Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200908498/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (hierna: het college) aan Tijms B.V. vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw met daarboven vier appartementen en zeven garageboxen op het perceel Gerrit van Assendelftstraat 36 te Heemskerk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908498/1/H1.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Heemskerk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 september 2009 in zaak nr. 08/4222 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (hierna: het college) aan Tijms B.V. vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw met daarboven vier appartementen en zeven garageboxen op het perceel Gerrit van Assendelftstraat 36 te Heemskerk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 1 april 2008 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2009, verzonden op 25 september 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 november 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2010, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. K. van Driel, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C.S. Leiss en G. Lukken, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door J. Kooij, zijn verschenen. Voorts is daar Tijms B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel bevindt zich thans het assurantiekantoor van Tijms B.V., dat zal worden gesloopt.

Het bouwplan voorziet in het oprichten van een gebouw met een nokhoogte in het midden van 11,10 m en voor de rest van 9,9 m waarin op de begane grond een kantoorruimte zal worden gevestigd en daarboven op twee verdiepingen appartementen.

2.2. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum Heemskerk", omdat bebouwingsvlakken en de maximale nok- en goothoogte van 8 m onderscheidenlijk 4 m worden overschreden. Het college heeft om het bouwplan toch mogelijk te maken vrijstelling met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend.

2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in het eerste lid wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het ter realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.4. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan in strijd is met de Centrumvisie uit 2004 (hierna: de Centrumvisie), die tot stand is gekomen na een uitgebreide en zorgvuldige, door het college georganiseerde, inspraakprocedure.

2.4.1. Volgens de inleiding van de Centrumvisie zal dit plan dienen als onderligger voor een nieuw bestemmingsplan en moet het een kader bieden voor toekomstige ontwikkelingen.

Volgens de Centrumvisie geeft de kaart 'waardering bebouwing' vier categorieën aan bebouwing. Categorie twee (in het rood) geeft de bebouwing aan die zeker moet blijven.

Het pand dat zich thans op het perceel bevindt, is in het rood aangegeven.

2.4.2. De passages in de Centrumvisie bevatten geen algemene regels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, maar een kader voor toekomstige ontwikkelingen. Voor het uitvoeren van die voornemens is nadere besluitvorming nodig. Rechtens bestaat geen verplichting om deze voornemens bij vervolgbeslissingen in acht te nemen. De in geding zijnde voornemens zijn gelet hierop niet zelfstandig op rechtsgevolg gericht. De Centrumvisie kan derhalve niet worden aangemerkt als beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Evenmin is gebleken dat het college de Centrumvisie hanteert als vaste gedragslijn. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat het bouwplan mogelijk op gespannen voet staat met de Centrumvisie dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de secretaris van de Historische Kring Heemskerk bij brief van 15 mei 2007 heeft laten weten dat het bestaande pand op het perceel door toegepaste veranderingen een zodanig negatieve uitstraling heeft gekregen dat het is verdwenen van de voorlopig opgestelde lijsten voor waardevolle bebouwing. Daarbij heeft de rechtbank voorts terecht in aanmerking genomen dat in de ruimtelijke onderbouwing aandacht is besteed aan het Streekplan Noord-Holland Zuid, op grond waarvan binnen het stedelijk gebied wordt ingezet op dubbel grondgebruik door intensiveren, combineren en transformeren. Voorts is in de ruimtelijke onderbouwing aandacht besteed aan de Structuurvisie, die in algemene zin pleit voor afstemming van de woningvoorraad op de huidige vraag. In de ruimtelijke onderbouwing is voorts vermeld dat met het bouwplan wordt aangesloten bij de bestaande centrumbebouwing van drie bouwlagen met platte daken, die zowel naast als tegenover het perceel zijn gelegen.

2.5. [appellant] en anderen betogen dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling voor het bouwplan te verlenen. Daartoe voeren zij aan dat het college niet heeft gemotiveerd waarom het bouwplan zijns inziens niet leidt tot onaanvaardbaar verlies aan zonlicht in de woningen op het naastgelegen perceel.

2.5.1. Bij brief van 9 april 2009 heeft mr. A.C.S. Leiss, werkzaam bij de gemeente, gereageerd op een bij deze brief overgelegde bezonningsstudie van 5 april 2009 van het bouwkundig ingenieursbureau V12. [appellant] en anderen hebben niet gesteld dat mr. A.C.S. Leiss niet is opgetreden als gemachtigde van het college. Geen grond bestaat derhalve voor het oordeel dat de brief van 9 april 2009 niet namens het college is geschreven.

