Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1123

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200906222/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie A] te [plaats]. Dit besluit is op 10 juli 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/4141
JM 2010/93 met annotatie van Flietstra
JOM 2010/763
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906222/1/M2.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente Olst-Wijhe,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie A] te [plaats]. Dit besluit is op 10 juli 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2010, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college vertegenwoordigd door ing. C. Akkerman, P. Lankheet, beiden werkzaam bij de gemeente, en ing. J.G. van Drongelen, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Smaling, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Intrekking beroepsgrond

2.1. [appellant] en anderen hebben ter zitting hun beroepsgrond over verspreiding van nevel en gif als gevolg van het ontsmetten van de stallen, ingetrokken.

Eén inrichting

2.2. [appellant] en anderen voeren aan dat onderhavige inrichting en een veehouderij aan de [locatie B] te [plaats] samen één inrichting vormen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Zij voeren aan dat in beide veehouderijen scharrelleghennen worden gehouden zodat sprake is van dezelfde bedrijfsactiviteiten. Verder voeren zij aan dat tussen deze veehouderijen bedrijfsmiddelen worden uitgewisseld en mesttransporten plaatsvinden. Volgens [appellant] en anderen is geen sprake van een strikt gescheiden bedrijfsvoering wat betreft het gebruik van technische en veterinaire diensten, stalontsmetting, de aanvoer van veevoer en pluimvee alsmede de afvoer van eieren, mest en leghennen.

2.2.1. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

Uit de aanvraag om de onderhavige vergunning blijkt niet dat de pluimveehouderij aan de [locatie A] zodanige technische, organisatorische en/of functionele bindingen heeft met de inrichting aan de [locatie B], dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van twee afzonderlijke inrichtingen. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd biedt geen grond om van een andere situatie uit te gaan dan uit de aanvraag blijkt.

Deze beroepsgrond faalt.

Milieu-effectrapportage (hierna: mer)

2.3. [appellant] en anderen betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen mer-beoordelingsplicht geldt. Zij voeren aan dat het college, in het kader van de beoordeling of de drempelwaarde wordt overschreden waarboven een mer-beoordelingsplicht geldt (hierna: de drempelwaarde), de in de zogenoemde stal D te houden hennen ten onrechte niet geheel dan wel gedeeltelijk heeft aangemerkt als een uitbreiding van de inrichting. Zij richten zich hiermee tegen het bij die beoordeling door het college ingenomen standpunt dat het aantal hennen, dat reeds op grond van de op 15 april 1997 voor de inrichting verleende milieuvergunning in die stal mocht worden gehouden, niet valt aan te merken als een uitbreiding van de inrichting en dientengevolge niet wordt meegerekend. Zij voeren hiertoe aan dat die milieuvergunning niet in werking is getreden. Volgens hen is de voor stal D (voorheen: stal A) vereiste bouwvergunning nimmer verleend en dient deze stal daarom te worden aangemerkt als een nieuw op te richten stal en het aantal daarin te houden hennen als een uitbreiding van de inrichting. Daarnaast voeren zij aan dat deze stal in strijd met de op 15 april 1997 verleende milieuvergunning 13% groter is gebouwd. Wat betreft deze stal is daarom volgens hen de inrichting niet tijdig voltooid in de zin van artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer en is voormelde vergunning daardoor gedeeltelijk komen te vervallen. Dientengevolge valt volgens hen het aantal op grond van die vergunning in deze stal te houden hennen geheel dan wel gedeeltelijk aan te merken als een uitbreiding van de inrichting.

2.3.1. In categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: Besluit mer) zijn als activiteiten waarvoor beoordeeld moet worden of bij de voorbereiding van een besluit een milieueffectrapportage moet worden gemaakt, aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 45.000 of meer plaatsen voor hennen.

2.3.2. Zoals de Afdeling over de plicht tot het maken van een mer heeft overwogen (uitspraak van 26 maart 2008 in zaak nr. 200708006/1), is bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij een beoordeling of een mer moet worden opgesteld verplicht, indien die uitbreiding meer bedraagt dan de van toepassing zijnde drempelwaarde die is opgenomen in de bijlage bij het Besluit mer.

2.3.3. Ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het besluit van 15 april 1997, wordt, voor zover hier van belang, een milieuvergunning die betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet, niet eerder van kracht dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend.

