Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1148

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200909913/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2007 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] betaalde huurtoeslag voor het jaar 2006 van € 371,00 teruggevorderd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 14
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 16
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 4
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/23 met annotatie van V.M. Bex-Reimert
V-N 2010/55.27 met annotatie van Redactie
JB 2010/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909913/1/H2.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 november 2009

in zaak nr. 09/378 in het geding tussen:

[appellant]

en

Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2007 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] betaalde huurtoeslag voor het jaar 2006 van € 371,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 14 juli 2007 heeft de Belastingdienst de betaling van de

huur- en zorgtoeslag aan [appellant] beëindigd, bepaald dat daarop geen aanspraak bestond vanaf 1 september 2006 en dat [appellant] de toeslagen die vanaf die datum in 2006 en 2007 zijn betaald, moet terugbetalen.

Bij besluit van 19 maart 2009 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard voor de periode tot

1 juli 2007 en voor de periode vanaf 1 juli 2007 gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2009, verzonden op 6 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 januari 2010.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. de Vaal, advocaat te Groningen, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. A.D. Schreutelkamp, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), wordt een tegemoetkoming op aanvraag toegekend door de Belastingdienst.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent de Belastingdienst, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Indien voorschotten zijn verleend, worden deze ingevolge

artikel 24, tweede lid, verrekend met de tegemoetkoming.

Ingevolge het derde lid kan de in het tweede lid bedoelde verrekening leiden tot een terug te vorderen bedrag.

2.2. Aan het besluit van 19 maart 2009 heeft de Belastingdienst de verblijfsstatus van [appellant] ten grondslag gelegd. Niet in geschil is dat [appellant] met ingang van 15 juni 2007 rechtmatig in Nederland verbleef op grond van het generaal pardon, zodat hij vanaf 1 juli 2007 alsnog recht heeft op de toeslagen. Evenmin is in geschil dat hij in de periode tot die datum vanaf 1 september 2006 geen geldige verblijfsstatus had om in aanmerking te komen voor de toeslagen.

2.3. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het vertrouwensbeginsel ongegrond heeft verklaard. [appellant] verwijst naar eerdere besluiten op bezwaar van 15 februari 2008 en van 26 februari 2008 waarin de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) voor de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2005 en van 1 juli 2005 tot 1 januari 2006 heeft besloten af te zien van terugvordering van de ten onrechte aan [appellant] betaalde huursubsidie omdat bij hem het vertrouwen was gewekt dat hij hiervoor in aanmerking kwam. [appellant] voert aan dat thans een soortgelijke situatie aan de orde is en de Belastingdienst daarom ook in dit geval van terugvordering had moeten afzien.

2.4. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de eerdere besluiten om van terugvordering af te zien, zijn genomen door een ander bestuursorgaan, handelend op grond van een andere wettelijke regeling, de Huursubsidiewet, met een andere systematiek. Gelet daarop, zijn de situaties niet vergelijkbaar. Niet in geschil is dat de toeslagen bij wijze van voorschot zijn verstrekt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juli 2009 in zaak nr. 200808514/1/H2) volgt reeds uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde en vierde lid (thans: het vierde en vijfde lid), en artikel 24, tweede lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Awir dat aan de verlening van een voorschot huur- of zorgtoeslag niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op huur- of zorgtoeslag bestaat. [appellant] kon en mocht er dus niet op vertrouwen dat de Belastingdienst de voorschotten niet zou terugvorderen. Ook aan de omstandigheid dat de Belastingdienst niet eerder de verblijfsstatus heeft onderzocht, zoals [appellant] heeft aangevoerd, kan dit vertrouwen niet worden ontleend. De rechtbank heeft derhalve terecht en op goede gronden het beroep van [appellant] ongegrond verklaard.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

85-615.