2.5.2. Gelet op de aan het besluit van 1 april 2008 ten grondslag gelegde bezonningsstudie, de bezonningsstudie van 5 april 2009 van V12 en het bezonningsrapport van 10 april 2008 van ADD, zal het bouwplan weliswaar leiden tot zonlichtverlies voor de bewoners van de eerste en tweede woonlaag in het pand naast het perceel, maar dit zonlichtverlies is niet onaanvaardbaar. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat reeds op grond van het bestemmingsplan bebouwing ter plaatse mogelijk is van grotere omvang dan thans aanwezig is. Anders dan [appellant] en anderen betogen, is dit in de brief van het college van 9 april 2009 vermeld. Voorts is in het stuk "Belangenafweging" van 25 september 2007, dat behoort bij het besluit van 11 oktober 2007, vermeld dat de vermindering van zonlicht zich voordoet aan de zijgevel van twee woningen en dat in deze woningen nog via de voor- en achterzijde daglicht binnentreedt, terwijl bij deze woningen voorts aan de achterzijde balkons zijn gesitueerd. De omstandigheid dat het aan het besluit van 1 april 2008 ten grondslag gelegde zonlichtadvies is toegelicht door de in beroep overgelegde bezonningsstudie van 5 april 2009, betekent niet dat het besluit van 1 april 2008 niet is voorzien van een deugdelijke motivering aangezien aan dit besluit reeds een bezonningsstudie ten grondslag was gelegd die het zonlichtverlies als gevolg van het bouwplan inzichtelijk maakte. In hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren, heeft de rechtbank derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

2.6. [appellant] en anderen betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college het advies van de Stichting Welstandszorg Noord-Holland (hierna: de welstandscommissie) van 26 maart 2007 niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Daartoe voeren zij aan dat niet is ingegaan op hun betoog dat het bouwplan in strijd is met zowel de algemene welstandscriteria als de gebiedsgerichte welstandscriteria van de welstandsnota van de gemeente Heemskerk (hierna: de welstandsnota).

 

2.6.1. Hoofdstuk 3 van de welstandsnota bevat de algemene welstandscriteria.

Volgens paragraaf 3.2.3 van de welstandsnota wordt in iedere bouwstijl gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. Voorts zijn associatieve betekenissen volgens deze paragraaf van groot belang om een omgeving te "begrijpen" als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl en is het daarom zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst.

Volgens paragraaf 3.2.6 van de welstandsnota krijgt een bouwwerk door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht en wordt het zichtbaar en voelbaar.

Paragraaf 4.2.8 van de welstandsnota heeft betrekking op de Gerrit van Assendelftstraat.

Volgens paragraaf 4.2.8 van de welstandsnota is het beleid erop gericht extra aandacht te schenken aan de representatieve waarde en entreefunctie van het centrumgebied waartoe een hoge architectonische kwaliteit in het centrumdeel wenselijk is. Voorts is het volgens deze paragraaf wenselijk in massa en vorm een zekere kleinschaligheid te behouden.

2.6.2. De welstandscommissie heeft op 26 maart 2007 een gemotiveerd positief advies omtrent het bouwplan gegeven. Nadat de welstandscommissie op 29 januari 2007 had geadviseerd meer rust in de gevelopeningen aan te brengen, met een uniforme materialisatie, heeft zij in het advies van 26 maart 2007 onder meer vermeld dat de materialisatie van de kozijnen nu uniform is. In het besluit van 11 oktober 2007, dat bij het besluit van 1 april 2008 niet is herroepen, heeft het college zich op dat advies gebaseerd.

2.6.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders, indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

2.6.4. Het advies van de welstandscommissie van 26 maart 2007 vertoont niet zodanige gebreken dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

Voor zover in bezwaar is aangevoerd dat een trendbreuk bestaat tussen het bouwplan en het gebouw dat zich thans op het perceel bevindt en dat het volume van het bouwplan aanmerkelijk groter is dan dat van het laatstgenoemde gebouw, kan dit niet leiden tot het oordeel dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, nu het object van de welstandstoetsing het bouwplan is, bezien zowel op zichzelf als in relatie met zijn omgeving, en derhalve niet het bouwplan, bezien in vergelijking met het gebouw dat zich thans op het perceel bevindt. Ten aanzien van de materialen, kleuren en lichttoetreding alsmede ten aanzien van de representatieve waarde en de entreefunctie van het centrumgebied is in bezwaar niet uiteengezet waarom het welstandsadvies niet deugdelijk is. Volstaan is met de stelling dat niet deugdelijk is gemotiveerd waarom aan de welstandsnota is voldaan onderscheidenlijk de stelling dat het bouwplan niet voldoet aan de welstandsnota. Hierin heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college het welstandsadvies van 26 maart 2007 niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Sloots

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

499.