De Afdeling stelt vast dat op 24 juli 1997 met betrekking tot stal D een bouwvergunning is verleend. Gezien die vergunning geeft hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding om aan te nemen dat de milieuvergunning van 15 april 1997 niet in werking is getreden. Het betoog van [appellant] en anderen dat het college, in het kader van de beoordeling of de drempelwaarde wordt overschreden, ten onrechte niet het aantal in stal D te houden hennen dan wel een gedeelte daarvan heeft aangemerkt als een uitbreiding van de inrichting mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.

2.3.4. Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht. Indien een stal niet geheel overeenkomstig de milieuvergunning is gerealiseerd hoeft dit evenwel niet te betekenen dat deze vergunning geheel dan wel gedeeltelijk is komen te vervallen. De enkele omstandigheid dat stal D groter is dan de afmetingen waarop de op 15 april 1997 verleende vergunning ziet, biedt naar het oordeel van de Afdeling geen grond om aan te nemen dat de inrichting niet binnen de vereiste termijn is voltooid in de zin van artikel 8.18 van de Wet milieubeheer. [appellant] en anderen worden daarom niet gevolgd in hun betoog dat die vergunning gedeeltelijk is komen te vervallen. Ook in zoverre mist het onder 2.3.3 weergegeven betoog van [appellant] en anderen feitelijke grondslag.

2.3.5. Gelet op het vorenstaande is er in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen grond gelegen voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen mer-beoordelingsplicht geldt.

De beroepsgronden falen.

Gewijzigde aanvraag

2.4. [appellant] en anderen voeren aan dat onderhavige vergunningaanvraag is gewijzigd nadat deze ter inzage is gelegd. Zij stellen dat eerst bij de gewijzigde aanvraag geheel duidelijk is gemaakt wat de grenzen van de inrichting zijn. Uit de met het ontwerp van het bestreden besluit ter inzage gelegde tekening kon dit volgens hen niet goed worden opgemaakt. Zij betogen dat het college de vergunningaanvraag ten onrechte niet opnieuw ter inzage heeft gelegd nadat deze is gewijzigd.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 augustus 2009 in zaak nr. 200806406/1/M2) vloeit uit het systeem van vergunningverlening, zoals neergelegd in de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voort dat op de aanvraag moet worden beslist zoals die is ingediend en bekendgemaakt. Bij toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb is het na het ter inzage leggen van de aanvraag en het ontwerpbesluit, niet meer geoorloofd de aanvraag nog te wijzigen en aan te vullen, tenzij vaststaat dat daardoor geen derden zijn benadeeld.

2.4.2. De Afdeling stelt vast dat na de terinzagelegging van de vergunningaanvraag de daarbij behorende tekening is aangepast ter verduidelijking van de grens van de inrichting aan de zuid- en oostzijde. Deze grens viel naar het oordeel van de Afdeling ook reeds op te maken uit de tekening die ter inzage was gelegd. De door [appellant] en anderen bedoelde aanpassing brengt dan ook geen benadeling voor derden mee. Reeds daarom mocht deze aanpassing worden doorgevoerd nadat de aanvraag reeds ter inzage was gelegd.

De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Bodemverontreiniging

2.6. [appellant] en anderen vrezen dat er een te hoge mineralenbelasting ontstaat van de bodem rondom de stallen vanwege het terechtkomen van mest op de bodem bij het gebruik van de uitlopen bij de kippenstallen. Zij betogen dat het college ten aanzien van het gebruik van deze uitlopen in de bij het bestreden besluit verleende vergunning onvoldoende voorschriften ter voorkoming dan wel beperking van bodemverontreiniging heeft opgenomen. Verder voeren zij aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de effecten van het gebruik van de uitlopen voor de bodem.

2.6.1. De Afdeling overweegt, in navolging van haar uitspraak van 21 januari 1997, zaak nr. E03.95.0821 (M en R 1997/6, nr. 70), dat indien toereikende gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem zijn voorgeschreven in de vergunning voor een (intensief) veehouderijbedrijf met reguliere activiteiten, ervan moet worden uitgegaan dat bij de naleving van die voorschriften de kwaliteit van de bodem en het grondwater niet in relevante mate zullen worden beïnvloed.

