Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1891

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200807503/1/T1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2007, kenmerk PZH-2007-235331, heeft het college een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend aan Agro Wind Moerdijk voor het plaatsen en in werking hebben van drie windturbines in de Sabina-Henrica polder in de nabijheid van het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Krammer-Volkerak".

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 15a
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Natuurbeschermingswet 1998 19ia
Wet op de Raad van State
Wet op de Raad van State 36
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2010/154 met annotatie van H.E. Woldendorp
Milieurecht Totaal 2010/1776
M en R 2011/172 met annotatie van Bastmeijer en Verschuuren
JOM 2010/692
JM 2010/113 met annotatie van Zijlmans
OGR-Updates.nl 10-114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807503/1/T1/R2.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 36, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

de stichting Stichting Buurtcomité Sabinapolder, gevestigd te Heijningen, gemeente Moerdijk,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2007, kenmerk PZH-2007-235331, heeft het college een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend aan Agro Wind Moerdijk voor het plaatsen en in werking hebben van drie windturbines in de Sabina-Henrica polder in de nabijheid van het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Krammer-Volkerak".

Bij besluit van 4 september 2008, kenmerk PZH-2008-451874, heeft het college het door de Stichting hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 10 november 2008.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Agro heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

Agro en de Stichting hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2010, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. ir. H.C.A.M. Vermeulen, ing. M.P. Snijder en ir. V.W.M.M. Ampt-Risken, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord Agro, vertegenwoordigd door mr. J.L. Mieras.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 36, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (hierna: WRvS), kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, zoals dit luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en voor zover hier van belang, is het verboden om zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, van gedeputeerde staten projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en habitats van soorten in een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of handelingen zijn in ieder geval projecten die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

2.2.1. Ingevolge artikel 19e, aanhef en onder a, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, houden gedeputeerde staten bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling kan hebben voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied.

2.2.2. Artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor nieuwe projecten of andere handelingen waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, de initiatiefnemer alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen van het gebied maakt waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

2.2.3. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998, wijst de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit gebieden aan ter uitvoering van richtlijn (EEG) nr. 79/409 (hierna: de Vogelrichtlijn) en richtlijn (EEG) nr. 92/43 (hierna: de Habitatrichtlijn). Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied.

2.3. Bij besluit van 18 juli 1995 is het gebied "Krammer-Volkerak" door de minister aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn. Deze aanwijzing heeft onder meer betrekking op de brandgans.

2.3.1. Ingevolge artikel V, eerste lid, van de wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Nbw 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen, gelden de besluiten van de minister houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998.

2.3.2. Bij besluit van 2 augustus 1988 zijn delen van het gebied "Krammer-Volkerak" aangewezen als beschermd natuurmonument. Bij besluit van 2 november 1988 zijn de nog niet eerder aangewezen delen van het gebied "Krammer-Volkerak" aangewezen als staatsnatuurmonument. In de toelichting bij deze besluiten staat onder meer dat het gebied "Krammer-Volkerak" vanwege zijn weidsheid en ongereptheid van betekenis is uit het oogpunt van natuurschoon. De afwisseling van open water, krekenstelsels, slikken en schorren is hiervoor mede van wezenlijk belang, zo staat in deze toelichting.

2.3.3. Ingevolge artikel V, tweede lid, van de wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen vervalt een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10 van de Nbw 1998 in gevallen waarin dat gebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van een gebied dat is aangewezen als Vogelrichtlijngebied en is artikel 15a, derde lid, van de Nbw 1998 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 15a, tweede lid, van de Nbw 1998 vervalt een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, met ingang van het tijdstip waarop doch slechts voor zover dat beschermd natuurmonument deel uitmaakt van een aangewezen gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid.

Indien met toepassing van artikel 15a, tweede lid, van de Nbw 1998 een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft de instandhoudingsdoelstelling voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied ingevolge artikel 15a, derde lid, mede betrekking op de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het vervallen besluit.

