Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1157

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200908654/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2008, verzonden op 26 februari 2008, heeft het college een verzoek van [appellant] om nadeelcompensatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2010/157 met annotatie van J.W. van Zundert
OGR-Updates.nl 10-149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908654/1/H2.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Ooststellingwerf,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 30 september 2009 in zaak nr. 08/1079 in het geding tussen:

[appellant]

en

1. de raad van de gemeente Ooststellingwerf,

2. het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2008, verzonden op 26 februari 2008, heeft het college een verzoek van [appellant] om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 19 februari 2008, verzonden op 26 februari 2008 heeft de raad aan [appellant] € 19.500,00, vermeerderd met wettelijke rente, ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij brief van 3 april 2008 heeft [appellant] bezwaar gemaakt.

[appellant] heeft het college en de raad verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het college en de raad hebben ingestemd met dat verzoek en de bezwaarschriften met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.

Bij uitspraak van 30 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het als beroep behandelde bezwaar tegen het besluit van de raad gegrond verklaard, dat besluit gedeeltelijk vernietigd, zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep tegen het besluit van het college op het verzoek om vergoeding van schade ten gevolge van door [appellant] ondervonden tijdelijke overlast en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 december 2009.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2010, waar [appellant] in persoon en bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A.W. van Engen, en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. G.J. Koetsier, ambtenaar in dienst van de gemeente, vergezeld van mr. A.A.M. Bruggeman, werkzaam bij de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), zijn verschenen.

2. Overwegingen

Planschade

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals deze wet en dit artikel luidde ten tijde hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan of een besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.1. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van het oude planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd en na de planologische maatregel maximaal kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.1.2. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van de waardevermindering van het aan hem toebehorende perceel met woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ten gevolge van, voor zover thans van belang, het bestemmingsplan "Appelscha-Boerestreek 1996" en twee krachtens artikel 19 WRO genomen vrijstellingsbesluiten van 6 november 2001.

2.2. Het bestemmingsplan "Appelscha Boerestreek 1996" is op 16 december 1997 vastgesteld door de raad en grotendeels goedgekeurd door gedeputeerde staten van Friesland op 7 juli 1998. De Afdeling heeft bij uitspraak van 28 april 2000 in zaak nr. E01.98.0515 het besluit van gedeputeerde staten vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring was verleend aan, voor zover thans van belang, de bestemming "Recreatieve doeleinden -Ra".

Het plan kent aan de gronden direct ten zuiden van het perceel de bestemming "Verkeersdoeleinden -V en Vp-" toe, aan de gronden vanaf 35 m ten zuidwesten van de woning van [appellant] de bestemming "Maatschappelijke doeleinden -Ga-" en aan de gronden vanaf ongeveer 43 m ten zuidwesten van de woning van [appellant] de bestemming "Recreatieve doeleinden -Rv-".

2.2.1. Voor de gronden op 18 tot 70 m afstand ten westen en noordwesten van de woning van [appellant] gold en geldt het op 24 november 1989 door de raad vastgestelde en op 28 maart 1990 door gedeputeerde staten goedgekeurde bestemmingsplan "Appelscha (herziening 1988)", dat daaraan de bestemming "agrarische doeleinden, categorie AG" toekende.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met de daarbij behorende agrarische bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning, bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken.

Ingevolge het tweede lid, onder a, mogen gebouwen uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken worden gebouwd.

Ingevolge het zevende lid zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van, voor zover thans van belang, het bepaalde in het tweede lid, onder a, voor de bouw van kassen, mits de hoogte niet meer dan 5 m zal bedragen en de oppervlakte niet meer dan 150 m².

Ingevolge het achtste lid worden vrijstellingen slechts verleend indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de agrarische gebruiksmogelijkheden van het gebied.

2.2.2. Voor de gronden op een afstand van ongeveer 70 m en verder ten noordwesten en noorden van de woning gold voorheen het door de raad op 20 juni 1977 vastgestelde en door gedeputeerde staten op 22 augustus 1978 grotendeels goedgekeurde bestemmingsplan "Buitengebied", dat daaraan de bestemming "agrarische doeleinden (agrarisch gebied met landschappelijke waarde)" toekende.

2.2.3. De raad heeft aan het besluit van 19 februari 2008 een advies van de SAOZ van januari 2008 ten grondslag gelegd. Volgens de raad behelst het nieuwe bestemmingsplan een verandering van een omgeving met een overwegend agrarisch karakter ten noorden en westen van de woning van [appellant], in een omgeving waarin een parkeerterrein met verbindingsweg naar de Wester Es/Bruggelaan en een wandelboulevard naar de Boerestreek zijn gerealiseerd. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant] door deze planwijziging niet in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren. Het nieuwe bestemmingsplan heeft volgens de raad geen vermindering van het uitzicht vanuit de woning en tuin van [appellant] tot gevolg. Verder is het mogelijk gemaakte parkeerterrein bedoeld voor het daarachter gelegen attractiepark, maar is de recreatieve functie aldaar in planologisch opzicht nog niet toegestaan, zodat nog geen sprake is van een zodanige verkeer- en geluidshinder vanwege dit terrein, dat dit ook op het perceel van [appellant] merkbaar is. De afstand van het perceel van [appellant] en de mogelijk gemaakte wandelboulevard is voorts dusdanig groot dat niet aannemelijk is dat hij hiervan overlast zal ondervinden, aldus de raad.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het nieuwe bestemmingsplan geen vermindering van het uitzicht vanuit zijn woning en tuin tot gevolg heeft. [appellant] stelt dat de raad bij de planvergelijking ten onrechte de mogelijkheid onder het oude planologische regime heeft betrokken om op de gronden achter zijn perceel kassen te bouwen.

2.3.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het nieuwe bestemmingsplan geen vermindering van het uitzicht vanuit de woning en tuin van [appellant] tot gevolg heeft, onder meer omdat planologische gezien geen sprake was en is van vrij uitzicht. De raad heeft daartoe onder meer van belang geacht dat vanaf 18 m tot ongeveer 70 m ten noordwesten en westen van zijn woning kassen konden en kunnen worden gebouwd, met een hoogte van maximaal 5 m en een oppervlakte van maximaal 150 m², die het uitzicht vanuit zijn woning en tuin konden belemmeren.

De stelling van [appellant] dat de bouw van kassen op de gronden achter zijn woning onder het oude planologische regime niet mogelijk was vanwege de omvang van het gebied mist, gelet op de destijds geldende bebouwingsvoorschriften en de plankaart, feitelijke grondslag.

Zoals hiervoor onder 2.1.1. is overwogen, dient bij de planvergelijking te worden uitgegaan van de maximale bouw- en gebruiksmogelijkheden onder het oude en nieuwe planologische regime waarbij, anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt, de feitelijke situatie, zoals het ontbreken van infrastructuur, ontsluitingswegen en nutsvoorzieningen, niet relevant is.

[appellant] heeft zijn stelling dat milieuwetgeving aan de bouw van kassen op korte afstand van woningen in de weg stond, niet nader toegelicht. De enkele stelling van [appellant] dat de betreffende gronden niet geschikt waren voor de bouw van kassen, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dat een belangenafweging tot gevolg zou hebben dat het college van de in artikel 28, zevende lid, van de planvoorschriften neergelegde vrijstellingsbevoegdheid geen gebruik zou hebben gemaakt. Afgezien daarvan heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat ook de mogelijkheid bestond om op de betreffende gronden andere bouwwerken op te richten, met een maximale hoogte van 10 m, die het uitzicht vanuit zijn woning en tuin ook konden belemmeren.

Het betoog faalt.

2.4. De vrijstellingsbesluiten van 6 november 2001 zijn genomen om het plaatsen van diverse attractietoestellen, de bouw van enkele gebouwen en een hoofdgebouw met diverse functies ten dienste van een attractiepark, gelegen op het perceel aan de [locatie a] te [plaats], te kunnen vergunnen. Het hoofdgebouw heeft een hoogte van ongeveer 7 m en een oppervlakte van ongeveer 3.600 m² en is gelegen op een afstand van ongeveer 170 m ten noordwesten van de woning van [appellant].

2.4.1. De raad heeft zich in het besluit van 19 februari 2008 op advies van de SAOZ van januari 2008 op het standpunt gesteld dat [appellant] door de vrijstellingsbesluiten in een nadeliger situatie is komen te verkeren. Deze besluiten leiden tot een verandering van een omgeving met een overwegend agrarisch karakter verder ten noorden van de woning, in een omgeving waarin een attractiepark met parkeerterrein, hoofdgebouw en verbindingsweg en wandelboulevard ten westen van de woning konden worden en zijn gerealiseerd. Volgens de raad heeft dit een toename van hinder van geluid, stank en verkeer voor [appellant] en een aangetaste ligging van zijn woning tot gevolg. De raad heeft gesteld dat de waarde van het perceel op peildatum 7 december 2001 vóór de planologische wijzigingen € 420.000,00 bedraagt en daarna € 400.500,00, zodat de schade € 19.500,00, vermeerderd met wettelijke rente, bedraagt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van de raad van 26 februari 2008 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, omdat de raad bij het bepalen van de toename van de geluidhinder heeft nagelaten het geluidsniveau vóór en na de planologische wijzigingen vast te stellen.

2.5.1. Zoals hiervoor onder 2.1.1. is overwogen, diende bij de planvergelijking te worden uitgegaan van de maximale bouw- en gebruiksmogelijkheden onder het oude en nieuwe planologische regime waarbij de feitelijke situatie, zoals het feitelijke geluidsniveau niet relevant is.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door de SOAZ gestelde planschade van € 19.500,00 reëel is te achten. Hij voert aan dat de planologische wijzigingen een dermate grote aantasting van de kwaliteit van zijn woonomgeving betekenen, dat niet een schadevergoedingspercentage van 4,6 van de waarde in de oude planologische situatie, maar van minimaal 10 passend is. [appellant] verwijst hiertoe naar een rapport van 26 november 2009 van H. Aardema van aaRA rentmeesters & makelaars.

2.6.1. De SAOZ heeft in haar advies gemotiveerd aangegeven dat een als "enigszins nadelig", "zwaar", en"bovenmatig zwaar" te kwalificeren inbreuk op het woongenot globaal vertaald kan worden in een waardevermindering van 1 tot 5%, 5 tot 10%, onderscheidenlijk 10%. De SOAZ heeft de onderhavige aantasting gekwalificeerd als "betrekkelijk zwaar", hetgeen op het grensvlak ligt tussen "enigszins nadelig" en "zwaar". De SAOZ heeft daartoe van belang mogen achten dat de gebruiksintensiteit van de gronden ten behoeve van het attractiepark en bijbehorende infrastructuur door de vrijstellingsbesluiten toenemen, waardoor sprake zal zijn van een toename van hinder van geluid en stank en een aantasting van het omgevingskarakter. De SAOZ heeft daartoe eveneens van belang mogen achten dat het uitzicht vanuit de woning en tuin van [appellant] door de vrijstellingsbesluiten niet is verminderd, omdat ook in de oude situatie in planologische opzicht geen sprake was van vrij uitzicht. In die situatie was immers vanaf circa 18 m van het perceel agrarische bebouwing mogelijk terwijl thans het hoofdgebouw op 170 m en verder van het perceel van [appellant] verwijderd ligt en de kiosken en de muziekkoepel zich op 43 m en verder bevinden.

Het rapport van Aardema biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het aan het besluit van 19 februari 2008 ten grondslag liggende advies van de SAOZ onjuist is. Voor zover het rapport van Aardema uitgaat van een schadevergoedingspercentage van 10, is dat gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat de realisatie van kassen achter het perceel onder het oude planologische regime niet mogelijk was. Aardema heeft verder berekeningen gemaakt van de waardevermindering van de woning met en zonder de eventuele aanwezigheid van kassen achter het perceel, doch heeft daarbij, zoals de SAOZ in een nader advies van 20 januari 2010 aan de raad gemotiveerd heeft aangegeven, de waarde van de woning in de oude situatie zowel met als zonder de aanwezigheid van de kassen op eenzelfde bedrag getaxeerd, hetgeen niet reëel is.

Het betoog faalt.

2.7. Anders dan [appellant] verder aanvoert, heeft de rechtbank zijn betoog dat de raad er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat hij reeds vóór de inwerkingtreding van de vrijstellingsbesluiten schade heeft geleden ten gevolge van handelingen ter voorbereiding van de planologische realisering van het attractiepark en de feitelijke realisering ervan, terecht niet gevolgd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 10 mei 2006 in zaak nr. 200506631/1) biedt artikel 49 van de WRO uitsluitend grondslag voor vergoeding van schade ten gevolge van een planologische maatregel nadat die maatregel rechtskracht heeft gekregen. De schade geleden voordat de schadetoebrengende planologische verandering rechtskracht heeft gekregen komt dan ook op grond van dat artikel niet voor vergoeding in aanmerking.

Ook dit betoog faalt.

Nadeelcompensatie

2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn verzoek om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen.

2.8.1. Voor zover [appellant] heeft verzocht om nadeelcompensatie vanwege door hem ondervonden tijdelijke overlast van bouwwerkzaamheden ter uitvoering van het nieuwe bestemmingsplan en de vrijstellingsbesluiten, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de gestelde schadeoorzaak bestaat uit feitelijk handelen en/ of nalaten, waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat. De rechtbank heeft zich terecht onbevoegd geacht om kennis te nemen van het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ten gevolge van die oorzaak opgekomen schade te vergoeden.

Het betoog faalt in zoverre.

2.8.2. [appellant] heeft verder verzocht om nadeelcompensatie vanwege door hem ondervonden hinder van diverse feitelijke werkzaamheden die ten behoeve van het attractiepark zijn vergund, te weten:

- een besluit van 19 maart 2002, waarbij een vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de Kansspelen is verleend;

- een besluit van 19 maart 2002, waarbij een exploitatievergunning voor een speelautomaat is verleend;

- een besluit van 20 maart 2002, waarbij een gebruiksvergunning voor het hoofdgebouw van het attractiepark is verleend;

- een besluit van 25 september 2003, waarbij vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet is verleend voor een horeca-inrichting met terras;

- een besluit van 17 april 2002 krachtens de Wegenverkeerswet 1994, waarbij besloten is van de toegangsweg vanaf de Boerestreek naar het attractiepark een voetgangersgebied te maken.

2.8.3. Het nieuwe bestemmingsplan en de vrijstellingsbesluiten van 6 november 2001 voorzien onder meer in de realisatie van een parkeerterrein met verbindingsweg naar de Wester Es/Bruggelaan, een wandelboulevard naar de Boerestreek en het gebruik van het perceel aan de [locatie a] als attractiepark. De hiervoor onder 2.8.2. vermelde vergunningen zijn verleend om dit gebruik feitelijk te kunnen realiseren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de gestelde schade niet als een direct gevolg van de planologische wijzigingen behoort te worden aangemerkt, zodat het college het verzoek om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen.

Het betoog faalt ook overigens.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

344.