2.6.2. Aan de bij het bestreden besluit verleende vergunning zijn voorschriften verbonden ter bescherming van de bodem. Die voorschriften dienen er onder meer toe om het terechtkomen van mest in de bodem te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken. In vergunningvoorschrift 1.12 is daarnaast specifiek met betrekking tot de uitlopen voorgeschreven dat de daarin opgehoopte mest één maal per maand dient te worden afgevoerd naar de in de aanvraag aangegeven mestopslagen. Niet is gebleken dat deze voorschriften ontoereikend zijn om, voor zover hier van belang, de bodem te beschermen. Verder ziet de Afdeling gelet op het vorenstaande geen grond voor het oordeel dat het college in dit verband nader onderzoek had moeten verrichten.

De beroepsgrond faalt.

Wet verontreiniging oppervlaktewateren

2.7. [appellant] en anderen voeren aan dat gezien de aanvraag voor de milieuvergunning sprake zal zijn van lozing van hemelwater op het oppervlaktewater en dat hiervoor ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) was vereist. Zij betogen dat het college dientengevolge de coördinatiebepalingen uit paragraaf 8.1.3.2 van de Wet milieubeheer in acht had moeten nemen. De beoordeling die het college ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt dat deze bepalingen in dit geval geen toepassing vinden, levert volgens [appellant] en anderen strijd op met de bepalingen van richtlijn 2008/1/EG (hierna: de IPPC-richtlijn), voorheen richtlijn 96/61/EG.

2.7.1. Ingevolge artikel 8.28 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, worden in gevallen waarin een vergunning krachtens de Wet milieubeheer wordt aangevraagd, die betrekking heeft op een inrichting van waaruit stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in het oppervlaktewater worden gebracht, indien daarvoor een vergunning krachtens die wet vereist is, bij de toepassing van hoofdstuk 8, hoofdstuk 13 en van afdeling 3.4 van de Algemene Wet bestuursrecht de bepalingen van paragraaf 8.1.3.2 van de Wet milieubeheer in acht genomen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wvo, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, is het verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren.

2.7.2. Ten aanzien van het beroep dat [appellant] en anderen hebben gedaan op de IPPC-richtlijn overweegt de Afdeling het volgende. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) moet ter bepaling van de werking van een richtlijn een onderscheid worden gemaakt tussen een correcte en een incorrecte implementatie van die richtlijn. In geval van correcte implementatie bereikt de werking van een richtlijn de particulieren via de door de betrokken lidstaat getroffen uitvoeringsmaatregelen.

Slechts indien een richtlijn, na afloop van de implementatieperiode, niet, niet-tijdig of onjuist is geïmplementeerd, kan een particulier een rechtstreeks beroep op die richtlijn doen en dan nog alleen op de bepalingen van de richtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn bepaald (arrest 8/81, Becker, Jur. 1992, p. 59 e.v. op p. 70-71). Hetzelfde geldt indien de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk is verzekerd (arrest C-62/00, Marks & Spencer, Jur. 2002, p. I-6325 e.v. op p. 6358-6359, ov. 26-27).

Volgens vaste jurisprudentie van het Hof dienen de rechterlijke instanties van de lidstaten de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen uit de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht voortvloeit (arrest C-312/93, Peterbroeck, Jur. 1995, p. I-4599 e.v. op p. 4620, ov. 12).

Uit het vorenstaande blijkt, dat de vraag naar de rechtstreekse werking van de bepalingen van de richtlijn alleen kan rijzen in gevallen van incorrecte implementatie of indien de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk is verzekerd.

Niet is gebleken dat de IPPC-richtlijn, voor zover hier van belang, op incorrecte wijze is geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Verder geeft hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de volledige toepassing van de IPPC-richtlijn in zoverre niet daadwerkelijk is verzekerd. Een rechtstreeks beroep op de bepalingen van de IPPC-richtlijn is in dit geval dan ook niet aan de orde.

2.7.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de lozing van hemelwater waarvan blijkens de aanvraag sprake zal zijn is gereguleerd in het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Tegen dit standpunt, waaraan het college de conclusie heeft verbonden dat voor die lozing geen vergunning krachtens de Wvo is vereist, hebben [appellant] en anderen geen argumenten ingebracht.

2.7.4. Met hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het college onjuist is dat voor de hier aan de orde zijnde lozing geen vergunning krachtens de Wvo is vereist en dat derhalve de coördinatiebepalingen uit paragraaf 8.1.3.2 van de Wet milieubeheer in dit geval geen toepassing vinden.

De onder 2.7 weergegeven beroepsgrond faalt.

Geluid

2.8. [appellant] en anderen voeren aan dat de in het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport van G&O consult van 12 februari 2009 (hierna: het akoestisch rapport) vermelde bronsterktes van de ventilatoren ten onrechte niet zijn gemeten en dat de in dit rapport met betrekking tot de aanvoer van voer vermelde bronsterkte te laag is.

