaard. Desgevraagd heeft de raad ter zitting meegedeeld dat zodra het voorliggende plan onherroepelijk is, handhavend opgetreden zal worden tegen de reeds gebouwde chalets voor zover die groter zijn dan de maximaal toegestane oppervlaktemaat van 55 m2.

2.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 39" was het grootste gedeelte van het plangebied bestemd voor verblijfsrecreatie, maar dat plan stond de oprichting van chalets niet toe. Niet in geschil is dat voor de desbetreffende chalets geen bouwvergunningen zijn verleend. Anders dan [appellante sub 1] en anderen betogen, vallen de reeds opgerichte chalets niet onder het bouwovergangsrecht van artikel 14.1.3. van de planregels van het voorliggende plan, aangezien deze illegaal zijn opgericht onder het regime van het voorheen geldende bestemmingsplan.

Blijkens de plantoelichting is de maximale oppervlaktemaat van 55 m2 voor de chalets, die is opgenomen in artikel 5.2.1., onder c., van de planregels, gebaseerd op het gemeentelijke kampeerbeleid dat is vastgesteld op 29 januari 2008. In dit beleid wordt - kort gezegd - een chalet gedefinieerd als een bouwwerk dat bedoeld is voor recreatief dag- en/of nachtverblijf en geen grotere oppervlakte heeft dan 55 m2. Met dit gemeentelijke kampeerbeleid wordt aangesloten bij het provinciale beleid omtrent recreatiewoningen, waarin is opgenomen dat dit beleid niet geldt voor kampeermiddelen - zoals chalets - met een maximale oppervlakte van 55 m2. Het hanteren van een maximale oppervlaktemaat is erop gericht om permanente bewoning van recreatiewoningen tegen te gaan.

[appellante sub 1] en anderen hebben niet onderbouwd waarom een oppervlaktemaat van 70 m2 voor de chalets vanuit een ruimtelijk oogpunt meer in de rede zou liggen. Voorts bestaat in hetgeen zij hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de omvang van de chalets niet in redelijkheid bij de maximale oppervlaktemaat van het gemeentelijke en provinciale beleid heeft kunnen aansluiten. Hierbij is van belang dat het besluit inzake de last onder bestuursdwang in stand is gebleven en het gemeentebestuur ook voornemens is om op korte termijn handhavend op te treden tegen de chalets die in strijd zijn met het plan.

2.5. In hetgeen [appellante sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.6. [appellant sub 2] exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [locatie] op een afstand van ongeveer 300 meter van het plangebied. Hij betoogt dat de bouw van een recreatiepark in de nabijheid van zijn bedrijf een bedreiging vormt voor zijn bedrijfsvoering. Daarnaast is het recreatiepark onvoldoende ruimtelijke ingepast, doordat de voorziene beplanting onder de maat is. Ook zijn de diverse voorziene waterpartijen een broeinest voor een muggensoort, de zogenoemde 'knutten', die het blauwtong-virus verspreiden. Verder betoogt [appellant sub 2] dat onvoldoende aandacht is besteed aan de verwerking van het afvalwater van het recreatiepark. Ook is het effect van de gewijzigde verkeerssituatie ten gevolge van het plan onvoldoende bij de besluitvorming betrokken. Verder betoogt [appellant sub 2] dat de economische haalbaarheid van het plan onvoldoende is gewaarborgd. Ten slotte betoogt [appellant sub 2] dat er alternatieven bestaan voor het plan.

2.7. De raad stelt zich op het standpunt dat de voorgestane ontwikkeling passend is op de beoogde locatie en dat voldoende aandacht is besteed aan de ruimtelijke inpassing van het recreatiepark in de omgeving. De eventuele verspreiding van virussen is volgens de raad een kwestie van het goed beheren van de voorziene waterpartijen. Dit is een aspect, dat niet in een bestemmingsplan kan worden geregeld. Overigens zijn de zogenoemde knutten niet waargenomen bij de vele poelen en plassen die momenteel in het buitengebied worden aangelegd, aldus de raad. Aan de afvoer van afvalwater is aandacht besteed in de waterparagraaf van de plantoelichting, waarmee het waterschap heeft ingestemd en vormt geen belemmering voor de realisering van het plan.

