Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1913

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200907150/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Montferland aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer verleend voor een mestverwerkingsinstallatie aan de [locatie A] te [plaats]. Dit besluit is op 5 augustus 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Besluit mestbassins milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/753
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907150/1/M2.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Montferland,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Montferland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Montferland aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer verleend voor een mestverwerkingsinstallatie aan de [locatie A] te [plaats]. Dit besluit is op 5 augustus 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2010, waar [appellant], bijgestaan door drs. M.J.M. Kock, en het college, vertegenwoordigd door J.B.T. Polman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is een vergunning verleend voor het uitbreiden van een inrichting voor het houden van vleesvarkens met een mestverwerkingsinstallatie, bestaande uit een mestscheider, bezinktank, bufferopslag en helofytenfilter.

2.2. [appellant] vreest een toename van geurhinder als gevolg van de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Hiertoe voert hij aan dat het college bij de beoordeling van geurhinder tengevolge van het in werking zijn van de mestverwerkingsinstallatie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de reeds bestaande geurbelasting vanwege de inrichting.

Tevens voert [appellant] aan dat in het bestreden besluit van een onjuiste afstand van de inrichting tot aan zijn woning aan de [locatie B] en de woning aan de [locatie C] is uitgegaan. Deze woningen zijn volgens [appellant] niet op een afstand van 390 en 360 meter van de inrichting gelegen, maar op een afstand van onderscheidenlijk 272 en 232 meter.

2.3. Het college betoogt dat de reeds aanwezige geurbelasting vanwege het in werking zijn van de inrichting thans niet ter zake doet. De eerder verleende revisievergunning van 11 maart 2008 staat als zodanig niet ter discussie, aangezien het nu gaat om uitbreiding van de inrichting met een mestverwerkingsinstallatie. Voorts heeft het college in het bestreden besluit voor de beoordeling van geurhinder van de mogelijk geurveroorzakende onderdelen van de mestverwerkingsinstallatie - de mestscheider en de bezinktank - onder meer aansluiting gezocht bij het Besluit mestbassins milieubeheer (hierna: het Besluit mestbassins). Hierbij acht het college mede van belang dat de bezinktank qua omvang en werking niet zozeer verschilt van een mestbassin. Het college wijst erop dat ingevolge het Besluit mestbassins op een afstand van minimaal 100 meter tot aan een woning van derden zonder vergunning een mestbassin mag worden opgericht. Aangezien voor zowel de woning van [appellant] als de woning aan de [locatie C] wordt voldaan aan deze afstand van 100 meter, nu de woningen op een afstand van onderscheidenlijk 390 en 360 meter van de mestscheider en de bezinktank zijn gelegen, hoeft aldaar tengevolge van het in werking zijn van deze onderdelen geen onaanvaardbare geurhinder te worden verwacht.

2.4. Ingevolge artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de vergunning in ieder geval geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge het tweede en derde lid moet de vergunning worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.5. Wat betreft de stelling van [appellant] dat als gevolg van de bij het bestreden besluit verleende vergunning een toename van geurhinder zal ontstaan, overweegt de Afdeling het volgende.

Voor zover [appellant] aanvoert dat de bestaande geurbelasting vanwege het in werking zijn van de inrichting ten onrechte niet is meegenomen bij de beoordeling van geurhinder, geldt dat de reeds vergunde situatie niet kan worden betrokken bij de huidige beoordeling. Het bestreden besluit heeft alleen betrekking op de uitbreiding van de inrichting met een mestverwerkingsinstallatie, zodat het college terecht alleen de daardoor te verwachten geurhinder heeft beoordeeld.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Voor zover [appellant] aanvoert dat de geurhinder toeneemt tengevolge van het in werking zijn van de mestverwerkingsinstallatie, overweegt de Afdeling het volgende.

Gelet op het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat van de mestverwerkingsinstallatie alleen de mestscheider en de bezinktank mogelijk geur kunnen verspreiden. Blijkens de tekening behorende bij de aanvraag zijn deze onderdelen gelegen achter de reeds bij besluit van 11 maart 2008 vergunde varkensstal. Gelet op het bestreden besluit is het college uitgegaan van een afstand van onderscheidenlijk 390 en 360 meter van de mestscheider en de procestank tot aan de woning van [appellant] en de woning aan de [locatie C]. Het college is bij de beoordeling van geurhinder terecht van deze afstanden uitgegaan. De door [appellant] genoemde afstanden zijn in zoverre niet bepalend, nu deze blijkens de door hem bijgevoegde satellietfoto geen betrekking hebben op de afstanden tot aan de mestscheider en de procestank.

Wat de geuremissie van de bezinktank betreft, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de tekening en de procesbeschrijving bij de aanvraag blijkt dat de bezinktank, waar onder meer de beluchting van dunne mest plaatsvindt, geheel is afgesloten, waarmee de geuremissie wordt beperkt. Ter zitting heeft [vergunninghouder] bevestigd dat het gaat om een afgesloten mestsilo. Het college staat op het standpunt dat de bezinktank in essentie niet verschilt van een mestbassin waarop het Besluit mestbassins van toepassing is, en dat het voor dergelijke bassins ter beperking van geurhinder in alle gevallen voldoende is om een afstand van maximaal 100 meter tot geurgevoelige objecten aan te houden. Nu in dit geval sprake is van een afstand van 360 meter tot het dichtstbijzijnde geurgevoelige object, is er volgens het college geen aanleiding om aan te nemen dat de bezinktank onaanvaardbare geurhinder zal veroorzaken.

Het beroep geeft de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich, gelet op de hem toekomende beoordelingsvrijheid, niet op dit standpunt mocht stellen.

Wat de geuremissie van de mestscheider betreft, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens het verhandelde ter zitting wordt in de mestscheider de dikke en dunne mest van elkaar gescheiden. De dunne fractie wordt vervolgens naar de bezinktank geleid. De mestscheider is - zoals het college ter zitting heeft opgemerkt - niet gesloten, zodat op zichzelf enige geur kan vrijkomen bij het in werking zijn van de mestscheider. Gelet op de grote afstand van de mestscheider tot de omliggende woningen, acht de Afdeling echter niet aannemelijk dat deze geuremissie tot een zodanig grote geurbelasting bij die woningen leidt, dat het college de vergunning om die reden had moeten weigeren.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

375-648.