2.4. De vergunning heeft betrekking op het oprichten en in werking hebben van drie windturbines in lijnopstelling met elk een vermogen van 3 megawatt. De windturbines hebben een ashoogte van maximaal 105 meter en een rotordiameter van 90 meter en komen te staan op ongeveer 520 meter afstand van het gebied "Krammer-Volkerak".

Effecten van hogere windturbines

2.5. De Stichting kan zich niet verenigen met de verlening van de vergunning en betoogt dat ten onrechte is volstaan met het uitvoeren van een verstorings- en verslechteringsstoets. Nu niet is uitgesloten dat de oprichting en het gebruik van de windturbines significante effecten zullen hebben op de brandgans en de grauwe gans, had volgens de Stichting een passende beoordeling moeten worden uitgevoerd. In dit verband voert zij aan dat de resultaten van de verstorings- en verslechteringstoets onvoldoende representatief zijn, omdat deze met name zijn gebaseerd op onderzoeken naar relatief kleine windturbines. Gelet op de kennislacune met betrekking tot grotere windturbines is volgens de Stichting onvoldoende duidelijk welke effecten de onderhavige windturbines hebben op de vogelsoorten in het gebied "Krammer-Volkerak".

2.5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een kennislacune en dat de resultaten van de verstorings- en verslechteringstoets voldoende representatief zijn met betrekking tot de onderhavige windturbines. Voorts heeft het college erop gewezen dat in de vergunningvoorschriften een monitoringsverplichting is opgenomen.

2.5.2. Ten behoeve van de onderhavige vergunning is door Bureau Waardenburg BV onderzoek verricht om te bezien of de aanleg en het gebruik van de windturbines zullen leiden tot negatieve effecten op de natuurwaarden van het gebied "Krammer-Volkerak". De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Beoordeling van mogelijke knelpunten voor vogels door de plaatsing van windturbines in de Sabina-Henrica polder" van 27 juli 2006 (hierna: verslechterings- en verstoringstoets). In de verstorings- en verslechteringstoets staat vermeld dat tot op heden de meeste effectvoorspellingen van windturbines zijn gebaseerd op onderzoeken naar de effecten van kleine windturbines. De informatie omtrent de effecten van verstoring door grotere windturbines is weliswaar beperkt, maar volgens de verstorings- en verslechteringstoets is er een studie bekend waaruit is gebleken dat de verstoring bij grotere windturbines niet wezenlijk anders is dan bij kleinere windturbines.

Met betrekking tot het aantal aanvaringsslachtoffers bij grotere windturbines is inmiddels eveneens meer informatie bekend, zo staat in de verstorings- en verslechteringstoets. Er is een aantal onderzoeken waaruit blijkt dat de slachtofferaantallen bij grotere windturbines iets hoger liggen dan bij kleinere windturbines. Boven de 150 tot 200 meter neemt het aantal aanvaringsslachtoffers sterk toe, omdat dan andere vliegbanen worden aangesneden, aldus de verstorings- en verslechteringstoets. Volgens de verstorings- en verslechteringstoets zijn op grond van de beschikbare informatie effectvoorspellingen te maken ten aanzien van de aantallen aanvaringsslachtoffers bij grotere windturbines.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen de Stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een kennislacune met betrekking tot de effecten van relatief grote windturbines op vogels. Overigens is in vergunningvoorschrift 11 een monitoringsverplichting opgenomen op grond waarvan een onafhankelijke deskundige gedurende drie jaar het aantal en het soort slachtoffers ten gevolge van de windturbines dient te monitoren. Ter zitting heeft het college verklaard dat indien uit die monitoring blijkt dat een onaanvaardbaar aantal vogels zal omkomen ten gevolge van de windturbines, de vergunning op grond van artikel 43 van Nbw 1998 zal worden aangepast. Deze beroepsgrond faalt.

