Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1904

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
201000160/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2009 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning gelegen aan de [locatie] te Enschede onmiddellijk te verlaten en deze woning vanaf die datum tot 26 april 2009 niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden, en hem verboden gedurende deze periode contact op te nemen met de in het besluit genoemde personen die met hem in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000160/1/H3.

Datum uitspraak: 21 juli 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Enschede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 24 november 2009 in de zaken nrs. 102682/FA RK 09-602 en 104479/FA RK 09-957 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Enschede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2009 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning gelegen aan de [locatie] te Enschede onmiddellijk te verlaten en deze woning vanaf die datum tot 26 april 2009 niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden, en hem verboden gedurende deze periode contact op te nemen met de in het besluit genoemde personen die met hem in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Bij besluit van 15 mei 2009 heeft de burgemeester [appellant] eenzelfde huisverbod voor dezelfde woning opgelegd vanaf die datum tot 25 mei 2009.

Bij uitspraak van 24 november 2009, verzonden op 25 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de besluiten van 16 april 2009 en 15 mei 2009 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2010, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C. Verrillo, advocaat te Oldenzaal, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. P. Hamer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard wegens verlies van procesbelang. Het resultaat dat [appellant] nastreeft, te weten vernietiging van de bestreden besluiten, kan hem naar het oordeel van de rechtbank niet meer baten, omdat beide opgelegde huisverboden reeds zijn geëindigd. De rechtbank heeft onderkend dat het niet reëel is te verwachten dat op een beroep tegen een huisverbod vóór de afloop van de termijn waarvoor dit is toegekend wordt beslist, maar heeft erop gewezen dat de wetgever in verband hiermee in de Wet tijdelijk huisverbod heeft voorzien in de mogelijkheid om op zeer korte termijn een uitspraak in een voorlopigevoorzieningprocedure te verkrijgen. Daarmee wordt de belanghebbende een effectief rechtsmiddel geboden om de voortduring van de tenuitvoerlegging van het huisverbod te beletten. De memorie van toelichting bij artikel 6 van de Wth vermeldt in dit verband ook dat het veelal de voorkeur zal hebben dat de voorzieningenrechter van de mogelijkheid gebruik maakt om de bodemzaak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht af te doen. Het belang van [appellant] zal naar het oordeel van de rechtbank vooral zijn gelegen in het verkrijgen van een schadevergoeding. [appellant] heeft echter geen schadevergoeding gevorderd, zodat uit dien hoofde geen aanleiding bestaat om de rechtmatigheid van de bestreden besluiten te beoordelen. Ook in de vrees van [appellant] dat de aan hem opgelegde huisverboden gevolgen kunnen hebben in toekomstige procedures bij de kinderrechter heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de rechtmatigheid van de besluiten te beoordelen. Daarbij heeft zij voorop gesteld dat het besluit tot het opleggen van een huisverbod niet punitief van aard is, maar kan worden opgelegd teneinde de veiligheid van personen met wie een huishouding wordt gedeeld te waarborgen en een periode te creëren waarin maatregelen kunnen worden genomen om de dreiging van huiselijk geweld te doen wegnemen. Voorts kennen de procedures bij de kinderrechter een eigen regeling en dient Bureau Jeugdzorg een eigen onderzoek te doen naar de in het kader van de jeugdhulpverlening relevante feiten en omstandigheden.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in de memorie van toelichting bij de Wth, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, niet limitatief is voorgeschreven dat in de situatie dat een huisverbod reeds is geëindigd het resterende belang uitsluitend betrekking kan hebben op mogelijke schadevergoeding. Er is volgens [appellant] ook ruimte voor andere belangen, zoals de toetsing van de juiste totstandkoming van de besluiten en het gebruik dat derden kunnen maken van de aan de uithuisgeplaatste opgelegde huisverboden. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen schadevergoeding heeft gevorderd, zodat uit dien hoofde geen aanleiding bestaat om de rechtmatigheid van de besluiten te toetsen. Omdat [appellant] zich beraadt om in een civiele procedure schadevergoeding te vorderen bij de gemeente, heeft hij een op zichzelf staand algemeen belang dat vast komt te staan of de wettelijke instrumenten juist zijn gehanteerd.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 mei 2010 in zaak nr. 200907721/1/H3, heeft een persoon aan wie een tijdelijk huisverbod is opgelegd dat is geëindigd ten tijde van de toetsing daarvan door de rechter, nog een rechtens te beschermen belang bij beoordeling van de rechtmatigheid van dit besluit. Daarbij is redengevend dat een huisverbod, gelet op de gronden waarop dit wordt opgelegd, een publiekelijke afwijzing van het gedrag van betrokkene impliceert. Gelet hierop is tot op zekere hoogte aannemelijk dat iemand aan wie een huisverbod is opgelegd, als gevolg daarvan in zijn eer en goede naam is geschaad. De Afdeling ziet in hetgeen de burgemeester in reactie op deze uitspraak ter zitting naar voren heeft gebracht geen aanleiding hierover thans anders te oordelen. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling derhalve van oordeel dat [appellant] belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen de opgelegde huisverboden. De rechtbank heeft zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding het door [appellant] ingestelde beroep zelf te behandelen.

2.4. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) wordt in deze wet onder huisverbod verstaan: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod (hierna: het Besluit) betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Ingevolge het tweede lid hebben de in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge het derde lid worden onder de feiten en omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder a, mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van de afweging, bedoeld in het eerste lid.

2.5. De burgemeester heeft aan de besluiten van 16 april 2009 en 15 mei 2009 ten grondslag gelegd dat een ernstig vermoeden bestaat dat de aanwezigheid van [appellant] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van zijn echtgenote en de drie kinderen.

