Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1867

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
200909435/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 januari 2008 heeft het college aan HSB Ontwikkeling B.V. (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een fitnesscentrum, een horecagelegenheid, twaalf appartementen en een halfondergrondse parkeergarage op het perceel Leidsche Rijn, Het Zand, scherf 7.6, te Utrecht (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2010/25 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909435/1/H1.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Openbaar Primair Onderwijs Utrecht" en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Saartje Kinderopvang B.V.", beide gevestigd te Utrecht, [appellanten a], beiden wonend te Utrecht,

(hierna: de Stichting en anderen),

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 28 oktober 2009 in zaak nrs. 09/448 en 09/139 in het geding tussen:

de Stichting en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2008 heeft het college aan HSB Ontwikkeling B.V. (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een fitnesscentrum, een horecagelegenheid, twaalf appartementen en een halfondergrondse parkeergarage op het perceel Leidsche Rijn, Het Zand, scherf 7.6, te Utrecht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 juni 2008 heeft het college het besluit van 9 januari 2008 herroepen; vervolgens heeft het college bij besluit van 2 december 2008 aan vergunninghoudster vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een fitnesscentrum, een horecagelegenheid, twaalf appartementen en een halfondergrondse parkeergarage op het perceel.

Bij uitspraak van 28 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door de Stichting en anderen tegen de besluiten van 27 juni 2008 en 2 december 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de Stichting en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gezamenlijk met zaak nr. 200909550/1/H1 ter zitting behandeld op 7 juni 2010, waar de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door mr. A. Danopoulos, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door ir. C. Mesman en R. Linschoten, bijgestaan door mr. H.P. de Keijzer, advocaat te Utrecht, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. E.M. Vos, advocaat te Nijmegen, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft een bouwwerk waarin op de begane grond een horecagelegenheid is voorzien en op de eerste, tweede en derde verdieping een fitnesscentrum annex dansschool. Voorts zullen op de vierde, vijfde en zesde verdieping appartementen worden gerealiseerd en is in het gebouw een halfondergrondse stallingsgarage met 13 parkeerplaatsen voorzien. De bouwhoogte is 25 m. Het bouwwerk is gesitueerd in Park Groot Zandveld in deelgebied Het Zand van de Leidsche Rijn.

2.2. Ingevolge het ter plaats geldende bestemmingsplan "Leidsche Rijn Utrecht 1999" (hierna: het bestemmingsplan) hebben de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Gemengde doeleinden (uit te werken)".

Ingevolge artikel 6, onderdeel A, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen, verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, sport- en recreatievoorzieningen en horeca, als genoemd in de Lijst van horeca-inrichtingen.

Ingevolge artikel 9, onderdeel A, moet het college, voor zover hier van belang, de gebieden met de bestemming "Gemengde doeleinden (uit te werken)" uitwerken met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen, het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en enkele procedureregels.

Ingevolge onderdeel B, eerste lid, mag in de gebieden waar sprake is van een uit te werken bestemming, slechts worden gebouwd volgens een onherroepelijk uitwerkingsplan.

In artikel 5 is de beschrijving in hoofdlijnen opgenomen, waarin is beschreven op welke wijze de doeleinden van het bestemmingsplan worden nagestreefd.

In artikel 5, onder E, voor zover van belang, is bepaald dat de beschrijving in hoofdlijnen uitsluitend juridisch werkt door toepassing van flexibiliteitsbepalingen, waaronder de uitwerking en vrijstelling.

2.3. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan omdat voor het perceel geen onherroepelijk uitwerkingsplan van kracht is en daarom ingevolge artikel 9, onderdeel B, eerste lid, van de planvoorschriften een bouwverbod geldt. Teneinde realisering van het bouwplan mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend.

2.4. De Stichting en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet bevoegd was om vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen. Zij voeren daartoe aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan de beroepsgrond dat niet is voldaan aan de door het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht (hierna: het college van gedeputeerde staten) gestelde algemene voorwaarden dat het project waarvoor vrijstelling wordt verleend niet mag leiden tot de aantasting van de ruimtelijke kwaliteit of tot onevenredige hinder en/of belemmeringen voor aangrenzende functies of bestemmingen, nu het bouwplan gevolgen zal hebben voor eventuele archeologische waarden in het projectgebied en voor de verkeershinder en verkeersveiligheid ter plaatse.

2.4.1. Hoewel de Stichting en anderen terecht hebben aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op de hiervoor weergegeven beroepsgrond, leidt het betoog om het hierna volgende niet tot het hiermee beoogde doel.

