Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1170

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200907842/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn / reguliere zaak / toekenning schadevergoeding

Aangezien sinds de ontvangst van de brief van 25 augustus 2003 ten tijde van deze uitspraak zes jaar en ruim negen maanden zijn verstreken en, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1; www.raadvanstate.nl), in zaken zoals deze in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk is te achten, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn die, gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van de vreemdeling gedurende de gehele procesgang en de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, niet gerechtvaardigd is.

Nu de overschrijding van een jaar en ruim negen maanden volledig aan het bestuursorgaan is te wijten, ziet de Afdeling aanleiding de minister van Justitie, met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 88, eerste lid, van de Vw 2000, te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.000,00 aan de vreemdeling, als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907842/1/V1.

Datum uitspraak: 30 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, (hierna: de rechtbank) van 9 oktober 2009 in zaak nr. 08/41091 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris).

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2002 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voor zover thans van belang, geweigerd om de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij brief van 25 augustus 2003 heeft de vreemdeling zich bij de minister als schrijnend geval aangemeld.

Bij brief van 1 december 2003 heeft de minister aan de vreemdeling medegedeeld dat de brief van 25 augustus 2003 wordt betrokken bij de verdere besluitvorming in de verblijfsprocedure.

Bij besluit van 18 november 2008 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling tegen het besluit van 12 september 2002 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij dit besluit is de inhoud van de brief van 25 augustus 2003 betrokken. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 oktober 2009, verzonden op 12 oktober 2009, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen in het hoger-beroepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.2. De vreemdeling heeft tevens verzocht om vergoeding van de immateriële schade die zij heeft geleden, omdat de procedure niet binnen een redelijke termijn is afgerond.

2.2.1. Aangezien sinds de ontvangst van de brief van 25 augustus 2003 ten tijde van deze uitspraak zes jaar en ruim negen maanden zijn verstreken en, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1; www.raadvanstate.nl), in zaken zoals deze in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk is te achten, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn die, gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van de vreemdeling gedurende de gehele procesgang en de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, niet gerechtvaardigd is.

Nu de overschrijding van een jaar en ruim negen maanden volledig aan het bestuursorgaan is te wijten, ziet de Afdeling aanleiding de minister van Justitie, met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 88, eerste lid, van de Vw 2000, te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.000,00 aan de vreemdeling, als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade.

2.3. Uit hetgeen hiervoor onder 2.1. is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. De minister van Justitie dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Justitie om aan de vreemdeling te betalen een vergoeding van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

III. veroordeelt de minister van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de minister van Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon van Rooij, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Oudeboon-van Rooij

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010

487.

Verzonden: 30 juni 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser