Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1129

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200910104/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2009 heeft het college aan WeHoBo B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de Scheidingsweg 15 te Lievelde. Dit besluit is op 13 november 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/388
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910104/1/M2.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WeHoBo B.V., gevestigd te Lievelde, gemeente Oost Gelre,

2. de stichting Stichting Bont voor Dieren (hierna: stichting BvD), gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2009 heeft het college aan WeHoBo B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de Scheidingsweg 15 te Lievelde. Dit besluit is op 13 november 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben stichting BvD bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, en WeHoBo B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2009, beroep ingesteld. Stichting BvD heeft haar beroep aangevuld bij brief van 15 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2010, waar stichting BvD, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, WeHoBo B.V., vertegenwoordigd door H.J. Hof, en het college, vertegenwoordigd door R.A.M. Reinders, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Algemeen toetsingskader

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Opslag van zaagsel - vergunningvoorschrift N3

2.2. WeHoBo B.V. kan zich niet verenigen met voorschrift N3. Ingevolge dit vergunningvoorschrift, voor zover hier van belang, moet het voor het behandelen van pelzen gebruikte zaagsel in doelmatige, goed gesloten verpakking worden bewaard en in deze verpakking uit de inrichting worden afgevoerd. Volgens WeHoBo B.V. is de in dit voorschrift voorgeschreven wijze van opslag niet noodzakelijk ter voorkoming van onaanvaardbare geurhinder en kan worden volstaan met de opslag van het zaagsel op een met plastic folie afgedekte mestplaat.

2.2.1. Het zaagsel voor het behandelen van de pelzen wordt in de inrichting opgeslagen op een mestplaat die wordt afgedekt met plastic folie. De mestplaat is omgeven door de in de inrichting aanwezige nertsenverblijven en de afstand van de mestplaat tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt circa 260 meter. Gelet op het feit dat het zaagsel in de inrichting weliswaar niet in gesloten verpakking, maar wel afgedekt wordt opgeslagen, alsmede gelet op de situering van de mestplaat en de grote afstand van de mestplaat tot de dichtstbijzijnde woning, gaat de in voorschrift N3 neergelegde verplichting naar het oordeel van de Afdeling verder dan in het belang van de bescherming van het milieu noodzakelijk is en moet deze als onnodig bezwarend worden aangemerkt. Voorschrift N3 verdraagt zich derhalve niet met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond slaagt.

Geluidhinder

2.3. Stichting BvD voert aan dat vergunningvoorschrift C4 niet in overeenstemming is met de motivering van het bestreden besluit, omdat in het bestreden besluit is vermeld dat voor de normstelling van de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften is uitgegaan van drie referentiepunten op een afstand van 50 meter, terwijl de normstelling van voorschrift C4 betrekking heeft op de gevels van geluidgevoelige objecten. Veder voert zij aan dat voorschrift C4 onvoldoende bescherming biedt tegen geluidhinder, omdat de in dit voorschrift gestelde geluidgrenswaarden gelden voor alle geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van de inrichting, terwijl volgens het geluidrapport de geluidbelasting bij de woning aan de [locatie A] het hoogst is, zodat voor andere woningen lagere geluidgrenswaarden hadden moeten worden gesteld.

2.3.1. Het college heeft bij de beoordeling van het aspect geluidhinder de beleidsnotitie "Geluidbeleid Oost Gelre" tot uitgangspunt genomen. Op grond van deze notitie gelden voor het gebied waar de inrichting is gelegen een streefwaarde van onderscheidenlijk 40, 35 en 30 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode en een grenswaarde van onderscheidenlijk 45, 40 en 35 dB(A) in de genoemde perioden.

2.3.2. In vergunningvoorschrift C4 zijn geluidgrenswaarden gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) in de incidentele bedrijfssituatie, die maximaal 12 maal per jaar voorkomt. De incidentele bedrijfssituatie bestaat uit de afvoer van vaste en vloeibare mest. In de incidentele bedrijfssituatie mag het LAR,LT op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen in afwijking van voorschrift C1 niet meer bedragen dan 43 dB(A) in de dagperiode.

In de considerans van het bestreden besluit is onder het kopje 'Incidentele bedrijfssituatie', anders dan de stichting BvD betoogt, niet vermeld dat voor de normstelling van voorschrift C4 is uitgegaan van een drietal referentiepunten op een afstand van 50 meter van de inrichting. Het betoog van de stichting BvD mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.