2.4.2. Het college van gedeputeerde staten heeft in de op 1 september 2006 in werking getreden "Circulaire artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening" (hierna: de circulaire) de categorieën van gevallen waarin het college zonder een voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kan verlenen, vastgesteld. Paragraaf 3.1.2, onderdeel B, van de circulaire betreft een opsomming van bouwprojecten in stedelijk gebied. Paragraaf 3.1.2, onderdeel D, bevat algemene voorwaarden waaraan de projecten moeten voldoen om gebruik te kunnen maken van de in deze circulaire gegeven mogelijkheden. Onder meer is vermeld dat het project niet mag leiden tot aantasting van de ruimtelijke kwaliteit, zoals die tot uitdrukking komt in de cultuurhistorische, landschappelijke of stedenbouwkundige structuren of elementen; daarbij wordt in het bijzonder vermeld dat voor gebieden met een vastgestelde archeologische waarde, ofwel gebieden met een hoge verwachtingswaarde is een positief advies van de provinciale archeoloog noodzakelijk. Evenmin mag een project onevenredige hinder of belemmeringen veroorzaken voor aangrenzende functies of bestemmingen.

2.4.3. In het bestemmingsplan is een deel van Park Groot Zandveld aangeduid als "Terrein van bijzondere oudheidkundige waarde". Nu het bouwplan niet is voorzien op gronden die als zodanig zijn aangeduid en ook anderszins geen aanknopingspunten aanwezig zijn voor het oordeel dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn die door het bouwplan kunnen worden aangetast, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bouwplan, gelet op de archeologische betekenis van de projectlocatie tot een zodanige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit in de zin van cultuurhistorische structuur leidt dat geen gebruik gemaakt kon worden van de bevoegdheid krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de hinder die het bouwplan in algemene zin veroorzaakt voor de aangrenzende functies of bestemmingen zodanig is dat geen bevoegdheid bestond om op grond van artikel 19, tweede lid, vrijstelling te verlenen. Dit laat onverlet dat het college zal moeten beoordelen of de toename van het aantal verkeersbewegingen, de verwachte schaduwwerking, de effecten op de privacy, de gevolgen voor de luchtkwaliteit, de windhinder en de geluidsaspecten in dit geval een zodanige verslechtering van de bestaande situatie meebrengen dat dit onaanvaardbare hinder dan wel belemmeringen voor de nabij gelegen functies tot gevolg zal hebben. Het betoog faalt.

2.5. De Stichting en anderen betogen voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Zij voeren daartoe aan dat het bouwplan een forse inbreuk op het planologisch regime meebrengt en derhalve zeer zware eisen moeten worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing. De Stichting en anderen achten het verder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dat het stedenbouwkundig plan en het inrichtingsplan onderdeel uitmaken van de ruimtelijke onderbouwing.

2.5.1. Anders dan de Stichting en anderen betogen, zal realisering van het bouwplan geen forse inbreuk op het planologisch regime meebrengen nu de strijdigheid met het bestemmingsplan alleen betrekking heeft op het bouwverbod dat ingevolge artikel 9, onderdeel B, eerste lid, van de planvoorschriften van toepassing is. Het project is niet in strijd met de bestemming "Gemengde doeleinden (uit te werken)" die op het perceel rust.

De aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door het rapport "Bouw van een Sport- en Dansschool, horeca en 12 appartementen in deelgebied Het Zand, Leidsche Rijn" van 4 juni 2008. Hierin is ingegaan op de feitelijke situatie ter plaatse en de relatie met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, alsmede op de ontwikkeling die de gemeente in deelgebied "Het Zand" voorstaat. In de ruimtelijke onderbouwing wordt vermeld dat Park Groot Zandveld een park wordt met daarin woningen en tal van voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg, horeca, sport en dans. In dit verband wordt tevens verwezen naar de in het Stedenbouwkundig plan "Het Zand" neergelegde visie op de toekomstige planologische ontwikkelingen. In het Stedenbouwkundig plan is omschreven welke voorzieningen in het gebied zullen worden gevestigd en wordt bovendien ingegaan op de planologische inpasbaarheid van het bouwplan. Niet valt in te zien waarom het college het Stedenbouwkundig plan en het Definitieve Inrichtingsplan Openbare Ruimte van 3 juni 2008 niet ten grondslag mocht leggen aan de ruimtelijke onderbouwing. In deze onderbouwing wordt voorts verwezen naar de parkeerbalans van mei 2008, de luchtrapportage van 16 juni 2008, het windtunnelonderzoek van 16 oktober 2007 en een bezonningsstudie, welke stukken onderdeel uitmaken van de ruimtelijke onderbouwing, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing op dit punt niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. Het betoog faalt.

