Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1920

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200908106/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] een persoonsgebonden vrijstelling te verlenen voor de permanente bewoning van haar recreatiewoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908106/1/H1.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], gemeente Rijssen-Holten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 7 oktober 2009 in zaak nr. 08/999 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] een persoonsgebonden vrijstelling te verlenen voor de permanente bewoning van haar recreatiewoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 september 2008 heeft de wethouder van Wonen en Ondernemen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 september 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 24 november 2009, 1 december 2009 en 29 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2010, waar het college, vertegenwoordigd door M. Dijkstra, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] gebruikt de recreatiewoning op het perceel in ieder geval vanaf 24 november 1998 voor permanente bewoning. Vaststaat dat dit gebruik in strijd is met de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden" die ingevolge het bestemmingsplan "Borkeld, herziening 1990" op het perceel rust.

2.2. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985), zoals dat van 1 juni 2007 tot 1 juli 2008 luidde, komt voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning ten behoeve van bewoning in aanmerking, mits:

1e. deze voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

2e. bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden;

3e. de aanvrager voor, maar in elk geval op 31 oktober 2003, de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont.

Ingevolge het vijfde lid wordt vrijstelling in elk geval geweigerd, indien verlening in strijd zou zijn met door de gemeente op 31 oktober 2003 ten aanzien van het gebruik van recreatiewoningen gevoerd handhavingsbeleid.

2.3. Het college heeft geweigerd vrijstelling voor het gebruik van de recreatiewoning op het perceel te verlenen, nu dit in strijd zou zijn met het door de gemeente ten aanzien van het gebruik van recreatiewoningen gevoerd handhavingsbeleid.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bevoegd was vrijstelling te verlenen, omdat op 31 maart 2003 geen handhavingsbeleid werd gevoerd, nu de beleidsregels niet waren vastgesteld en bekendgemaakt. [appellant] wijst er in dat kader voorts op dat lange tijd niet handhavend is opgetreden tegen het gebruik van de recreatiewoning en ook tussen het besluit van 7 maart 2008 en de bekrachtiging van 26 mei 2009 van het besluit op bezwaar van 8 september 2008 door het college niet handhavend is opgetreden. Hieruit blijkt volgens haar dat het college geen belang heeft bij het weigeren van de vrijstelling.

2.4.1. 'Gevoerd handhavingsbeleid' als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van het Bro 1985, is in elk geval beleid dat het gemeentebestuur heeft vastgesteld en kenbaar gemaakt met een visie op hoe het zijn beleid denkt te handhaven, in dat verband tevens een peildatum waarop het gaat handhaven heeft vastgesteld en kenbaar gemaakt, alsmede dat beleid daadwerkelijk uitvoert. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college op 31 oktober 2003 geen handhavingsbeleid in de vorm van een nota had vastgesteld en bekendgemaakt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 oktober 2009 in zaak nr. 200902288/1/H1), brengt artikel 20, vijfde lid, van het Bro 1985 niet met zich dat als op 31 oktober 2003 geen handhavingsbeleid als bedoeld in voornoemd artikel in de vorm van een nota was vastgesteld en bekendgemaakt de gevraagde vrijstelling moet worden verleend. Het college dient op grond van een afweging van de betrokken belangen, waarbij betekenis toekomt aan de ruimtelijke belangen, alsmede de belangen van [appellant] bij de verzochte vrijstelling, de weigering van de vrijstelling te motiveren. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het college onbevoegd was vrijstelling te verlenen en voor een belangenafweging geen plaats is. Dit leidt echter niet tot het door [appellant] beoogde doel.

Het college heeft aangevoerd dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Holten vanaf de vaststelling van het bestemmingsplan "De Borkeld, herziening 1990" op 27 juli 1993 een actief handhavingsbeleid heeft gevoerd tegen permanente bewoning van recreatiewoningen in het plangebied en dat het college dit, na de gemeentelijke herindeling waarbij de gemeente Holten is opgegaan in de gemeente Rijssen-Holten, heeft voortgezet. Het college heeft dit standpunt onder meer gestaafd met brieven die in het kader van de controle op illegale bewoning van recreatiewoningen aan bewoners van recreatiewoningen zijn verstuurd, brieven waarin aan personen die de recreatiewoningen permanent bewoonden is verzocht deze bewoning te beëindigen en waarin het voornemen is geuit handhavend op te treden, alsmede met handhavingsbesluiten en gerechtelijke uitspraken met betrekking tot handhavingsbesluiten. Daarmee heeft het college aannemelijk gemaakt dat het niet heeft berust in permanente bewoning en dat het steeds heeft uitgedragen dat bewoning van recreatiewoningen niet is toegestaan. Dat niet direct handhavend is opgetreden tegen [appellant] nadat zij zich in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: het GBA) had ingeschreven als wonend op het onderhavige adres, doet daar niet aan af. Daarbij heeft het college onweersproken gesteld dat [appellant] na de inschrijving in het GBA door de gemeente vrijwel direct op de hoogte is gesteld van de omstandigheid dat permanente bewoning van recreatiewoningen niet is toegestaan en dat aan haar bij besluit van 27 juni 2005 een last onder dwangsom is opgelegd.

Gelet op het vorenstaande heeft het college in redelijkheid kunnen weigeren vrijstelling te verlenen.

2.5. Vaststaat dat het besluit van 8 september 2008 onbevoegd en in strijd met artikel 10:3, eerste lid, in verbinding met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen. Het college heeft het besluit van 8 september 2008 echter bij besluit van 25 mei 2009 bekrachtigd.

2.6. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank, gelet op het onbevoegd genomen besluit op bezwaar, ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand heeft gelaten, faalt. De rechtbank heeft terecht in de brief van 25 mei 2009, strekkende tot bekrachtiging door het college van het besluit van 8 september 2008 en het geheel voor zijn rekening nemen daarvan, aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het besluit van 8 september 2008 in stand te laten, nu overigens geen grond voor vernietiging aanwezig was.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

163-580.