Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1924

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200909468/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van een supermarkt op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909468/1/H1.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Franekeradeel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 29 oktober 2009 in zaak nr. 08/2802 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van een supermarkt op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 30 oktober 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2010, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. D. la Crois en mr. M. Barends, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een inpandige uitbreiding van de supermarkt op het perceel door middel van het verwijderen van de muur tussen de supermarkt en het in het pand tevens aanwezige taxibedrijf, waarna de oppervlakte van dit taxibedrijf aan de supermarkt wordt toegevoegd. Vast staat dat de uitbreiding van de supermarkt in strijd is met de ingevolge het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan krachtens artikel 11 W.R.O. Hamburgerrak" op het perceel rustende bestemming "Bedrijf" dat geen supermarkt toestaat. Het college heeft geweigerd vrijstelling te verlenen, nu de uitbreiding van de supermarkt in strijd is met het gemeentelijk vestigingsbeleid voor supermarkten (hierna: het supermarktbeleid), en heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat bij de verlening van vrijstelling en bouwvergunning in 1989 voor de bestaande supermarkt expliciet een beperking is opgenomen ten aanzien van de verkoopvloeroppervlakte van de supermarkt, teneinde het karakter van "buurtsuper" te behouden.

2.2. Het supermarktbeleid, neergelegd in het collegevoorstel van 16 oktober 2007 dat bij besluit van 1 november 2007 door de raad is overgenomen, heeft volgens het college als uitgangspunt dat vestiging van supermarkten is toegestaan indien de detailhandelsfunctie van de binnenstad wordt versterkt en, gelet daarop, enkel gewenst is daar waar een binding met de binnenstad bestaat. Volgens het college is het bouwplan in strijd met het supermarktbeleid nu het perceel niet een locatie met een dergelijke binding betreft. Ter zitting heeft het college toegelicht dat bestaande supermarkten buiten de binnenstad, zoals in het onderhavige geval, bij uitbreiding koopkracht zullen ontrekken aan de nieuwe supermarkten in de binnenstad.

2.3. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om vrijstelling te weigeren heeft kunnen komen.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen. Daartoe voert hij aan dat het college het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd door te verwijzen naar het supermarktbeleid, nu dit slechts ziet op nieuwe vestigingen en niet op uitbreidingen van bestaande supermarkten. Voorts zal, volgens [appellant] , zijn supermarkt niet meer exploitabel zijn, indien hij niet kan uitbreiden.

2.4.1. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 200907342/1/R3 heeft de Afdeling het tegen het besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Franeker - Westelijke Woongebieden" ingestelde beroep gegrond verklaard. Daartoe is, voor zover hier van belang, ten aanzien van het supermarktbeleid van de raad overwogen dat dit beleid uitsluitend ziet op de vestiging van nieuwe supermarkten. Nu het supermarktbeleid niet ziet op uitbreidingen van bestaande supermarkten kan de verwijzing hiernaar de weigering van de vrijstelling derhalve niet dragen. De omstandigheid dat bij de in 1989 verleende vrijstelling en bouwvergunning een beperking is gesteld ten aanzien van de maximale verkoopvloeroppervlakte is thans als zodanig niet van belang nu [appellant] juist zijn bedrijf wenst uit te breiden. Het college had een actuele planologische afweging dienen te maken. Het is evenwel niet gebleken dat het college in het kader van de belangenafweging, waarbij ook de gevolgen van de uitbreiding van de supermarkt voor de omgeving moeten worden betrokken, de belangen van [appellant] bij de uitbreiding van de supermarkt heeft afgewogen, hetgeen te meer klemt, nu niet valt in te zien dat met de door [appellant] gewenste uitbreiding, die naar ter zitting is toegelicht, met 80 m2 relatief gering is, het karakter van "buurtsuper" niet wordt behouden en het college de stelling van [appellant] dat de supermarkt, indien hij niet kan uitbreiden, niet meer exploitabel is, niet heeft betwist.

Het besluit op bezwaar van 30 oktober 2008 is in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.1.1. Het hoger beroep is gegrond. Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 30 oktober 2008, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen, nu dit ondeugdelijk is gemotiveerd. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van [appellant] te beslissen. Daarbij wordt opgemerkt dat dit nieuwe besluit, gelet op de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 200907342/1/R3, redelijkerwijs binnen vier maanden na verzending van deze uitspraak dient te worden genomen.

2.1.2. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

29 oktober 2009 in zaak nr. 08/2802;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel van 30 oktober 2008, kenmerk 08.33358;

V. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

163-580.