Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1917

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200909810/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2009 heeft het college aan Model Auto Club Heemstede (hierna: MACH) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het rijden met radiografisch bestuurde modelauto's gelegen aan de Cruquiusweg 45 te Heemstede. Dit besluit is op 5 november 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/4126
JOM 2012/961
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909810/1/M1.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te Heemstede,

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemstede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2009 heeft het college aan Model Auto Club Heemstede (hierna: MACH) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het rijden met radiografisch bestuurde modelauto's gelegen aan de Cruquiusweg 45 te Heemstede. Dit besluit is op 5 november 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2010, waar [appellanten], van wie [een van de appellanten] in persoon, en het college vertegenwoordigd door mr. M.J.P Kamp, advocaat te Amsterdam, J.A.M. Witteman en R.J. Boom, beiden werkzaam bij de Milieudienst IJmond, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] betogen dat het college ten onrechte niet is ingegaan op hun vragen over het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, het maximaal geluidniveau en de verrichtte geluidmetingen, die tijdens de hoorzitting op 16 september 2009 in het kader van de door hen naar voren gebrachte zienswijzen zijn gesteld.

2.1.1. In het bestreden besluit is het college in de reactie op de zienswijzen ingegaan op de door [appellanten] bedoelde vragen. De beroepsgrond mist dan ook feitelijke grondslag.

2.2. [appellanten] voeren tevens aan dat het verslag van de hoorzitting niet volledig is omdat hierin de door MACH gedane toezeggingen om de geluidoverlast te beperken, niet zijn vastgelegd. Door dit na te laten heeft het college volgens hen zijn taak niet zonder vooringenomenheid vervuld.

2.2.1. Volgens het college zijn geluidsopnames gemaakt van hetgeen tijdens de hoorzitting is besproken en vormt het verslag hiervan een exacte weergave. Nu het tegendeel niet aannemelijk is gemaakt, bestaat geen grond voor de conclusie dat het verslag onvolledig is en het college het in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vervatte verbod van vooringenomenheid heeft geschonden. Deze beroepsgrond faalt.

2.3. [appellanten] stellen door het naar voren brengen van zienswijzen in een nadeliger positie te zijn gebracht nu de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in vergunningvoorschrift 3.1.3 op de punten 1 en 2 zijn verhoogd van 46 dB(A) naar 50 dB(A).

2.3.1. De Awb staat er niet aan in de weg dat een ontwerpbesluit naar aanleiding van de naar voren gebrachte zienswijzen voor de indiener van deze zienswijzen niet in negatieve zin wordt gewijzigd. Gezien de wijze waarop de besluitvorming in een geval als dit tot stand komt, en het feit dat rechtens de positie van een justitiabele door het ontwerpbesluit nog niet wordt bepaald, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college onjuist heeft gehandeld bij het nemen van het onderhavige besluit na het ontwerpbesluit. Deze gang van zaken betekent niet dat [appellanten] zijn belemmerd in de mogelijkheid de hun ter beschikking staande rechtsmiddelen aan te wenden, en evenmin dat een verslechtering van de positie van [appellanten] optreedt.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.5. [appellanten] voeren aan dat de uitkomsten van het akoestisch onderzoek, waarop het college zich bij het nemen van het bestreden besluit heeft gebaseerd, niet overeenkomen met de beleving van de omwonenden van de inrichting. In dit verband betogen zij dat de voor de dagperiode gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ontoereikende bescherming bieden tegen geluidhinder, met name voor zover deze optreedt tijdens wedstrijden tussen 10:00 uur en 17:00 uur. Door het stellen van een geluidgrenswaarde voor de gehele dagperiode heeft het college er onvoldoende rekening mee gehouden dat de wedstrijden slechts een deel van de dagperiode plaatsvinden, aldus [appellanten].

2.5.1. Het college stelt zich, kort weergegeven, op het standpunt dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Dat deze geluidgrenswaarden niet overeenkomen met de geluidbeleving tijdens de wedstrijden hangt volgens het college samen met de aard van de geluidgrenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, die een gemiddelde waarde betreft van alle fluctuaties van het geluid over een periode van 07.00 tot 19.00 uur (de dagperiode). Nu de wedstrijden zich beperken tot een periode van 10.00 tot 17.00 uur, worden de tijdens de wedstrijden optredende geluidniveaus uitgemiddeld over de dagperiode. Deze geluidniveaus mogen dan ook hoger zijn dan de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau zolang deze grenswaarde niet wordt overschreden, aldus het college.

2.5.2. Ingevolge vergunningvoorschrift 3.1.1 moeten de uitgangspunten in het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport worden nageleefd.