De in voorschrift C4 gestelde grenswaarde voor de incidentele bedrijfssituatie is niet hoger dan de in de beleidsnotitie genoemde grenswaarde voor de dagperiode. Gelet op het beoordelingskader van het college heeft het zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift C4 toereikend is om geluidhinder vanwege de incidentele bedrijfssituatie te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Stichting BvD voert aan dat voorschrift C6 niet duidelijk is wat betreft het begrip "lawaaimakende werkzaamheden", omdat een definitie daarvan ontbreekt. Ingevolge voorschrift C6 mogen lawaaimakende werkzaamheden uitsluitend worden verricht binnen het bebouwde deel van de inrichting.

2.4.1. Naar het oordeel van de Afdeling is voldoende duidelijk dat onder "lawaaimakende werkzaamheden" moet worden verstaan het in werking hebben van lawaaimakende installaties, zoals de compressor en de pelsmachines. De Afdeling deelt de stelling van stichting BvD dat voorschrift C6 in zoverre onvoldoende duidelijk is dan ook niet.

De beroepsgrond faalt.

2.5. Stichting BvD voert aan dat het college ten onrechte voorschrift C5 aan de vergunning heeft verbonden.

2.5.1. Het college heeft erkend dat voorschrift C5 overbodig is en dat dit voorschrift kan komen te vervallen. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen. De beroepsgrond van de stichting BvD slaagt in zoverre.

2.6. Stichting BvD stelt dat de in de vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn. In dit verband voert zij aan dat in het geluidrapport is uitgegaan van een te laag bronvermogen voor de tractor, de strohakselaar en de voermachine.

2.6.1. In het bij de aanvraag gevoegde geluidrapport van G&O Consult B.V. van 28 september 2009 is de geluidbelasting berekend die optreedt bij het in werking zijn van de inrichting. Voor de berekeningen in het geluidrapport is voor het bronvermogen voor de tractor, de strohakselaar en voermachine gebruik gemaakt van gegevens uit het meetarchief van G&O Consult B.V. Dit meetarchief bestaat uit gegevens die zijn gebaseerd op eerdere metingen. Niet is gebleken dat de gegevens uit het archief niet representatief zijn ten aanzien van de bronvermogens voor de in de inrichting gebruikte tractor, strohakselaar en voermachine. Op grond van hetgeen de stichting BvD aanvoert kan dan ook niet worden geconcludeerd dat de geluidvoorschriften niet kunnen worden nageleefd.

De beroepsgrond faalt.

Bestemmingsplan

2.7. Stichting BvD voert aan dat het college de vergunning had moeten weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan. In dit verband voert zij aan dat een gedeelte van de bij het bestreden besluit vergunde nertsensheds buiten het daartoe bestemde bouwblok valt.

2.7.1. Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, voor zover hier van belang, dat de vergunning tevens kan worden geweigerd ingeval door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.7.2. Niet in geschil is dat de bij het bestreden besluit vergunde nertsensheds gedeeltelijk buiten het daartoe bestemde bouwblok vallen, zodat door verlening van de vergunning strijd is ontstaan met het bestemmingsplan.

Ter zitting heeft het college evenwel naar voren gebracht dat het bereid is medewerking te verlenen aan het planologisch mogelijk maken van de inrichting, zodat de bestaande strijd met het bestemmingsplan wordt opgeheven. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten dat de vergunning niet krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer geweigerd behoefde te worden.

De beroepsgrond faalt.

Ammoniak

2.8. Stichting BvD betoogt dat de vergunning in strijd met artikel 6 van de Wet ammoniak en veehouderij is verleend, omdat de inrichting op minder dan 250 meter afstand is gelegen van heidegebied het Grijze Veld, dat volgens haar moet worden aangemerkt als kwetsbaar gebied als bedoeld in artikel 2 (oud) van de Wet ammoniak en veehouderij. In dit verband voert zijn aan dat het Grijze Veld deel uitmaakt van het direct naastgelegen bos- en heidegebied, dat een oppervlakte heeft van meer dan 5 hectare.

2.8.1. Op 1 mei 2007 is de Wet van 17 februari 2007 tot wijziging van de Wet ammoniak en veehouderij (Stb. 2007, 103) (hierna: de Wijzigingswet) in werking getreden. Deze wijziging heeft onder meer betrekking op het aanwijzen door provinciale staten van zeer kwetsbare gebieden. Ingevolge artikel II van de Wijzigingswet worden totdat binnen een provincie de zeer kwetsbare gebieden zijn aangewezen en bekendgemaakt, in de provincie als zeer kwetsbaar gebied aangemerkt de gebieden die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wijzigingswet werden aangemerkt als kwetsbaar gebied.

