Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1864

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
201000066/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2009, nr. 7c, heeft de raad het bestemmingsplan "Saxe Gotha" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/345 met annotatie van mr. F. Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000066/1/R3.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Boxmeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2009, nr. 7c, heeft de raad het bestemmingsplan "Saxe Gotha" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2010, waar [appellant A], bijgestaan door ing. R.J.M.B. Derks en drs. S. de Crom van Geling Advies BV, en de raad, vertegenwoordigd door Th.J.M. Fransen en P.F.M. van Hoek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Blijkens de toelichting is het bestemmingsplan "Saxe Gotha" hoofdzakelijk een conserverend plan, waarin het gebruik overeenkomstig de bestaande situatie is bestemd.

2.2. Het beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 1], waarop [appellanten] een varkenshouderij uitoefenen.

2.3. Niet in geschil is dat de varkenshouderij van (de rechtsvoorgangers van) [appellanten] reeds lange tijd op het perceel is gevestigd. In verband met de uitbreiding van het bedrijventerrein Saxe Gotha heeft de gemeente bij overeenkomst van 23 september 1991 (hierna: de koopovereenkomst) het perceel met opstallen gekocht van [appellant B] en zijn echtgenote. Ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst gingen partijen ervan uit dat verkopers een nieuw agrarisch bedrijf zouden oprichten op een in de overeenkomst genoemd perceel. Daartoe werd in de koopovereenkomst onder meer opgenomen dat de gemeente het gekochte pas zou kunnen aanvaarden anderhalf jaar na de datum van het onherroepelijk worden van de bouw- en hinderwetvergunning ten behoeve van de vervangende nieuwbouw op dat perceel. Evenmin is echter in geschil dat door een wijziging van het provinciaal beleid verplaatsing van de varkenshouderij naar het in de koopovereenkomst genoemde perceel niet meer mogelijk is.

Vast staat voorts dat op het perceel ingevolge het vorige bestemmingsplan "Saxe Gotha II", zoals dat op 21 april 1994 door de raad is vastgesteld en op 29 november 1994 door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant is goedgekeurd, de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B1" rustte, dat het gebruik van het perceel als varkenshouderij daarmee niet in overeenstemming was en dat dat gebruik onder het overgangsrecht viel.

2.4. In het bestreden besluit heeft de raad de door [appellanten] ingediende zienswijze ongegrond verklaard op de grond dat onderhandelingen over de bedrijfsverplaatsing nog steeds gaande zijn.

2.5. [appellanten] stellen in beroep dat gedurende de planperiode van het vorige bestemmingsplan geen alternatieve locatie beschikbaar is gekomen en dat de gemeente Boxmeer zich onvoldoende heeft ingespannen om verplaatsing van de varkenshouderij mogelijk te maken. Nu de bestemming ingevolge het vorige bestemmingsplan in de afgelopen achttien jaar niet is gerealiseerd, is het niet realistisch om ervan uit te gaan dat dat in de planperiode van het voorliggende bestemmingsplan wel zal gebeuren. Nu voorts de in de koopovereenkomst genoemde locatie niet meer beschikbaar is, mag de varkenshouderij volgens die overeenkomst op de huidige locatie worden voortgezet. Aangezien echter het gebruik van het perceel in strijd was met het vorige plan valt het niet meer onder het overgangsrecht en is de exploitatie van de varkenshouderij dus in strijd met het voorliggende plan, aldus [appellanten]. Ook hebben zij schade geleden omdat ze achttien jaar lang niet in de varkenshouderij hebben kunnen investeren en daardoor zijn beperkt in hun bedrijfsvoering.

2.5.1. Ingevolge artikel 16.1 van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge artikel 16.4 is het eerste lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldend bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.5.2. Nu het gebruik van het perceel als varkenshouderij ingevolge het vorige bestemmingsplan onder het overgangsrecht viel, mag dat gebruik ingevolge artikel 16.1 van de planregels worden voortgezet zodat de exploitatie van de varkenshouderij - anders dan [appellanten] stellen - niet in strijd is met het voorliggende plan en daartegen niet handhavend kan worden opgetreden.

Overgangsrecht is echter, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 november 2004 in zaak nr. 200306936/1) niet bedoeld voor gebruik dat niet binnen de planperiode zal worden beëindigd. Dit brengt met zich dat gebruik dat reeds onder het overgangsrecht van het vorige plan viel, in beginsel niet opnieuw onder het overgangsrecht mag worden gebracht. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 mei 2010 in zaak nr. 200904762/1/R3; www.raadvanstate.nl) kan onder omstandigheden het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van het bestaande gebruik van een perceel aanvaardbaar zijn. Daarvoor is in ieder geval vereist dat voldoende aannemelijk is dat deze vorm van gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd.

Ter zitting hebben [appellanten] te kennen gegeven dat zij nog steeds de voorkeur geven aan verplaatsing van het bedrijf, doch dat zij vrezen dat een verplaatsing in de komende planperiode niet gerealiseerd zal kunnen worden. Zij hebben er daarbij op gewezen dat bij de provincie nieuw beleid in ontwikkeling is dat nieuwvestiging van bedrijven als het hare niet langer toestaat.

De raad heeft ter zitting nader toegelicht dat hij voortzetting van de exploitatie van het bedrijf op het bedrijventerrein Saxe Gotha onwenselijk acht en dat het bedrijf kan worden verplaatst naar het begin 2007 door [appellanten] aangekochte het perceel [locatie 2] te [plaats], dat is gelegen in het landbouwontwikkelingsgebied Overloonsche Vlak. Onderhandelingen over een voor alle partijen aanvaardbaar bouwblok op dat perceel zijn nog gaande. Voorts zijn er, indien verplaatsing naar het perceel [locatie 2] niet lukt, ook andere voor het bedrijf geschikte locaties in het landbouwontwikkelingsgebied. Uit overleg de met provincie is de raad voorts gebleken dat het nieuwe beleid zal voorzien in een regeling voor bestaande gevallen, waar de bedrijfsverplaatsing van [appellanten] onder zal worden begrepen, zodat dit beleid niet aan de verplaatsing in de weg zal staan. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de gemeente, omdat [appellanten] hun bedrijf op het inmiddels aan de gemeente in eigendom toebehorende perceel exploiteren op grond van een overeenkomst, zo nodig de civielrechtelijke weg kan bewandelen om het bestaande gebruik van het perceel te beëindigen, acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat de bedrijfsactiviteiten van [appellanten] op het perceel in de loop van de planperiode zullen worden beëindigd. Nu de raad zich voorts in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat positief bestemmen van het bestaande gebruik van het perceel op ruimtelijke gronden ongewenst is omdat het perceel is gelegen op een bedrijventerrein, heeft hij het bestaande gebruik van het perceel in redelijkheid opnieuw onder het overgangsrecht kunnen brengen.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Mathot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

413.