Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1171

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
201002662/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kortsluitingsbevoegdheid / nog geen gronden van beroep / ten onrechte kortgesloten

Door niet slechts uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening maar tevens toepassing te geven aan artikel 8:86, van de Awb, terwijl de vreemdeling nog geen beroepsgronden had ingediend en haar – nog – geen termijn was geboden dat verzuim te herstellen, heeft de voorzieningenrechter, gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval, ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 8:86 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/322
JB 2010/214 met annotatie van A.M.M.M. Bots
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002662/1/V2.

Datum uitspraak: 6 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) van 17 februari 2010 in zaak nrs. 10/4430 en 09/38180 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris).

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2009 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 maart 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Gezien de korte termijn tussen het besluit op bezwaar van 28 januari 2010 en de behandeling ter zitting op 4 februari 2010 van haar verzoek om een voorlopige voorziening te treffen hangende de bezwaarfase, de omstandigheid dat nog slechts sprake was van een pro forma-beroepschrift en haar nog geen termijn was gesteld de beroepsgronden aan te vullen, heeft de voorzieningenrechter ten onrechte geoordeeld dat nader onderzoek rederlijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, aldus de vreemdeling.

2.1.1. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, bevat het beroepschrift de gronden van het beroep.

Ingevolge artikel 6:6, van de Awb, voor zover van belang, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover hier van belang, bedraagt, in afwijking van artikel 6:7 van de Awb, de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken.

2.1.2. Op 27 oktober 2009 heeft de vreemdeling bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 oktober 2009 waarbij de aanvraag om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, is afgewezen. Op dezelfde dag heeft zij een verzoek als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, ingediend. Bij brief van 11 januari 2010 heeft de griffier van de rechtbank de vreemdeling laten weten dat het verzoek op 4 februari 2010 door de rechtbank ter zitting zal worden behandeld. Op 28 januari 2010 heeft de staatssecretaris het besluit op bezwaar genomen. Op 3 februari 2010 heeft de vreemdeling beroep op nader aan te voeren gronden ingesteld tegen dit besluit en daarbij verzocht om uitstel van de zitting opdat zij de beroepsgronden kon indienen; tevens heeft zij laten weten ter zitting niet aanwezig te zijn. In de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het op 27 oktober 2009 ingediende verzoek ingevolge artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb, gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank, dit verzoek afgewezen en met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, het beroep ongegrond verklaard.

2.1.3. Door niet slechts uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening maar tevens toepassing te geven aan artikel 8:86, van de Awb, terwijl de vreemdeling nog geen beroepsgronden had ingediend en haar – nog – geen termijn was geboden dat verzuim te herstellen, heeft de voorzieningenrechter, gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval, ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 8:86 van de Awb.

De grief slaagt.

2.2. Gelet hierop behoeft hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd geen bespreking. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.3. De Afdeling zal de beslissing omtrent de proceskosten in hoger beroep reserveren tot de einduitspraak van de rechtbank die ook over deze proceskosten zal dienen te oordelen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de

rechtbank 's-Gravenhage van 17 februari 2010 in zaak

nr. 10/4430;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het

hoger beroep opgekomen kosten vast op € 437,00 (zegge:

vierhonderdzevenendertig euro) en bepaalt dat de rechtbank beslist

omtrent de vergoeding van deze kosten;

V. gelast dat de minister van Justitie aan de vreemdeling het door haar

betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge:

tweehonderdvierentwintig euro) voor de behandeling van het hoger

beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B. van Wagtendonk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Wolff

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010

238.

Verzonden: 6 juli 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser