Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1862

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
201003344/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Herziening Agrarische Buitengebied Omgeving Hessenweg 135-137" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003344/2/R2.

Datum uitspraak: 12 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

Belangenvereniging Buitengebied Overwoud bij Lunteren, gevestigd te Lunteren, gemeente Ede,

verzoeker,

en

de raad van de gemeente Ede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Herziening Agrarische Buitengebied Omgeving Hessenweg 135-137" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de belangenvereniging (hierna: de vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2010, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft de belangenvereniging de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 juni 2010, waar de vereniging, vertegenwoordigd door mr. T.J.P. Grünbauer, advocaat te Ede, en [voorzitter], en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Verbeek en G.J. Jonlink, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De voorzitter ziet in hetgeen door de raad naar voren is gebracht omtrent het indienen van beroep door de leden van de vereniging en het indienen van zienswijzen door deze leden als natuurlijk persoon vooralsnog geen belemmering voor de ontvankelijkheid in de bodemprocedure.

2.3. Het bestemmingsplan maakt de vestiging van twee nieuwe kalverhouderijen mogelijk met een omvang van 1200-1500 kalveren, waardoor aan de locatie Hessenweg 135-137 in totaal drie kalverhouderijen mogelijk zijn. Ingevolge het vigerende plan is al één kalverhouderij mogelijk. De omvang van de bedrijven mag gezamenlijk niet meer dan 7500 m2 bedragen.

2.4. In hetgeen de vereniging naar voren heeft gebracht omtrent de reconstructieplannen Veluwe en Gelderse Vallei/Utrecht bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand blijft. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat niet is gebleken dat de vestiging van de kalverhouderijen in het plangebied zich niet verdraagt met het hier geldende reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht. Dat het deels om een verplaatsing gaat van kalverhouderijen uit het gebied waar het reconstructieplan Veluwe geldt, leidt vooralsnog niet tot het oordeel dat het plan zich niet verdraagt met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht. Het betoog dat de raad heeft miskend dat het gaat om één inrichting van industriële veehouderij en dat gelet hierop de bedrijven zouden moeten worden verplaatst naar de twee geclusterde vestigingslocaties zoals die in het reconstructieplan Gelderse Vallei/Urecht zijn aangewezen, slaagt vooralsnog evenmin. Het standpunt van de raad dat er onvoldoende onderlinge technische organisatorische en/of functionele bindingen zijn om te speken van één inrichting heeft de belangenvereniging niet gemotiveerd weersproken.

2.5. Ook in hetgeen is betoogd omtrent de verkeerstechnische gevolgen van het bestemmingsplan, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat onderzoek is gedaan naar de verkeersbewegingen die de nieuw te vestigen bedrijven teweeg zullen brengen. De voorzitter heeft vooralsnog niet kunnen vaststellen dat gelet op de uitkomsten van dit onderzoek de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wegenstructuur in de omgeving van de kalverhouderijen in staat is het verkeer in het buitengebied op te vangen.

2.6. Hetgeen is betoogd omtrent de Natuurbeschermingswet en de ammoniakdepositie op de omgeving, geeft evenmin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening omdat op het moment dat het bestemmingspan werd vastgesteld er vergunningen op grond van de Natuurbeschermingswet waren verleend.

2.7. De vereniging heeft vooralsnog tevergeefs betoogd dat de financiële haalbaarheid aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de raad heeft aangegeven dat er ter zake van de grondexploitatie een anterieure overeenkomst is gesloten.

2.8. Naar het oordeel van de voorzitter leent de onderhavige procedure zich verder niet voor een diepgaand onderzoek naar de overige beroepsgronden die de belangenvereniging heeft aangevoerd. Ook deze dienen door de Afdeling in de bodemprocedure te worden onderzocht.

Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat - anders dan de vereniging heeft aangevoerd - de woning van [persoon] vooralsnog niet in de weg zal staan aan het uiteindelijk realiseren van de kalverhouderijen vanwege geurhinderaspecten. Daarbij heeft de voorzitter van belang geacht dat die woning op ongeveer dezelfde afstand van de te realiseren bedrijven ligt als de bij het geuronderzoek betrokken woning [locatie A].

2.9. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Sloten w.g. Ouwehand

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2010

224.