2.6. De Stichting en anderen betogen verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de archeologische waarden die in de bodem van de projectlocatie aanwezig kunnen zijn. Zij voeren daartoe aan dat het college deze verplichting heeft ingevolge de Monumentenwet 1988 en dat het gezien de nabijheid van enkele locaties van archeologische betekenis vrijwel zeker is dat zich in de bodem archeologische monumenten bevinden.

2.6.1. Het betoog slaagt niet. Zoals reeds overwogen in 2.4.3, zijn geen aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat op het perceel archeologische waarden aanwezig zijn. Ook overigens heeft het college geen aanleiding hoeven zien om in het kader van het besluit op de aanvraag op bouwvergunning archeologisch onderzoek te verrichten. De voorzieningenrechter heeft daarom terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college een dergelijk onderzoek had moeten verrichten.

2.7. De Stichting en anderen betogen dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat de schaduwwerking niet zodanig is dat het college om die reden had moeten afzien van het verlenen van vrijstelling, heeft miskend dat het effect van de schaduwwerking van het te realiseren gebouw voor de naastgelegen schoolgebouwen aanzienlijk is omdat de schaduw in de gehele periode vanaf het najaar tot en met het voorjaar over de speelplaatsen en een aantal klaslokalen zal vallen en juist dit de belangrijkste periode voor de scholen en het kinderdagverblijf is.

2.7.1. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.7.2. Uit de aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegde in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen bezonningsstudie blijkt dat het realiseren van het bouwplan voor het - op een afstand van 12 m - naastgelegen gebouw, waarin onder meer scholen en een kinderdagverblijf zijn gevestigd, schaduwhinder mee zal brengen. In de maanden oktober tot en met februari zal in de ochtenduren geheel en in de middaguren deels schaduw op de speelplaats van de scholen op het dak vallen, en zal de speelplek van het kinderdagverblijf in de middaguren in de schaduw liggen. Voorts zullen in deze periode enkele klaslokalen een deel van de dag in de schaduw liggen. In de maanden maart tot en met september zal het te realiseren gebouw voor de speelplaats op het dak geen en voor de speelplek van het kinderdagverblijf geringe schaduw meebrengen. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de te verwachten schaduwhinder niet dusdanig zal zijn dat het college in redelijkheid geen vrijstelling van het bestemmingsplan had mogen verlenen. Het betoog faalt.

2.8. De Stichting en anderen bestrijden voorts het oordeel van de voorzieningenrechter dat het bouwplan geen onaanvaardbare aantasting van het uitzicht en privacy van [appellanten a] zal meebrengen.

2.8.1. De voorzieningenrechter is gemotiveerd ingegaan op deze aspecten. Aangezien de Stichting en anderen niet hebben onderbouwd waarom dit oordeel van de voorzieningenrechter niet juist is, bestaat geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat van een onaanvaardbare aantasting van uitzicht en privacy geen sprake is. Het betoog slaagt niet.

2.9. De Stichting en anderen betogen voorts dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat uit de door het college gemaakte berekeningen volgt dat het bouwplan niet zal leiden tot het overschrijden van grenswaarden van de Wet milieubeheer, heeft miskend dat het college geen zorgvuldig onderzoek omtrent de luchtkwaliteit ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit tot verlening van vrijstelling. Zij voeren daartoe aan dat onvoldoende is komen vast te staan dat alle verkeersaantrekkende ontwikkelingen in Leidsche Rijn in het gehanteerde verkeersmodel zijn betrokken. Volgens de Stichting en anderen zou in het luchtkwaliteitsonderzoek moeten worden uitgegaan van reële metingen ter plaatse, temeer daar het in Utrecht zeer slecht is gesteld met de luchtkwaliteit. Voorts voeren zij aan dat het onderzoek onvolledig is omdat geen onderzoek is verricht naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit rondom de Pauwoogvlinder. Ten slotte had naar hun mening het college in het kader van de beginselen van een goede ruimtelijke ordening aanvullend onderzoek moeten doen naar de gevolgen van het bouwplan voor de volksgezondheid.