2.8. Ten aanzien van de gestelde negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 2], constateert de Afdeling dat zijn bedrijf een melkveehouderij betreft en voorts dat de chalets buiten de bebouwde kom van Lichtenvoorde liggen. Blijkens bijlage 1 behorende bij de Regeling geurhinder en veehouderij is voor melkkoeien geen geuremmissiefactor vastgesteld, zodat ingevolge artikel 4, eerste lid, onder b, van Wet geurhinder en veehouderij een afstand van ten minste 50 meter moet worden aangehouden tussen zijn veehouderij en geurgevoelige bestemmingen. De in het plan voorziene chalets zijn op een afstand van 300 meter of meer van het bedrijf van [appellant sub 2] gelegen. Derhalve valt niet in te zien dat het plan leidt tot een beperking van de bedrijfsvoering van [appellant sub 2].

2.9. Met betrekking tot de ruimtelijke inpassing is in de plantoelichting vermeld dat in het plangebied zich oude boomgroepen en beplantingen bevinden. Met deze historische beplanting wordt rekening gehouden door deze beplanting langs het voormalige ontsluitingspad en de voormalige boerderij te handhaven. Verder zal rondom het totale verblijfsterrein onder andere worden voorzien in een beplantingsstrook met opgaande bomen en dichte onderbeplanting. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene beplanting onvoldoende zal zijn.

Wat betreft de gestelde overlast door een steekmuggensoort, de zogenoemde knutten, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat eventuele overlast door deze muggensoort een kwestie is van het treffen van inrichtings- en beheermaatregelen met betrekking tot de waterpartijen, welke niet in een bestemmingsplan kunnen worden geregeld.

2.10. Aan de verwerking van het afvalwater dat afkomstig is van het recreatiepark is aandacht besteed in de watertoets die is opgenomen in de plantoelichting. Hierin is vermeld dat het vuile water van het recreatiepark zal worden verzameld en afgevoerd in een zogeheten droogweerafvoer (DWA) dat gebruik maakt van een vrij verval riool. Dit riool komt uit in een verzamelput en wordt vervolgens weggepompt naar het gemeentelijke riool dat zich bevindt aan de Boschlaan. Nu [appellant sub 2] zijn betoog niet nader heeft onderbouwd, valt niet in te zien dat aan de afvoer van het afvalwater onvoldoende aandacht is besteed in het plan.

2.11. Ten aanzien van de gewijzigde verkeerssituatie als gevolg van dit plan, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting een beschrijving wordt gegeven van de wijze van ontsluiting, de ontsluitingsroutes, de parkeergelegenheid op het recreatiepark, de verkeersveiligheid, de verwachte toename van verkeersbewegingen en het verkeerslawaai. Nu [appellant sub 2] zijn betoog niet heeft onderbouwd kan, gelet op het voorgaande, niet gesteld worden dat aan de nieuwe verkeerssituatie als gevolg van het plan onvoldoende aandacht is besteed.

2.12. Wat betreft de economische uitvoerbaarheid van het plan is in de plantoelichting vermeld dat de initiatiefnemer met de gemeente een exploitatieovereenkomst en een planschadeovereenkomst heeft gesloten. Nu [appellant sub 2] niet heeft onderbouwd waarom het plan in economisch opzicht niet uitvoerbaar zou zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de economische uitvoerbaarheid te twijfelen.

2.13. Met betrekking tot het bestaan van alternatieven, overweegt de Afdeling dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van mogelijke alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Nu [appellant sub 2] niet inzichtelijk heeft gemaakt dat alternatieven bestaan voor het voorliggende plan, faalt dit betoog reeds hierom.

2.14. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

12-571.