Het besluit van 16 april 2009 is gevolgd op een incident met de oudste dochter, die zich onder doktersbehandeling heeft moeten laten stellen. Toen de dochter dit heeft gemeld bij de politie heeft [appellant] gedreigd haar uit huis te zetten. De burgemeester heeft er in zijn besluit van 16 april 2009 op gewezen dat [appellant] in een proeftijd zit in verband met eerder door hem gepleegd huiselijk geweld en dat er ook oudere antecedenten, onder meer inzake huiselijk geweld, bekend zijn. Het belang van de achterblijvers weegt volgens de burgemeester zwaarder dan het belang van woongenot voor [appellant]. Omdat de spanningen verder opliepen en sprake was van verbaal geweld en dreiging met fysiek geweld heeft de burgemeester op 15 mei 2009 opnieuw een huisverbod opgelegd. De veiligheid van de oudste dochter weegt volgens de burgemeester zwaarder dan het ongestoord woongenot en het contact met de partner van de uithuisgeplaatste en zijn kinderen.

2.6. [appellant] heeft met betrekking tot het op 16 april 2009 opgelegde huisverbod betoogd dat hij zijn echtgenote en oudste dochter geen geweld heeft aangedaan, althans dat de feiten en omstandigheden die een huisverbod rechtvaardigen zich niet hebben voorgedaan. Zijn echtgenote heeft dit blijkens een nadien door haar opgestelde verklaring bevestigd. Omtrent het besluit van 15 mei 2009 heeft [appellant] betoogd dat hij weliswaar boos is geworden op een medewerkster van het Leger des Heils en dreigend jegens haar is geweest, maar dat hiervoor begrip moet worden opgebracht. De medewerkster heeft de situatie onnodig op de spits gedreven en wilde zijn oudste dochter meenemen. Bovendien wilde zij het huis niet verlaten nadat [appellant] hierom had verzocht. Voor zover al sprake is geweest van bedreiging, is deze nooit gericht geweest tegen de oudste dochter of één van de andere bewoners van het huis. [appellant] is, ook blijkens de verklaring van zijn echtgenote, een zorgzame vader die alles over heeft voor zijn kinderen. Tot slot wijst [appellant] erop dat in verband met de situaties die aanleiding zijn geweest voor de opgelegde huisverboden, twee keer inbewaringstellingen zijn bevolen, maar dat die beide keren zijn geschorst.

2.6.1. Aan het huisverbod van 16 april 2009 liggen ten grondslag een 'Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld' (hierna: RiHG), een proces-verbaal van bevindingen van de hoofdinspecteur van politie in zijn rol van hulpofficier van justitie, een proces-verbaal van een hoofdagent en agent van politie en een proces-verbaal van aanhouding. Uit deze stukken blijkt dat [appellant] antecedenten heeft op het gebied van bedreiging en mishandeling, waaronder van zijn echtgenote, en dat hij ten tijde van dit besluit nog in een strafrechtelijke proeftijd zat. Voorts blijkt uit deze stukken dat de oudste dochter '112' heeft gebeld vanwege een ruzie tussen haar ouders, dat zij zeer bang was voor haar vader en heeft verklaard dat hij haar hard bij de rechterpols had vastgepakt en haar opzettelijk en met kracht tegen de trap aan heeft gedrukt omdat zij niet naar haar kamer wilde. Geen grond bestaat om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen in het RiHG en de drie processen-verbaal staat opgenomen. Dat de echtgenote op 20 mei 2009 heeft verklaard dat er eigenlijk niet zo veel aan de hand was, doet niet af aan de kort na het incident van 16 april 2009 door haar en een aanwezige vriendin afgelegde verklaringen dat [appellant] opzettelijk en met kracht de echtgenote bij de keel had vastgepakt en haar keel had dichtgedrukt en de echtgenote en de vriendin met de dood had bedreigd. De feiten en omstandigheden zoals die uit het RiHG en de processen-verbaal naar voren komen, zijn feiten en omstandigheden in de zin van artikel 2, tweede lid, van het Besluit, gelezen in samenhang met de bijlage bij het Besluit, die de burgemeester bij zijn besluitvorming heeft mogen betrekken. Deze feiten en omstandigheden kunnen het besluit van 16 april 2009 dragen.

2.6.2. Aan het huisverbod van 15 mei 2009 liggen ten grondslag een RiHG, een proces-verbaal van bevindingen van de hoofdinspecteur van politie in zijn rol van hulpofficier van justitie, een proces-verbaal van bevindingen van een brigadier van politie, een proces-verbaal van een hoofdagent en een brigadier en een proces-verbaal van verhoor. Uit deze stukken blijkt dat op 14 mei 2009 sprake was van een explosieve situatie. Tijdens de interventie door een hulpverlener heeft [appellant] deze hulpverlener en, anders dan [appellant] stelt, ook zijn oudste dochter bedreigd. Geen grond bestaat om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen in het RiHG en de vier processen-verbaal staat opgenomen. De feiten en omstandigheden zoals die uit het RiHG en de processen-verbaal naar voren komen, zijn feiten en omstandigheden in de zin van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, b, en c, van het Besluit, gelezen in samenhang met de bijlage bij het Besluit, die de burgemeester bij zijn besluitvorming heeft mogen betrekken. Deze feiten en omstandigheden kunnen het besluit van 15 mei 2009 dragen.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 24 november 2009 in zaken nrs. 102682/FA RK 09-602 en 104479/FA RK 09-957;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010.

419.