De brandgans en de grauwe gans

2.6. De Stichting betoogt voorts dat ten gevolge van de windturbines de aantallen brandganzen en grauwe ganzen in het gebied "Krammer-Volkerak" dusdanig zullen afnemen dat significante effecten niet zijn uitgesloten. In dit verband voert zij aan dat de nabijgelegen Sint Antoniegorzen een belangrijk foerageer- en rustgebied zijn voor deze soorten. Nu de windturbines verstoring van de brandgans en de grauwe gans in dit gebied met zich zullen brengen, heeft dit volgens de Stichting direct effect op de aantallen brandganzen en grauwe ganzen in het "Krammer-Volkerak". De Stichting betoogt in dit verband tevens dat onduidelijk is van welke instandhoudingsdoelstellingen volgens het college dient te worden uitgegaan. Voorts dient ten aanzien van de brandgans een verstoringsafstand van 600 meter te worden aangehouden, aldus de Stichting.

2.6.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat is uitgesloten dat de windturbines significante effecten zullen hebben op de brandgans en de grauwe gans. Ter zitting heeft het college uiteengezet dat daarbij dient te worden uitgegaan van de instandhoudingsdoelstellingen zoals opgenomen in het gebiedsdocument. Volgens het college volgt uit telgegevens dat de aantallen brandganzen en grauwe ganzen in het "Krammer-Volkerak" toenemen. Het college heeft voorts uiteengezet dat de Sint Antoniegorzen geen deel uitmaken van het "Krammer-Volkerak" en dat de in Sint Antoniegorzen aanwezige brandganzen eveneens afkomstig zijn uit andere natuurgebieden in de omgeving. In de omgeving van het "Krammer-Volkerak" zijn daarnaast voldoende overige foerageergebieden aanwezig die geschikt zijn voor de brandgans en de grauwe gans, aldus het college.

2.6.2. In het gebiedsdocument van november 2007 zijn concept-instandhoudingsdoelstellingen opgenomen in verband met de voorgenomen aanwijzing van het gebied "Krammer-Volkerak" als Natura 2000-gebied. Op grond van dit document geldt voor de brandgans een doelstelling tot behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1100 vogels (seizoensgemiddelde). Voor de grauwe gans is een concept-instandhoudingsdoelstelling opgenomen tot behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2100 vogels (seizoensgemiddelde). Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling aansluiting kunnen zoeken bij het gebiedsdocument.

2.6.3. Volgens het deskundigenbericht kan bij de onderhavige activiteit in een zone van maximaal 300 meter rondom de windturbines verstoring van grauwe ganzen optreden. Aangezien de windturbines op een afstand van ongeveer 500 meter van het "Krammer-Volkerak" zullen worden gerealiseerd zal volgens de verstorings- en verslechteringstoets en het deskundigenbericht geen rechtstreekse verstoring van de grauwe gans binnen het "Krammer-Volkerak" plaatsvinden. De Stichting heeft dit op zichzelf niet betwist.

Volgens het deskundigenbericht kan bij de onderhavige activiteit in een zone van maximaal 600 meter rondom de windturbines verstoring van brandganzen optreden. Gelet op de afstand van de windturbines tot het "Krammer-Volkerak" wordt in de verstorings- en verslechteringstoets en het deskundigenbericht geconcludeerd dat ten gevolge van de windturbines nauwelijks rechtstreekse verstoring van de brandgans in het "Krammer-Volkerak" zal optreden. Ten aanzien van de brandgans kan verstoring optreden in een strook van maximaal 100 meter binnen het gebied "Krammer-Volkerak", aldus het deskundigenbericht. Gelet op de totale omvang van het gebied "Krammer-Volkerak" zal volgens het deskundigenbericht binnen dit gebied een gering aantal brandganzen rechtstreeks worden verstoord. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voornoemde conclusies uit het deskundigenbericht niet aannemelijk te achten.

2.6.4. Blijkens de stukken zijn de Sint Antoniegorzen een belangrijk foerageergebied voor de brandgans en de grauwe gans. In de Sint Antoniegorzen zal gelet op de verstoringsafstand van 300 meter volgens het deskundigenbericht geen verstoring van de grauwe gans optreden.

