Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1155

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200908655/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het college een verzoek van [wederpartijen] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908655/1/H2.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 oktober 2009 in zaak nr. 09/686 in het geding tussen:

[wederpartijen]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het college een verzoek van [wederpartijen] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 7 april 2009 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 december 2009.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.H. Siega-Gulikers, ambtenaar in dienst van de gemeente, vergezeld van [directeur] van de Johan van Oldenbarnevelt Stichting, en [wederpartijen], bijgestaan door mr. J. In 't Ven, advocaat te Kerkrade, vergezeld van mr. E.J.J.P. Engels, werkzaam bij adviesbureau Ruimte in Advies, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dit gold ten tijde hier van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [wederpartijen], sinds 1971 eigenaren van het perceel met woning aan de [locatie] te [plaats], hebben verzocht om vergoeding van de waardevermindering van hun perceel en woning door, voor zover thans van belang, de vaststelling op 3 november 2005 van het bestemmingsplan "Buitengebied Echt", goedgekeurd door gedeputeerde staten van Limburg op 13 juni 2006. Dit plan geeft aan het westelijk deel van hun perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" en aan het oostelijk deel de bestemming "Burgerwoningen".

2.2.1. Voorheen gold voor het westelijk en zuidelijk deel van het perceel het op 29 oktober 1953 door de raad van de toenmalige gemeente Echt vastgestelde bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in hoofdzaak", goedgekeurd door gedeputeerde staten op 29 november 1954, dat daaraan de bestemming "Industrie" toekende.

Voor het noordoostelijk deel van het perceel gold het op 31 augustus 1982 door de raad van de toenmalige gemeente Echt vastgestelde bestemmingplan "Buitengebied", gedeeltelijk goedgekeurd door gedeputeerde staten op 29 november 1983, dat daaraan de bestemming "Woondoeleinden (W)" toekende.

2.2.2. Het college heeft aan het besluit van 7 april 2009 een advies van de commissie bezwaarschriften ten grondslag gelegd, dat deels aansluit bij aan het college uitgebrachte adviezen van de Johan van Oldenbarnevelt Stichting (hierna: de JvO) van 13 augustus en 30 december 2008. Het college heeft zich, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat [wederpartijen] door het vervallen van de industriële bouwmogelijkheden in een planologisch nadeliger situatie zijn komen te verkeren. De hieruit voortvloeiende schade dient volgens het college redelijkerwijs te hunner laste te blijven, omdat de voortekenen van de voor hun nadelige planwijzigingen reeds sinds enige tijd voorzienbaar waren en derhalve voor hun aanleiding bestond om daarmee rekening te houden. Volgens het college hebben zij niet tijdig concrete pogingen ondernomen om de onder het oude planologische regime bestaande bouwmogelijkheden te benutten en aldus het risico dat die wijzigingen zouden plaatsvinden aanvaard.

2.2.3. De rechtbank heeft dit besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd, omdat het daarin ingenomen standpunt over de voorzienbaarheid van de planologische wijzigingen niet overeenstemt met het in het verweerschrift en ter zitting door het college daarover ingenomen standpunt.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich eerst in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat de planologische wijzigingen vanaf 2001 voorzienbaar waren.

2.3.1. Volgens de conclusie van een aan het college uitgebrachte advies van de commissie bezwaarschriften waren de planologische wijzigingen voorzienbaar na de ter visie legging op 22 januari 2004 van het voorontwerp van dit plan. Volgens deze commissie waren de planologische wijzigingen bovendien voorzienbaar op grond van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2001 (hierna: het POL 2001). Het college heeft dit advies aan het besluit van 7 april 2009 ten grondslag gelegd en daarbij nogmaals uitdrukkelijk gewezen op de voorzienbaarheid van de planologische wijzigingen op grond van het POL 2001.

De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat het college zich in het besluit van 7 april 2009 niet op het standpunt heeft gesteld dat de planologische wijzigingen vanaf 2001 voorzienbaar waren en heeft het besluit derhalve ten onrechte om die reden vernietigd. Voor zover het college ter zitting bij de rechtbank heeft toegelicht dat de planologische wijzigingen ook op grond van andere beleidsdocumenten voorzienbaar waren en heeft gesteld dat [wederpartijen] sinds 1971 de mogelijkheid hebben gehad om de industriële bestemming op hun perceel te verwezenlijken, biedt dat geen grond voor het oordeel dat het college aldus het in het besluit van 7 april 2009 ingenomen standpunt over de voorzienbaarheid op grond van het POL 2001 heeft verlaten.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. Hetgeen het college overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.

