Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1930

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
201001152/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2007 heeft de staatssecretaris een verzoek van de stichting om schadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/329 met annotatie van B.P.M. van Ravels
JB 2010/204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001152/1/H2.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) van 30 december 2009 in zaak nr. 08/1378 in het geding tussen:

de stichting Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf (hierna: de stichting)

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2007 heeft de staatssecretaris een verzoek van de stichting om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 4 april 2008 heeft de staatssecretaris het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 april 2008 vernietigd, het besluit van 9 augustus 2007 herroepen en bepaald dat de staatssecretaris aan de stichting schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente moet betalen over de periode van 5 oktober 2006 tot 13 maart 2007 over het bedrag van € 1.078.001,40 en over de periode van 14 november 2006 tot 13 maart 2007 over het bedrag van € 718.667,60. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2010, hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2010, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A. Moesker, werkzaam op het ministerie, en de stichting, vertegenwoordigd door mr. H.B.G. Aarninkhof, advocaat te Utrecht, en M.K. Coolsma, werkzaam bij de stichting, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Subsidieregeling ESF-3 worden aan de begunstigde, op diens verzoek, voorschotten op de projectsubsidie uitbetaald.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, zullen voorschotbetalingen als volgt worden gedaan:

a. een eerste voorschot, ten bedrage van 30% van het maximaal toegekende subsidiebedrag, wordt direct uitbetaald nadat van de begunstigde bericht is ontvangen dat de uitvoering van het project waarvoor de subsidie werd toegekend is aangevangen;

b. verdere voorschotten, waarbij het eerste voorschot wordt aangevuld tot ten hoogste 80% van het maximaal verleende subsidiebedrag, kunnen op verzoek worden verstrekt, voor zover door middel van tussentijdse rapportages is aangetoond dat verdere bevoorschotting noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 10, derde lid, kan de minister, alvorens een voorschot, als bedoeld in het tweede lid onder b, te verlenen, van de aanvrager verlangen dat de tussentijdse rapportage wordt voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een dergelijk voorschot wordt niet verleend indien de realisatie van het project achterblijft bij de ramingen, als vervat in de bij de subsidie-aanvraag gevoegde projectbeschrijving, of wanneer er twijfel is aan een correcte uitvoering van het project.

2.2. Bij besluit van 28 april 2006 heeft de staatssecretaris op grond van de Subsidieregeling aan de stichting een subsidie verleend voor een scholingsproject.

Op 22 augustus 2006 heeft de stichting een eerste tussentijdse rapportage inclusief een accountantsverklaring ingediend, waarin zij heeft verzocht om verlening van een voorschot.

Bij besluit van 8 maart 2007 heeft de staatssecretaris aan haar een voorschot van € 1.796.669,00 toegekend.

Op 13 maart 2007 heeft de stichting dit bedrag ontvangen, waarna dit bedrag op 19 maart 2007 op de rekening van de uitvoerder van het project is bijgeschreven.

2.3. De stichting stelt schade te hebben geleden door het te laat beslissen op haar verzoek tot toekenning van een voorschot van 50% op een toegekende subsidie voor het project. Zij heeft de staatssecretaris verzocht de gederfde rente toe te kennen over de periode van 5 oktober 2006 tot 19 maart 2007, omdat zij in die periode het project heeft moeten voorfinancieren.

2.4. De staatssecretaris heeft bij besluit van 4 april 2008 het verzoek om vergoeding van de gestelde schade afgewezen en daartoe aangevoerd dat, nu het besluit van 8 maart 2007 formele rechtskracht heeft gekregen, daarmee de grondslag voor vergoeding van schade is komen te vervallen.