Volgens het deskundigenbericht zal ten gevolge van de windturbines in het zuiden van de Sint Antoniegorzen binnen een strook van ongeveer 200 meter verstoring van de brandgans kunnen optreden. Uit de verstorings- en verslechteringstoets volgt dat geen gedetailleerde verspreidingsgegevens bekend zijn van de brandgans in de Sint Antoniegorzen. Volgens het deskundigenbericht volgt evenwel uit telgegevens dat het aantal brandganzen de afgelopen jaren sterk is toegenomen. De seizoensgemiddelden liggen ruim boven het in de concept- instandhoudingsdoelstelling opgenomen aantal van 1100. Voorts staat in het deskundigenbericht dat het aannemelijk is dat in een straal van 10 km rond het "Krammer-Volkerak" voldoende overige foerageergebieden voor de brandgans aanwezig zijn. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voornoemde conclusies uit het deskundigenbericht niet aannemelijk te achten.

2.6.5. Met betrekking tot het aantal aanvaringsslachtoffers heeft het college het criterium gehanteerd dat bij een verwachte sterfte van minder dan 1% van de natuurlijk sterfte van de aanwezige populatie brandganzen en grauwe ganzen in het "Krammer-Volkerak" de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zullen worden aangetast. De Stichting heeft dit criterium op zichzelf niet bestreden. In de verstorings- en verslechteringstoets staat dat jaarlijks maximaal enkele brandganzen zullen sterven ten gevolge van een aanvaring met de windturbines. Met betrekking tot de grauwe gans vermeldt de verstorings- en verslechteringstoets dat ten gevolge van de windturbines jaarlijks maximaal een tiental aanvaringsslachtoffers zijn te verwachten. Het aantal aanvaringsslachtoffers van zowel de brandgans als de grauwe gans blijft ruim onder de norm van 1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte van deze soorten, zo staat in de verstorings- en verslechteringstoets. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat deze conclusie onjuist is.

2.6.6. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen de Stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat de oprichting en het in werking hebben van de windturbines op zich significante gevolgen zullen hebben voor de brandgans en de grauwe gans. Deze beroepsgrond faalt.

Cumulatieve effecten

2.7. De Stichting betoogt dat het college ten onrechte niet is ingegaan op de mogelijke cumulatieve effecten van de onderhavige windturbines in verband met overige windturbineparken in de omgeving. Volgens de Stichting zijn gelet hierop de gevolgen voor de brandgans en de grauwe gans onvoldoende duidelijk. In dit verband wijst de Stichting erop dat in de directe omgeving van de onderhavige windturbines een windturbinepark van Essent zal worden gerealiseerd. Voorts zijn in de omgeving van het "Krammer-Volkerak" meerdere windturbineparken gesitueerd, aldus de Stichting.

2.7.1. Met betrekking tot het windturbinepark van Essent heeft het college uiteengezet dat op basis van een beoordeling van de cumulatieve effecten geen significante effecten worden verwacht op de brandgans en de grauwe gans. Ten aanzien van de overige windturbines behoefde volgens het college geen onderzoek te worden verricht naar de cumulatieve effecten, omdat deze windturbines reeds meer dan tien jaar ter plaatse zijn gesitueerd en de effecten van deze windturbines zijn verdisconteerd in de aanwezige aantallen vogels.

2.7.2. Op een afstand van ongeveer 500 meter van de onderhavige windturbines wordt door Essent een windturbinepark gerealiseerd. Het gaat om zes windturbines met een ashoogte van maximaal 48 meter. Volgens het bestreden besluit zijn met betrekking tot het aantal aanvaringsslachtoffers nauwelijks cumulatieve effecten te verwachten van de onderhavige windturbines in combinatie met de zes windturbines van Essent, omdat deze windturbines parallel aan de onderhavige windturbines zullen worden geplaatst. Hierdoor liggen de windturbines in dezelfde vliegroute. Het aantal aanvaringsslachtoffers ten gevolge van de windturbines gezamenlijk zal ook voor deze situatie niet hoger liggen dan 1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte van de brandgans en de grauwe gans, aldus het bestreden besluit. Volgens het deskundigenbericht zijn in verband met de windturbines van Essent geen cumulatieve effecten te verwachten met betrekking tot verstoring van de brandgans en de grauwe gans. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voornoemde conclusies niet aannemelijk te achten.