2.5. Aan een bespreking van hetgeen [wederpartijen] hebben betoogd met betrekking tot procedurele gebreken, wordt niet toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen, zodat te dien aanzien van de onaantastbaarheid van het door de rechtbank gegeven oordeel moet worden uitgegaan. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.6. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van aanvaarding door [wederpartijen] van het risico dat de bouwmogelijkheden op hun perceel zouden kunnen vervallen, is van belang of de voortekenen van de nadelige planwijziging ten tijde van belang zichtbaar waren. Om risicoaanvaarding te mogen aannemen is het, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 mei 2000 in zaak nr. 199902237/1; BR 2001, 228), voldoende dat er, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in negatieve zin zou veranderen. Daarbij is van belang of concrete beleidsvoornemens bestonden die openbaar zijn gemaakt.

2.6.1. Op 29 juni 2001 hebben Provinciale Staten van Limburg het POL 2001 vastgesteld. Het POL 2001 behelst een integraal plan voor het omgevingsbeleid voor het grondgebied van de provincie Limburg. Het op de bijbehorende perspectievenkaart aangeduide gebied "Vitaal landelijk gebied (P4)" ligt buiten de grens van de stedelijke dynamiek die op de kaart met een paarse contour is gemarkeerd. In het POL 2001 staat vermeld dat gebiedsperspectief P4 betrekking heeft op landbouwgebieden met een grote variatie aan landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Dit perspectief richt zich primair op bescherming van de aanwezige waarden in samenhang met kwaliteitsverbetering van vooral bestaande landbouw- en toeristische bedrijven. Het beleid is gericht op versterking van de kwaliteit en identiteit van het landelijk gebied. De provincie richt zich op het toezien op de bescherming van de omgevingskwaliteiten, het terugdringen van de verstening en de belasting van bodem, water en lucht, aldus het POL 2001.

2.6.2. Het ontwerp POL 2001 is begin 2001 ter inzage gelegd bij de gemeentehuizen en het provinciehuis van Limburg en was vanaf dat moment derhalve voor [wederpartijen] kenbaar.

Anders dan [wederpartijen] stellen, is de grens van gebiedsperspectief P4 op de kaart ter plaatse van hun perceel voldoende duidelijk gemarkeerd. De Afdeling heeft ter zitting vastgesteld dat de grens van de stedelijke dynamiek, op de kaart aangeduid met een paarse contour, voor zover thans van belang, op de Palmbrugweg ligt, dat hun perceel buiten deze grens ligt en derhalve geheel in gebiedsperspectief P4. De ligging van het perceel in dit gebiedsperspectief betekende onder meer dat eventuele plannen moeten leiden tot minder verstening en milieubelasting, zodat voor [wederpartijen] duidelijk kon zijn dat nieuwe bedrijfsmatige industriële ontwikkelingen aldaar derhalve niet gewenst waren.

Voor zover [wederpartijen] stellen dat nabij hun perceel niettemin industriële ontwikkelingen op gronden met gebiedsperspectief P4 zijn gerealiseerd, betekent dit niet dat zij met de in het POL 2001 gewenste ontwikkelingen geen rekening meer behoefden te houden.

Voor zover [wederpartijen] hebben verwezen naar het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 en de Ecologische hoofdstructuur 2008, wordt overwogen dat deze stukken dateren van na inwerkingtreding van de onderhavige planologische wijzigingen en reeds daarom niet van belang kunnen zijn bij beantwoording van de vraag of de voortekenen van deze wijzigingen reeds enige tijd zichtbaar waren.

Het college heeft het POL 2001 derhalve niet ten onrechte aangemerkt als een concreet beleidsvoornemen, op grond waarvan [wederpartijen] rekening moesten houden met de kans dat planologische situatie van het perceel in voor hun nadelige zin zou veranderen en derhalve voor hun aanleiding bestond daarmee rekening te houden.

De betogen falen.

2.7. Hetgeen [wederpartijen] hebben aangevoerd met betrekking tot het standpunt van het college dat de planologische wijzigingen op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Echt" voorzienbaar waren behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking. Datzelfde geldt voor de door [wederpartijen] gestelde geleden planschade.

2.8. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van het college van 7 april 2009 alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 oktober 2009 in zaak nr. 09/686;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

344.