Bij besluit van 1 juli 2009 hebben provinciale staten van Gelderland de gebieden aangewezen die in de provincie Gelderland als zeer kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Dit besluit is op 8 december 2009, dus na het nemen van het bestreden besluit, bekendgemaakt. Nu de zeer kwetsbare gebieden in de provincie Gelderland ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet waren aangewezen en bekendgemaakt, wordt als zeer kwetsbaar gebied aangemerkt een kwetsbaar gebied als bedoeld in artikel 2 van de Wet ammoniak en veehouderij, zoals dat vóór 1 mei 2007 luidde.

2.8.2. Ingevolge artikel 6 van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav) wordt een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav, zoals dat vóór 1 mei 2007 luidde, en voor zover hier van belang, worden als kwetsbaar gebied aangemerkt gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur en: a. onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet) als voor verzuring gevoelig krachtens artikel 1, tweede lid, van de Interimwet (oud) waren aangemerkt.

In artikel 1, tweede lid, van de Interimwet is bepaald dat bij ministeriële regeling wordt aangegeven, welke ecologisch of natuurwetenschappelijk waardevolle gebieden die gevoelig zijn voor verzuring of eutrofiëring, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden aangemerkt als voor verzuring gevoelig gebied. In artikel 1, derde lid, van de Interimwet (oud) is bepaald dat bij ministeriële regeling wordt aangegeven, op welke wijze bij de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen de ammoniakdepositie en de ammoniakemissie worden bepaald. Hieraan is uitvoering gegeven in de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij van de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Uitvoeringsregeling).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling (oud) - voor zover hier van belang - worden voor de toepassing van de Interimwet en de daarop berustende bepalingen als voor verzuring gevoelig gebied aangemerkt bossen die zijn gelegen op voor verzuring gevoelige grond en a. een oppervlakte hebben van meer dan 5 hectare, dan wel b. door de gemeenteraad bij verordening krachtens de Gemeentewet op een bijbehorende kaart als voor verzuring gevoelig gebied zijn aangewezen.

2.8.3. Gelet op de door het college overgelegde kaarten is de Afdeling met de Stichting BvD van oordeel dat het Grijze Veld deel uitmaakt van het direct aangrenzende bos- en heidegebied, dat een oppervlakte heeft van meer dan 5 hectare. Het Grijze Veld moet daarom, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling (oud), worden aangemerkt als kwetsbaar gebied als bedoeld in artikel 2 (oud) van de Wav. Niet in geschil is dat de inrichting in dat geval ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was gelegen op een afstand van minder dan 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 6 van de Wav. De beroepsgrond slaagt.

2.8.4. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal ten aanzien van voorschrift N3 op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit, voor zover dit is vernietigd.

2.8.5. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, behoudens voor zover het de voorschriften C5 en N3 betreft, in stand blijven en overweegt daartoe het volgende.

2.8.6. Zoals vermeld hebben provinciale staten van Gelderland bij besluit van 1 juli 2009 de gebieden aangewezen die in de provincie Gelderland als zeer kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Uit de bij dat besluit behorende kaart "kwetsbaarheid van voor verzuring gevoelige gebieden" blijkt dat het Grijze Veld niet als zodanig is aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat de inrichting thans niet meer gelegen is in een zone van 250 meter rond een zeer kwetsbaar gebied. Verlening van de vergunning is daarom niet langer in strijd met artikel 6 van de Wav.

Slotoverwegingen

2.9. Het college dient ten aanzien van stichting BvD op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van WeHoBo B.V. is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre van 2 november 2009, kenmerk 4997;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder II genoemde besluit in stand blijven, behoudens voor zover het de voorschriften N3 en C5 betreft;

IV. bepaalt dat vergunningvoorschrift N3 als volgt luidt:

"Het voor het behandelen van pelzen gebruikte zaagsel moet zodanig worden opgeslagen dat er geen onaanvaardbare geurhinder in de omgeving kan plaatsvinden. Daartoe moet de opslag doelmatig worden afgedekt";

V. bepaalt dat deze uitspraak wat voorschrift N3 betreft in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre tot vergoeding van bij de stichting Stichting Bont voor Dieren in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WeHoBo B .V. en de stichting Stichting Bont voor Dieren het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WeHoBo B.V. en € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de stichting Stichting Bont voor dieren vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

407-584.