Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1883

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200909962/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij ongedateerd besluit verzonden op 11 december 2007 heeft het dagelijks bestuur [appellant] op straffe van een dwangsom gelast om diens [vaartuig], gelegen in [jachthaven], te verwijderen en daarna verwijderd te houden uit het openbaar water van het beheersgebied van het stadsdeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909962/1/H3.

Datum uitspraak: 21 juli 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2009 in zaak nr. 08/4447 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel ZuiderAmstel (thans: stadsdeel Zuid).

1. Procesverloop

Bij ongedateerd besluit verzonden op 11 december 2007 heeft het dagelijks bestuur [appellant] op straffe van een dwangsom gelast om diens [vaartuig], gelegen in [jachthaven], te verwijderen en daarna verwijderd te houden uit het openbaar water van het beheersgebied van het stadsdeel.

Bij besluit van 30 september 2008 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, en het besluit, verzonden op 11 december 2007, met aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 5 november 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 17 januari 2010 en 18 januari 2010.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2010, waar [appellant] in persoon en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. D. Kortleve, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zoals dit artikellid luidde ten tijde van belang, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in de plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet, zoals dit artikel luidde ten tijde van belang, is het gemeentebestuur bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang.

Ingevolge de Verordening op de stadsdelen van de gemeente Amsterdam zijn de bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op grond van artikel 125 van de Gemeentewet gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen.

Ingevolge artikel 1.1.1, aanhef en onder h, van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: de Vhb 2006) wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen onder openbaar water verstaan alle wateren die al of niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.

Ingevolge artikel 2.2.1 wordt in hoofdstuk 2 en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. woonboot: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf, niet zijnde een object dat valt onder de Woningwet;

[…]

d. pleziervaartuig: een schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor

niet-bedrijfsmatige varende recreatie;

e. object: een voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of afgemeerd en dat niet behoort tot enige andere in dit hoofdstuk genoemde categorie;

[…].

Ingevolge artikel 2.5.2, eerste lid, is het verboden met een object ligplaats in te nemen of een object in, op of boven het water te plaatsen.

Ingevolge het tweede lid kan het college van het eerste lid ontheffing verlenen indien de overige vereiste vergunningen of ontheffingen voor het aanbrengen of plaatsen van objecten zijn verleend.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft aan het besluit op bezwaar van 30 september 2008 ten grondslag gelegd dat het [vaartuig] een object is, dat in strijd met artikel 2.5.2, eerste lid, van de Vhb 2006 zonder ontheffing in het openbaar water van het beheersgebied van het stadsdeel is afgemeerd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zich geen overtreding van artikel 2.5.2, eerste lid, van de Vhb 2006 heeft voorgedaan, omdat de jachthaven waar het vaartuig was afgemeerd geen openbaar water is, als bedoeld in artikel 1.1.1, aanhef en onder h, van de Vhb 2006.

De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen dat het vaartuig een object is als bedoeld in artikel 2.2.1, aanhef en onder e, van de Vhb 2006. Het vaartuig is een weekendschip dat alleen voor recreatie wordt gebruikt, daadwerkelijk kan varen en niet wordt bewoond. Daarmee is het een pleziervaartuig als bedoeld in onderdeel d van voormelde bepaling, aldus [appellant].

2.3.1. Ingevolge artikel 1.1.1, aanhef en onder h, van de Vhb 2006 is water openbaar in de zin van deze bepaling, indien het, al of niet met enige beperking, voor het publiek toegankelijk is. In de toelichting bij de bepaling is vermeld dat de term "openbaar" in feitelijke zin wordt gebruikt. Water dat aan een andere eigenaar dan de gemeente behoort maar feitelijk wel door de scheepvaart wordt gebruikt, blijft dan ook openbaar, aldus de toelichting.

Dat de jachthaven niet aan de gemeente in eigendom toebehoort, neemt niet weg dat het - naar niet is betwist - mogelijk is om er met een vaartuig binnen te varen. Niet is gebleken van enige feitelijke beperking van de toegankelijkheid van de jachthaven, zodat de rechtbank met juistheid heeft aangenomen dat het vaartuig lag afgemeerd in openbaar water als bedoeld in artikel 1.1.1, aanhef en onder h, van de Vhb 2006.

2.3.2. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat het vaartuig geen pleziervaartuig is in de zin van de Vhb 2006. Vaststaat dat [appellant] de weekenden en tijdens vakanties op het vaartuig verbleef. Dat het vaartuig ongeveer tien keer per jaar werd gebruikt om daadwerkelijk mee te varen, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat het vaartuig, ten tijde van belang, hoofdzakelijk werd gebruikt voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie.

Het vaartuig is evenmin een woonboot, omdat het niet hoofdzakelijk in gebruik was als of bestemd was tot woonverblijf. Dat voor het vaartuig door het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland op 3 januari 1968 een vergunning is verleend voor het hebben van een ligplaats van een periodiek bewoonde woonboot in [jachthaven] als door [appellant] is gesteld, maakt niet dat het vaartuig, ten tijde van belang, als woonboot in de zin van de Vhb 2006 is aan te merken. Aangezien niet in geschil is dat het vaartuig ook geen bedrijfsvaartuig of passagiersvaartuig is, moet het als een object in de zin van 2.2.1 van de Vhb 2006 worden aangemerkt. Vaststaat dat [appellant] niet beschikte over de op grond van artikel 2.5.2, tweede lid bedoelde ontheffing, zodat de rechtbank op juiste gronden heeft overwogen dat het dagelijks bestuur bevoegd was om handhavend op te treden. Het betoog faalt.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur van handhaving had dienen af te zien. Het vaartuig ligt al 47 jaar in het beheersgebied van de gemeente afgemeerd zonder dat [appellant] erop is gewezen dat daartoe een ontheffing is vereist. Bovendien heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het college) op 1 maart 1978 een lozingsvergunning verleend ten behoeve van het vaartuig. Daarom heeft de rechtbank zijn beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte niet gehonoreerd, aldus [appellant].

2.4.1. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel in dit geval niet geschonden is. De enkele omstandigheid dat het dagelijks bestuur bekend was met de illegale situatie, maar gedurende lange tijd daartegen geen handhavingsmaatregelen heeft getroffen, brengt niet met zich dat niet meer handhavend mocht worden opgetreden. Het enkele tijdsverloop is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het dagelijks betuur in redelijkheid van handhavend optreden had behoren af te zien. Voorts brengt die omstandigheid niet met zich dat het dagelijks bestuur bij [appellant] het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat ook in de toekomst niet handhavend zal worden opgetreden. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat het dagelijks bestuur terzake concrete en ondubbelzinnige mededelingen heeft gedaan waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Er is niet aannemelijk gemaakt dat het dagelijks bestuur [appellant] op enig moment te kennen heeft gegeven dat hij zonder ontheffing in de jachthaven mocht afmeren en dat van handhavend optreden zou worden afgezien. Evenmin leidt de door het college verleende lozingsvergunning tot het oordeel dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien, reeds omdat deze vergunning niet is verleend door het dagelijks bestuur.

De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur van handhaving had behoren af te zien. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010.

280-597.