2.9.1. Aan het in bezwaar genomen besluit tot vrijstelling heeft het college mede de "Luchtrapportage 't Zand" van 16 juni 2008 ten grondslag gelegd. Om te voorkomen dat voor elk te realiseren onderdeel in de wijk Het Zand separate luchtkwaliteitsberekeningen moeten worden uitgevoerd, zijn in het rapport de gevolgen van de realisatie van de gehele wijk Het Zand voor de luchtkwaliteit berekend. Bij de berekening van de verkeersintensiteit is uitgegaan van het op 15 januari 2008 door het college vastgesteld verkeersmodel VRU 2.0 UTR 1, waarin alle ruimtelijke relevante ontwikkelingen in Utrecht, waaronder de geplande voorzieningen in Het Zand, zijn opgenomen. Op basis van deze gegevens is een prognose gemaakt voor de verkeersintensiteit in 2010 en 2020. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de Stichting en anderen aangetoond noch aannemelijk gemaakt hebben dat het gehanteerde verkeersmodel van onjuiste gegevens is uitgegaan of anderszins onvolkomenheden bevat, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college het luchtkwaliteitsonderzoek niet mocht baseren op dit verkeersmodel.

Voor de berekening van de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit is gebruik gemaakt van het CAR II-programma, versie 7.0. De conclusie is dat het bouwplan niet zal leiden tot overschrijding van de grenswaarden die in de Wet milieubeheer zijn gesteld voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat aan de Pauwoogvlinder wel sprake zal zijn van een overschrijding van deze grenswaarden, nu uit het onderzoek is gebleken dat het bouwplan op nabij gelegen wegen in de wijk niet zal leiden tot overschrijding van de grenswaarden. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het luchtkwaliteitsonderzoek bij gebreke van een onderzoek naar de luchtkwaliteit rondom de Pauwoogvlinder onvolledig is. Evenmin is in te zien waarom het college in dit verband nader onderzoek had moeten doen naar de effecten van het bouwplan voor de volksgezondheid. Het betoog faalt.

2.10. De Stichting en anderen betogen verder dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat niet aannemelijk is dat het te realiseren fitnesscentrum en horecabedrijf niet kunnen voldoen aan het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit), heeft miskend dat het college door het ontbreken van een akoestisch onderzoek onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat na realisering van het bouwplan ter plaatse sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.10.1. Aan de orde is de vraag of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de vrijstelling niet kan worden verleend, omdat ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de in het Besluit opgenomen geluidvoorschriften. Nu, zoals de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen, niet aannemelijk is geworden dat het horecabedrijf en het sportcentrum niet aan de in het Besluit opgenomen geluidsvoorschriften kunnen voldoen, bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de geluidhinder zodanig zal zijn dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd, zodat het college in de geluidsaspecten geen grond heeft hoeven zien voor het weigeren van de vrijstelling en bestond derhalve evenmin noodzaak voor het college om een akoestisch onderzoek te verrichten. De door de Stichting en anderen aangehaalde uitspraak van 11 november 2009 in zaak nr. 200903383/1 maakt dit niet anders nu daarin niet de vraag aan de orde was of in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan kon worden verleend.

2.11. De Stichting en anderen betogen voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het windklimaat na de realisatie van het bouwplan niet zodanig slecht zal zijn dat dit het college noopte geen gebruik te maken van de vrijstellingsbevoegdheid. In dit verband voeren zij aan dat niet vast staat dat de door het college in dit verband toegezegde windafschermende maatregelen kunnen worden geplaatst. Voorts staat volgens de Stichting en anderen niet vast dat met deze maatregelen een aanvaardbaar windklimaat zal ontstaan en had het derhalve op de weg van het college gelegen dit nader te onderzoeken

2.11.1. Het college heeft aan het in bezwaar genomen besluit tot vrijstelling mede het "Windtunnelonderzoek" van Peutz B.V. van 16 oktober 2007 ten grondslag gelegd. Hieruit volgt dat in het gebied tussen het te realiseren gebouw en het naastgelegen gebouw, waarin het zogenoemde Kindercluster is gevestigd, en in het gebied bij de zuidoost punt van het te realiseren gebouw een matig tot slecht windklimaat wordt verwacht. Dit wordt gezien de bestemming en functie van deze gebieden niet acceptabel geacht. Op de overige meetpunten rondom het bouwplan is het windklimaat wel acceptabel geacht. In het onderzoeksrapport wordt geadviseerd om op de meetpunten waar een matig tot slecht windklimaat is te verwachten een aantal extra windafschermende maatregelen te treffen in de vorm van een grondlichaam en begroeiing, alsmede (halfdoorlatende) windschermen.

Nu de Stichting en anderen geen deskundigenrapport hebben overgelegd waaruit blijkt dat de door Peutz B.V., een deskundig bureau op onderhavig terrein, aanbevolen maatregelen niet toereikend zijn om tot een aanvaardbaar windklimaat te komen, heeft het college geen reden hoeven zien hiernaar nader onderzoek te doen.

