Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1877

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200908604/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2008 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN B.V. vrijstelling en lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een vakwerkmast voor mobiele telefonie (UMTS-mast) op een perceel nabij de Vogelwikke te Sint-Oedenrode (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908604/1/H1.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en [...]-[appellant] (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 oktober 2009 in zaken nrs. 09/2322 en 08/4252 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2008 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN B.V. vrijstelling en lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een vakwerkmast voor mobiele telefonie (UMTS-mast) op een perceel nabij de Vogelwikke te Sint-Oedenrode (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2010, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.F.M. van Gurp-Steenbakkers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting KPN, vertegenwoordigd door mr. S.C. Bledoeg en mr. L.P.W. Mensink, beiden advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in plaatsing van een UMTS-mast met een hoogte van 39,90 m. Het perceel is begrepen in het bestemmingsplan "Partiële herziening III Recreatiepark De Kienehoef" en heeft daarin de bestemming "Manege".

Ingevolge artikel 5.2.2, onder d, van de planvoorschriften mag de (nok)hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op gronden met deze bestemming niet meer bedragen dan 3 m.

Ingevolge artikel 8, lid c, onder 2, kan daarvan, voor zover thans van belang, ten behoeve van communicatiemasten vrijstelling worden verleend tot een hoogte van niet meer dan 50 m.

Het college heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt.

2.2. [appellant] woont op ongeveer 225 m afstand van het perceel. Tussen zijn woning en het perceel zijn een manege en bomen gelegen. Ter zitting is niet komen vast te staan dat [appellant] hierdoor in het geheel geen zicht op de mast zal hebben. Gelet voorts op de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan, te weten de effecten daarvan op het woon- en leefklimaat, heeft de voorzieningenrechter, anders dan KPN heeft betoogd, dan ook terecht [appellant] als belanghebbende bij het besluit van 26 februari 2008 aangemerkt.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan kon verlenen, omdat alternatieve locaties voor het bouwplan bestaan waaraan aanzienlijk minder bezwaren zijn verbonden dan aan de voorziene plaatsing van de mast op het perceel. Hij wijst in dit verband met name op de door hem in beroep aangevoerde en met 'A3' aangeduide alternatieve locatie (parkeerterrein aan de Koningsvaren), waarvan ter zitting bij de voorzieningenrechter volgens hem is gebleken dat deze locatie ook de voorkeur had van KPN. Ook andere locaties zijn volgens hem meer geschikt dan het perceel.

2.3.1. Dit betoog slaagt niet. Het college dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan het project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is, reeds omdat, zoals het college heeft toegelicht, op enkele van de door [appellant] voorgestelde alternatieve locaties, waaronder de met 'A3' aangeduide, op termijn woningbouw is voorzien. Voorts heeft KPN ter zitting aan de hand van het desbetreffende zogenoemde plaatsingsplan, te weten een kaart van Sint-Oedenrode waarop per aanbieder van mobiele telefonie de dekking voor het grondgebied van de gemeente is aangeduid, toegelicht dat de overige alternatieve locaties voor KPN een minder goede dekking realiseren dan de onderhavige. Dat, zoals [appellant] betoogt, uit het plaatsingsplan blijkt dat enkele van de alternatieve locaties vallen binnen de zoekcirkel van een andere aanbieder, doet hieraan niet af, omdat uit dat plan tevens blijkt dat de gerealiseerde dekking - en derhalve ook de benodigde of gewenste uitbreiding - per aanbieder verschilt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft nagelaten een deskundige te benoemen om te beoordelen of voor de door KPN gewenste dekking een beter alternatief voorhanden is dan het bouwplan. De benoeming door de voorzieningenrechter van een deskundige is, gelet op artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht, een discretionaire bevoegdheid van de voorzieningenrechter. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de door [appellant] voorgestelde alternatieve locaties bestaat geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter in die geval van deze bevoegdheid gebruik had moeten maken. Het betoog dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat het besluit van 21 oktober 2008 anderszins onzorgvuldig is voorbereid, heeft [appellant] niet nader toegelicht.

2.5. Voor zover [appellant] ten slotte in algemene zin naar de door hem in beroep aangevoerde beroepsgronden verwijst, is dat tevergeefs. De voorzieningenrechter heeft deze behandeld en beoordeeld. [appellant] heeft niet betoogd dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de voorzieningenrechter niet juist zijn.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

488.