2.8.1. Blijkens het akoestisch rapport zijn de gehanteerde bronsterktes ontleend aan door G&O consult gearchiveerde meetresultaten van verrichte metingen aangaande bronsterktes. Voor het oordeel dat voor de te hanteren bronsterktes niet van die meetresultaten mocht worden uitgegaan is in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen grond gelegen. Zij hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat de aldus gehanteerde bronsterktes te laag zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

2.9. [appellant] en anderen voeren aan dat in het akoestisch rapport ten onrechte geen toeslag voor tonaal geluid vanwege de ventilatoren is toegepast. Hierdoor is de geluidbelasting te laag ingeschat waardoor mogelijk niet voldaan kan worden aan de geluidnormen die zijn gesteld in de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Zij stellen voorts dat de ventilatoren een zoemend of brommend geluid veroorzaken bij de dichtst bij de inrichting gelegen woning en betogen dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de ventilatoren geluid met een tonaal karakter veroorzaken. Hierbij verwijzen zij naar het op 16 februari 2010 door De Roever milieuadvisering in hun opdracht uitgebrachte rapport.

2.9.1. Het college heeft aan zijn standpunt dat geen toeslag voor tonaal geluid hoeft te worden toegepast het akoestisch rapport ten grondslag gelegd. Het akoestisch onderzoek waarop het akoestisch rapport is gebaseerd is uitgevoerd met gebruikmaking van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handleiding). Op grond van de Handleiding moet in een geval van geluid met een tonaal karakter een toeslag van 5 dB(A) worden toegepast voor dat deel van de beoordelingsperiode dat er sprake is van tonaal geluid. Uit de Handleiding volgt dat als criterium geldt dat het geluid duidelijk hoorbaar moet zijn op het desbetreffende beoordelingspunt. In het akoestisch rapport is de verwachting geuit dat op de desbetreffende beoordelingspunten geen geluid met een tonaal karakter te horen zal zijn. Nu het college zich in dit verband enkel heeft gebaseerd op die verwachting is met een te grote mate van onzekerheid omgeven of ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen duidelijk een tonaal geluid hoorbaar zal zijn wanneer de desbetreffende ventilatoren in werking zijn. Aangezien is nagelaten dit nader te onderzoeken is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

De beroepsgrond slaagt.

2.10. [appellant] en anderen betogen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de akoestische effecten van stalreiniging. In zoverre zij hierbij hebben gedoeld op de akoestische effecten van het schoonspuiten van de stallen met een hogedrukreiniger hebben zij deze grond ter zitting ingetrokken. Gelet op het verhandelde ter zitting begrijpt de Afdeling dit betoog voor het overige aldus dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de akoestische effecten van de inzet van een zogenoemde loader bij de afvoer van mest uit de stallen.

2.10.1. Uit het akoestisch rapport blijkt dat het gebruik van de loader bij de afvoer van mest uit de stallen in het akoestisch onderzoek is betrokken. Tegen hetgeen daarover in het akoestisch rapport wordt vermeld hebben [appellant] en anderen geen concrete argumenten ingebracht.

De beroepsgrond faalt.

2.11. [appellant] en anderen voeren aan dat de vergunningvoorschriften 2.1 en 2.5 waarin geluidgrenswaarden zijn gesteld voor respectievelijk het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau tegenstrijdig zijn aangezien in vergunningvoorschrift 2.5 lagere geluidgrenswaarden zijn gesteld dan in vergunningvoorschrift 2.1.

2.12. De Afdeling stelt vast dat het ten aanzien van het merendeel van de in voorschrift 2.5 genoemde locaties voor de avond- en nachtperiode lagere geluidgrenswaarden zijn gesteld dan de geluidgrenswaarden die voor die locaties voor de avond- en nachtperiode zijn gesteld in vergunningvoorschrift 2.1. Het college heeft ter zitting erkend dat die geluidgrenswaarden uit vergunningvoorschrift 2.5 onjuist zijn. Het bestreden besluit is gelet op het vorenstaande in zoverre in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

De beroepsgrond slaagt.

2.13. [appellant] en anderen betogen dat met betrekking tot de gestelde geluidvoorschriften ten onrechte geen controlevoorschriften aan de vergunning zijn verbonden.