Het college heeft bij besluit van 29 september 2009 besloten de door Peutz B.V. geadviseerde windafschermende maatregelen te realiseren. Ter zitting heeft het college verklaard dat de windafschermende maatregelen ten tijde van de oplevering van het gebouw zullen zijn aangebracht. Nu voorts is komen vast te staan dat de windschermen zullen worden aangebracht ter plaatse van een thans reeds aanwezig hekwerk en de brandweer toestemming heeft gegeven voor het aanbrengen van de geplande voorzieningen, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de door Peutz B.V. aanbevolen maatregelen feitelijk niet kunnen worden gerealiseerd. Het betoog slaagt niet.

2.12. De Stichting en anderen betogen verder dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college het rapport van Grontmij van 26 maart 2009 aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen en dat niet kan worden geoordeeld dat het door het bouwwerk te genereren verkeer zal leiden tot een onaanvaardbare toename van verkeers- en parkeerdruk ter plaatse. Zij voeren daartoe, met verwijzing naar het door hen in beroep overgelegde rapport van Oranjewoud van 28 september 2009, aan dat het college zich bij het berekenen van het benodigde aantal parkeerplaatsen ten onrechte op de op 1 mei 2008 opgestelde notitie "Parkeerbalans omgeving Forum 't Zand" (hierna: notitie) heeft gebaseerd nu hierin onjuiste parkeernormen zijn gehanteerd.

2.12.1. Hoewel de Stichting en anderen terecht hebben aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan hun betoog dat de verkeersaantrekkende werking van het bouwplan tot onacceptabele gevolgen zal leiden voor de reeds bestaande onveilige verkeerssituatie, leidt het om het hierna volgende niet tot het hiermee beoogde doel.

Niet in geschil is dat de huidige verkeerssituatie in de directe omgeving van het perceel problematisch is, met name in de ochtend voor aanvang van de daar aanwezige scholen. Gelet echter op de omvang en functies van dit bouwplan, dat bestaat uit twaalf appartementen, alsmede een restaurant en fitnesscentrum, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat een zodanige toename van het aantal verkeersbewegingen te verwachten is dat het college daarin aanleiding had moeten zien de vrijstelling te weigeren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de door het bouwplan gegenereerde verkeersbewegingen naar verwachting hoofdzakelijk buiten de thans bestaande piekmomenten zullen plaats vinden en derhalve niet is in te zien dat de verkeersaantrekkende werking van het bouwplan ertoe zal leiden dat de verkeerssituatie zodanig verder zal verslechteren dat realisering van het bouwplan onverantwoord is. Voorts wordt in aanmerking genomen dat het college met het oog op de verkeersveiligheid extra verkeersmaatregelen zal treffen, zoals de inrichting van de Pauwoogvlinder en Vogelvlinderweg als 30 km-zone met daarbij behorende verkeerstechnische voorzieningen, het doortrekken van de Vogelvlinderweg en het realiseren van een doorsteek van de Johanniterweg naar het te realiseren gebouw.

2.12.2. Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen heeft het college zich gebaseerd op de notitie. De notitie ziet niet alleen op het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het geplande bouwwerk, maar op de benodigde parkeerruimte voor alle voorziene voorzieningen in de directe omgeving. Volgens de notitie zijn in de omgeving van het perceel 160 parkeerplaatsen nodig. In het rapport van 26 maart 2009 van Grontmij is geconcludeerd dat de door de gemeente Utrecht gehanteerde parkeernormen passend zijn binnen de bandbreedte van de parkeerkencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek en derhalve realistisch. De voorzieningenrechter heeft in het door de Stichting en anderen overgelegde rapport van Oranjewoud terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college bij het vaststellen van de toename van de parkeerbehoefte is uitgegaan van onjuiste parkeernormen. Zoals de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen wordt het verschil van inzicht tussen Grontmij en Oranjewoud veroorzaakt door het verschil in typering van het onderhavig gebied waardoor in de rapporten verschillende parkeerkencijfers worden gehanteerd bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen. Gelet op de ter zitting gegeven nadere onderbouwing van de keuze voor de gebezigde typering schil/overloopgebied, bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat deze typering onjuist is. Het betoog faalt.

2.13. Nu de Stichting en anderen voor het eerst in hoger beroep hebben aangevoerd dat het bouwplan financieel uitvoerbaar, heeft de voorzieningenrechter geen oordeel kunnen geven over dit betoog. Reeds omdat het hoger beroep gericht is tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is om aan te nemen dat de Stichting en anderen dit niet bij de voorzieningenrechter heeft kunnen aanvoeren en zij dit, gelet op de functie van het hoger beroep, hadden behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

2.14. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

163-604.