2.5. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat tot de rechtsgevolgen die voortvloeien uit het besluit van 8 maart 2007 niet kan worden gerekend een (als het ware geïmpliceerde) (on)tijdigheid, waartegen zelfstandig met rechtsmiddelen zou kunnen worden opgekomen. Dit heeft tot gevolg dat de formele rechtskracht van dat besluit zich niet uitstrekt tot de (on)tijdigheid van een besluit.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de staatssecretaris is gehouden tot een vergoeding van de wettelijke rente overeenkomstig artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Subsidieregeling had 30% van het maximaal toegekende bedrag direct na ontvangst van het verzoek moeten worden betaald en was de staatssecretaris dan ook direct wettelijke rente verschuldigd. De staatssecretaris was derhalve de wettelijke rente vanaf de gevorderde datum, 5 oktober 2006, schuldig. Ten aanzien van de resterende 20% van de toegekende subsidie heeft de rechtbank 14 november 2006 als ingangsdatum voor de periode waarover de wettelijke rente verschuldigd is, gehanteerd. In beide gevallen is de wettelijke rente verschuldigd tot 13 maart 2007, omdat de staatssecretaris toen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Vanuit het oogpunt van finale geschillenbeslechting heeft de rechtbank na vernietiging van het besluit van 8 maart 2007 zelf in de zaak voorzien en bepaald dat de staatssecretaris aan de stichting schadevergoeding in de vorm van de als dus berekende wettelijke rente moet betalen.

2.6. De staatssecretaris betoogt in hoger beroep dat het vaste jurisprudentie is dat voor toewijzing van een verzoek om vergoeding van schade wegens het niet tijdig beslissen van een besluit het niet meer vereist is dat tegen niet tijdig beslissen op grond van artikel 6:2, sub b, van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar en beroep moet zijn ingesteld. Uit deze jurisprudentie volgt volgens de staatssecretaris evenwel niet dat, indien eenmaal een reëel besluit is genomen, om voor vergoeding van schade wegens het niet tijdig nemen van dat besluit in aanmerking te komen het evenmin noodzakelijk zou zijn door het instellen van bezwaar of beroep tegen het reële besluit de onrechtmatigheid ervan te laten vast stellen. De rechtbank heeft volgens hem miskend dat, nu van de rechtmatigheid van het besluit van 8 maart 2007 moet worden uitgegaan, de vermeende onrechtmatigheid ervan niet alsnog in een procedure over het zuiver schadebesluit kan worden vastgesteld. Aangezien de rechtmatigheid van het besluit van 8 maart 2007 vaststaat, is er derhalve geen grond voor vergoeding van schade als gevolg van het niet tijdig nemen van dat besluit, aldus de staatssecretaris.

2.7. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2001, in zaak nr. 200004709/1 (LJN: AE8221), volgt dat uit de enkele omstandigheid dat door een belanghebbende tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvraag geen bezwaar en beroep is ingesteld, niet de conclusie kan worden getrokken dat een bestuursorgaan niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die uit het niet tijdig nemen van een besluit kan voortvloeien.

Dat de stichting geen bezwaar en beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van het besluit op aanvraag, betekent niet dat in een procedure tegen een zuiver schadebesluit van de rechtmatigheid van het niet tijdig beslissen moet worden uitgegaan. Anders dan de staatssecretaris betoogt, was de stichting evenmin gehouden bezwaar te maken tegen het besluit van 8 maart 2007, waarbij de staatssecretaris haar het voorschot heeft verleend waarom zij had verzocht, ten einde de onrechtmatigheid van het niet tijdig nemen van dat besluit aan de orde te stellen. Dat de staatssecretaris het voorschot te laat heeft verstrekt, kan niet aan de rechtmatigheid van de verstrekking van het voorschot af doen. De door de stichting gestelde schade is ook niet het gevolg van het besluit van 8 maart 2007, maar van het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om een voorschot.

Dat de Centrale Raad van Beroep blijkens zijn uitspraak van 19 juli 2001 (LJN: AD5746) het mogelijk acht dat het onrechtmatige karakter van de wijze waarop een reëel besluit tot stand is gekomen in de procedure tegen dat besluit aan de orde wordt gesteld, betekent, anders dan de staatssecretaris betoogt, niet dat het eventuele niet tijdig beslissen voor rechtmatig moet worden gehouden in die gevallen waarin geen bezwaar of beroep is ingesteld tegen het reële besluit.

Anders dan de staatssecretaris betoogt, is er geen sprake van strijd met het beginsel van rechtszekerheid, indien de onrechtmatigheid van het niet tijdig beslissen in een procedure tegen een zuiver schadebesluit aan de orde wordt gesteld. De rechtsgevolgen van het reële besluit blijven immers in stand.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat in dit geval bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding niet moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het niet tijdig beslissen op de aanvraag.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een griffierecht van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

299.