Ingevolge vergunningvoorschrift 3.1.2 is het gebruik van het circuit met brandstof aangedreven modelauto’s alleen toegestaan tussen 10:00 uur tot 17:00 uur.

Ingevolge vergunningvoorschrift 3.1.3 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau afkomstig van de inrichting op de locaties punt 1 en punt 2 op een hoogte van 2 meter, in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperioden de waarden 50 dB(A), 30 dB(A) en 30 dB(A) niet overschrijden en op locatie punt 7 de waarden 49 dB(A), 40 dB(A) en 40 dB(A) niet overschrijden.

Ingevolge vergunningvoorschrift 3.1.6 is het gebruik van de in de buitenlucht opgestelde geluidsinstallatie uitsluitend toegestaan voor het doen van mededelingen tijdens wedstrijden in de dagperiode tussen 07:00 uur en 19:00 uur. De door deze installatie veroorzaakte geluidniveaus van piekgeluiden, mogen op de in voorschrift 3.1.1 genoemde punten 1 en 2 een waarde van 65 dB(A) niet overschrijden.

Ingevolge vergunningvoorschrift 3.1.10 moet tijdens het gebruik van het circuit direct naast de baan een geluidwerend scherm van 1 meter hoogte aanwezig zijn.

2.5.3. Bij de beoordeling van de geluidbelasting ten gevolge van de inrichting heeft het college hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 van de Handreiking is vermeld dat bij het vaststellen van de geluidgrenswaarden voor een bestaande inrichting bij herziening van vergunningen de richtwaarden van tabel 4 uit dat hoofdstuk steeds opnieuw worden getoetst. Deze richtwaarden zijn afhankelijk van de aard van de woonomgeving zoals die in tabel 4 zijn weergegeven. Het college heeft bij het stellen van de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau aansluiting gezocht bij de typering woonwijk in de stad, waarvoor richtwaarden gelden van 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor de geluidgrenswaarden in de dagperiode voor de beoordelingspunten 1 en 2 heeft het college een straffactor voor tonaal geluid in meerdering gebracht.

In het bij de aanvraag gevoegde akoestische rapport van 23 april 2009, dat door adviesbureau Tauw B.V. is opgesteld (hierna: het akoestische rapport) is, voor zover hier van belang, het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bepaald ter plaatse van de in voorschrift 3.1.3 vermelde beoordelingspunten. De gestelde geluidgrenswaarden voor de dagperiode komen, wat betreft de beoordelingspunten 1 en 2 na vermindering met een straffactor van 4 dB(A) vanwege het tonaal karakter van het geluid dat door de met brandstof aangedreven modelauto's wordt veroorzaakt, overeen met de in het akoestisch rapport berekende geluidgrenswaarden. Nu de gestelde geluidgrenswaarden de in de Handreiking vermelde richtwaarde voor de dagperiode niet overschrijden, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde grenswaarden in zoverre toereikend zijn.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellanten] betogen dat onvoldoende geluidreducerende maatregelen zijn getroffen.

2.6.1. Ter beperking van de geluidbelasting is aan de zuidzijde van het circuit een tribune met een vier meter hoog geluidscherm gebouwd en is aan de oostzijde van het circuit een zes meter hoge grondwal opgericht. Tevens wordt direct naast de racebaan een geluidscherm met een hoogte van één meter geplaatst en is het rijden met door brandstof aangedreven modelauto's beperkt tot de dagperiode van 10.00 uur tot 17.00 uur. In hetgeen [appellanten] betogen is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat redelijkerwijs geen verdere geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. Voor zover [appellanten] betogen dat het college had moeten aansluiten bij de geluidgrenswaarden die zijn gesteld in de milieuvergunning van een nabijgelegen transformatorstation, overweegt de Afdeling dat de inrichting van MACH en het transformatorstation in akoestisch opzicht dermate van elkaar verschillen, dat niet gesproken kan worden van gelijke gevallen die gelijk behandeld moeten worden.

Ook deze beroepsgrond faalt.

2.8. Het betoog van [appellanten] dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de lagere geluidgrenswaarden van de eerder verleende milieuvergunning faalt eveneens. Het college is gehouden op de grondslag van de door MACH ingediende aanvraag te beoordelen of voor de aangevraagde activiteiten vergunning kan worden verleend. Voorschriften die zijn verbonden aan eerder verleende milieuvergunningen spelen hierbij geen rol.

2.9. [appellanten] betogen dat ten onrechte geen beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van het gebruik van de geluidinstallatie tijdens wedstrijden en het racen met verbrandingsmotoren.

2.9.1. Gelet op het bepaalde in de vergunningvoorschriften 3.1.2 en 3.1.6 mist deze beroepsgrond feitelijke grondslag.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. de Hek, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. De Hek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

542-590.