Met betrekking tot de overige windturbines in de omgeving van het "Krammer-Volkerak" is ter zitting komen vast te staan dat deze reeds sinds minimaal tien jaren ter plaatse zijn gesitueerd. In verband hiermee acht de Afdeling het standpunt van het college dat de effecten van deze windturbines reeds zijn verdisconteerd in de aanwezige aantallen vogels en de concept-instandhoudingsdoelstellingen niet onaannemelijk. Gelet hierop heeft het college op goede gronden kunnen afzien van een onderzoek naar de cumulatieve effecten in verband met deze windturbines.

Deze beroepsgrond faalt.

Aantasting van het landschap

2.8. De Stichting betoogt tot slot dat de windturbines de ongereptheid van het landschap en het weidse en open karakter van het gebied "Krammer-Volkerak" zullen aantasten. Dit is in strijd met de doelstellingen die voortvloeien uit de aanwijzing van het gebied als staats- en beschermd natuurmonument. Het college heeft dit aspect ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken, aldus de Stichting.

2.8.1. Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in het besluit tot verlening van de vergunning en het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de effecten van de windturbines op de weidsheid en de ongereptheid van het "Krammer-Volkerak". Het college heeft voorts ter zitting betoogd dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. In dit verband wijst het college erop dat met de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet onder meer artikel 19ia aan de Nbw 1998 is toegevoegd. Op grond van artikel 19ia Nbw 1998 is artikel 16 van overeenkomstige toepassing op de oprichting en het inwerking hebben van de onderhavige windmolens, aldus het college. Op grond van artikel 16, vierde lid, van de Nbw 1998 kan enkel sprake zijn van een vergunningplicht voor handelingen die buiten het aangewezen staats- of beschermd natuurmonument plaatsvinden, indien deze handelingen zijn opgenomen in de aanwijzingsbesluiten. Nu het oprichten en in werking hebben van de onderhavige windturbines niet in de besluiten tot aanwijzing van het "Krammer-Volkerak" als staats- en beschermd natuurmoment zijn opgenomen, behoeven deze handelingen volgens het college niet langer te worden getoetst aan de nationale doelstellingen, zoals opgenomen in deze aanwijzingsbesluiten.

Daarnaast heeft het college zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het de weidsheid en de ongereptheid van het "Krammer-Volkerak" door de windturbines niet zal worden aangetast, omdat in de omgeving reeds meerdere windturbines aanwezig zijn.

2.8.2. Zoals reeds overwogen onder 2.3.2. zijn bij besluit van 2 augustus 1988 delen van het gebied "Krammer-Volkerak" aangewezen als beschermd natuurmonument. De niet eerder aangewezen delen van het gebied zijn bij besluit van 2 november 1988 aangewezen als staatsnatuurmonument. In de toelichting bij de besluiten tot aanwijzing van het "Krammer-Volkerak" als staats- en beschermd natuurmonument, welke onderdeel uitmaakt van deze besluiten, staat met betrekking tot het natuurschoon van het gebied het volgende: "Het "Krammer-Volkerak" is vanwege zijn weidsheid en zijn ongereptheid van betekenis uit het oogpunt van natuurschoon. De afwisseling van open water, krekenstelsels, slikken en schorren is hiervoor mede van wezenlijk belang." Nu, zoals reeds overwogen onder 2.3.3., de doelstellingen zoals geformuleerd in voornoemde aanwijzingsbesluiten, de zogenoemde nationale doelstellingen, op grond van artikel 15a, derde lid, van de Nbw 1998 onderdeel uitmaken van het toetsingskader van vergunningverlening krachtens artikel 19d van de Nbw 1998, diende het college bij de besluitvorming rekening te houden met deze doelstellingen. Het college is noch in het besluit tot verlening van de vergunning noch in het bestreden besluit ingegaan op de mogelijke gevolgen van de windturbines in verband met de nationale doelstellingen. Gelet hierop berust het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.9. Ingevolge artikel 19ia, eerste lid, van de Nbw 1998, zoals deze wet geldt ten tijde van deze uitspraak en voor zover hier van belang, is in het geval de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied mede betrekking heeft op doelstellingen als bedoeld in artikel 10a, derde lid, artikel 16, eerste tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing op handelingen die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het Natura 2000-gebied anders dan vereist ingevolge de richtlijnen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, of voor dieren en planten in dat gebied, of die het gebied ontsieren, met dien verstande dat: in het vierde lid in plaats van het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, bedoeld in artikel 10 wordt gelezen: het besluit tot aanwijzing, bedoeld in artikel 10a. Gelet hierop maken de nationale doelstellingen niet langer onderdeel uit van het toetsingskader van de vergunningverlening krachtens artikel 19d van de Nbw 1998, maar is op grond van artikel 19ia het beschermingsregime van artikel 16 van overeenkomstige toepassing op handelingen die schadelijke kunnen zijn voor deze doelstellingen.

