Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1874

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200908952/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2009 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908952/1/H2.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 november 2009 in zaak nr. 09/4093 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2009 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 november 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2009, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D.Th.J. van der Klei, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij het centraal kantoor te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 34, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb), zoals deze bepaling gold ten tijde hier van belang en voor zover van belang, wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een vermogen dat meer bedraagt dan het heffingvrij vermogen.

Ingevolge artikel 34a, derde lid, voor zover hier van belang, is het vermogen het vermogen in het peiljaar.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder peiljaar verstaan: het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag om een toevoeging wordt gedaan.

Ingevolge dat artikel, aanhef en onder n, wordt onder heffingvrij vermogen verstaan: het heffingvrij vermogen, bedoeld in de artikelen 5.5. en 5.6. van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.2. Bij besluit van 6 februari 2009, gehandhaafd bij het besluit van 20 mei 2009, heeft de raad de aanvraag van [appellant] voor een toevoeging voor een boedelscheiding afgewezen omdat het vastgestelde vermogen van [appellant] in het peiljaar 2007 meer bedroeg dan het heffingvrij vermogen.

2.3. [appellant] voert aan dat zijn voormalig echtgenote in 2005 gerechtigd was tot de helft van de huwelijksgoederengemeenschap en haar inkomen en vermogen toen ruim boven de inkomens- en vermogensgrens lag van de Wrb. Aangezien zijn situatie vergelijkbaar is met de situatie van zijn voormalige echtgenote had hij evenals zij een toevoeging moeten krijgen en heeft de rechtbank zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte ongegrond verklaard, aldus [appellant].

2.3.1. Niet in geschil is dat voor de vaststelling van het vermogen van [appellant] het peiljaar 2007 is, en dit vermogen toen meer bedroeg dan het heffingvrij vermogen. Uit artikel 34, tweede lid, van de Wrb volgt dat [appellant] dan geen aanspraak heeft op een toevoeging. Voor zover zijn voormalig echtgenote wel een toevoeging heeft gekregen terwijl haar inkomen en vermogen volgens [appellant] ruim boven de inkomens- en vermogensgrens van de Wrb lag, kan dit niet leiden tot het verlenen van een toevoeging aan [appellant], omdat verlening in strijd is met deze bepaling en de Wrb hierop geen uitzondering kent. Van gelijke gevallen is geen sprake, reeds omdat de peiljaren niet dezelfde zijn.

2.4. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat, omdat hij door beslaglegging niet over zijn vermogen kan beschikken, de afwijzing van zijn aanvraag ertoe leidt dat hem in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) de toegang tot een onafhankelijke rechter wordt ontzegd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 januari 2010 in zaak nr. 200903949/1) mag het recht op toegang tot de rechter worden beperkt en is dat niet in strijd met artikel 6 van het EVRM mits de beperkingen niet in essentie het recht op toegang tot de rechter schaden, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn. Mede met het oog op een financiële beheersbaarheid van het systeem van rechtsbijstandverlening moet het gerechtvaardigd worden geacht rechtsbijstandskosten voor rekening van een rechtzoekende te laten als de inkomens- of vermogensgrens van de Wrb wordt overschreden. De advocaat van [appellant] heeft ter zitting verklaard dat de afgewezen toevoeging niet heeft geleid tot het staken van de procedure waarop de toevoegingsaanvraag ziet, aangezien zijn honorarium nog wel ten dele wordt betaald en [appellant] sinds lange tijd een cliënt van hem is. Gelet daarop en omdat aannemelijk is dat [appellant] tezijnertijd, als de boedel is verdeeld en de beslagen zijn opgeheven, wel over zijn vermogen kan beschikken, is er geen aanleiding te concluderen dat [appellant] onevenredig door toepassing van artikel 34, tweede lid, van de Wrb, wordt getroffen of het recht op toegang tot de rechter in essentie wordt aangetast.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

85-615.