2.9.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van het college in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren.

Ingevolge het vierde lid is het in het eerste lid bedoelde verbod tevens van toepassing op handelingen als bedoeld in dat lid, die buiten het beschermd natuurmonument kunnen worden verricht en die zijn vermeld in het besluit tot aanwijzing, bedoeld in artikel 10a, of een besluit tot voorlopige aanwijzing, bedoeld in artikel 12.

Ingevolge artikel 65 van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, geldt ten aanzien van beschermde natuurmonumenten die op grond van de Nbw (oud) zijn aangewezen, in afwijking van artikel 16, vierde lid, het verbod van artikel 16, eerste lid, voor in dat artikellid bedoelde schadelijke handelingen die buiten het beschermde natuurmonument of staatsnatuurmonument worden verricht zonder dat deze handelingen vermeld zijn in het besluit tot aanwijzing.

Nu het "Krammer-Volkerak" op grond van de Nbw (oud) is aangewezen geldt het beschermingsregime van artikel 16, eerste lid, anders dan het college kennelijk veronderstelt, eveneens voor in dat artikellid bedoelde schadelijke handelingen die buiten het gebied worden verricht, zonder dat deze handelingen vermeld zijn in de aanwijzingsbesluiten van het "Krammer-Volkerak" tot staats- en beschermd natuurmonument. De stelling van het college dat de oprichting en het gebruik van de windturbines op grond van artikel 19ia en 16, eerste en vierde lid, van de Nbw 1998, niet langer aan de nationale doelstellingen behoeven te worden getoetst is derhalve onjuist.

2.9.2. De door het college ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de windturbines de weidsheid en ongereptheid van het "Krammer-Volkerak" niet zullen aantasten, heeft het college niet nader onderbouwd.

Bestuurlijke lus

2.10. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 36, zesde lid, van de WRvS op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Het college dient hiertoe een deugdelijke motivering aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen, in die zin dat zo nodig op grond van nader onderzoek, inzichtelijk wordt gemaakt op grond waarvan het college zich op het standpunt stelt dat de natuurlijke kenmerken van het gebied "Krammer-Volkerak", zoals omschreven in het besluit tot aanwijzing van dit gebied als beschermd natuurmonument van 2 augustus 1988 en het besluit tot aanwijzing van dit gebied als staatsnatuurmonument van 2 november 1988, niet door de windturbines zullen worden aangetast.

Het college dient binnen twee maanden na verzending van deze uitspraak de Afdeling deze motivering toe te zenden.

Ingevolge artikel 2a van de Nbw 1998, zoals deze wet geldt ten tijde van deze uitspraak, is het college in het onderhavige geval thans niet meer bevoegd een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Gelet hierop dient het college indien het tot de conclusie komt dat aanvulling van de motivering niet mogelijk of opportuun is, dit binnen voornoemde termijn aan de Afdeling mede te delen.

Proceskosten

2.11. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op om binnen twee maanden na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 2.10. het besluit van 4 september 2008, kenmerk PZH-2008-451874, alsnog toereikend te motiveren en deze motivering aan de Afdeling toe te zenden;

- dan wel aan de Afdeling mede te delen dat het college tot de conclusie is gekomen dat aanvulling van de motivering niet mogelijk of opportuun is.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. De Rooy

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

59-575.