2.13.1. Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

In het vierde lid, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, voor zover hier van belang, is bepaald dat, voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:

a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen;

b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

2.13.2. De vergunningvoorschriften 2.1 tot en met 2.8, waarin geluidgrenswaarden zijn gesteld, moeten worden aangemerkt als doelvoorschriften als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Uit de tekst van artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, volgt dat voor zover aan de vergunning doelvoorschriften zijn verbonden in ieder geval ook een of meerdere controlevoorschriften als bedoeld in dit artikellid aan de vergunning dienen te worden verbonden. Gelet op het voorgaande had het college een voorschrift aan de vergunning moeten verbinden, inhoudende dat op een daarbij aan te geven wijze moet worden bepaald of aan de vergunningvoorschriften 2.1 tot en met 2.8 wordt voldaan. Nu dit is nagelaten is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit.

De beroepsgrond slaagt.

Zwevende deeltjes (PM10)

2.14. [appellant] en anderen stellen dat de waarden te laag zijn die het college heeft berekend in het kader van zijn beoordeling of de in voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden worden overschreden. Daarnaast voeren zij aan dat is geconstateerd dat 35 maal per kalenderjaar de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van 50 microgram per m³ wordt overschreden. Het college heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom deze overschrijding acceptabel zou zijn, aldus [appellant] en anderen.

2.14.1. Uit artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer en het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, volgt dat bestuursorganen de bevoegdheid om te beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer, waarvan de uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen in gevallen waarin bij een uitoefening aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.14.2. [appellant] en anderen hebben hun stelling dat de waarden die het college heeft berekend in het kader van zijn beoordeling of de in voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden worden overschreden te laag zijn niet onderbouwd. Reeds daarom is in deze stelling geen grond gelegen voor het oordeel dat het college in dit verband van onjuiste waarden is uitgegaan.

2.14.3. Voor de beoordeling of sprake is van overschrijding van voornoemde grenswaarden heeft het college berekeningen uitgevoerd op een aantal beoordelingspunten. Daaruit kwam naar voren dat op drie van deze beoordelingspunten, meer dan vijfendertig maal per kalenderjaar de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van 50 microgram per m³ wordt overschreden. De beoordelingspunten waar die overschrijding is geconstateerd zijn gesitueerd op voor het publiek gesloten akkerland waarop geen sprake is van vaste bewoning. Uit artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold, volgt dat geen beoordeling van de luchtkwaliteit behoeft plaats te vinden op locaties die zich bevinden in gebieden waartoe leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is. Derhalve bestond, anders dan [appellant] en anderen betogen, voor het college geen aanleiding om nader in te gaan op voormelde overschrijding, die op dergelijke locaties zijn geconstateerd.

2.14.4. De beroepsgronden falen.

Vliegenoverlast

2.15. [appellant] en anderen betogen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften onvoldoende bescherming bieden tegen vliegenoverlast. In dit verband voeren zij onder meer aan dat wat betreft het ingevolge vergunningvoorschrift 15.1 op te zetten monitoringssysteem niet duidelijk is waaraan dit dient te voldoen en op welke wijze de aan het gebruik van dit systeem ontleende informatie kan leiden tot aanpassing van het ingevolge dit voorschrift op te stellen behandelplan.

2.15.1. In hoofdstuk 15 van de vergunningvoorschriften zijn voorschriften gesteld ter bestrijding van vliegen die naast het op te zetten monitoringssysteem onder meer betrekking hebben op het bijhouden van een milieulogboek en het verwijderen van mestresten, voerresten, stof, veren en alle overige afval en vervuiling uit de stallen. Dat in vergunningvoorschrift 15.1 geen nadere criteria zijn gesteld over het op te zetten monitoringssysteem en dit voorschrift niet nader is geëxpliciteerd op de door [appellant] en anderen bedoelde wijze, brengt niet mee dat het samenstel van de in hoofdstuk 15 gestelde vergunningvoorschriften onvoldoende is om vliegenoverlast tegen te gaan. Nu [appellant] en anderen niet hebben onderbouwd waarom dit geheel aan voorschriften ter voorkoming van vliegenoverlast onvoldoende is ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende waarborgen bieden om vliegenoverlast te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.16. Het beroep is gegrond. Nu het geluidaspect bepalend is voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen en artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, te worden vernietigd.

2.17. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Bij deze proceskosten zijn inbegrepen de kosten voor een door een deskundige uitgebracht rapport, als bedoeld in artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, van € 525,00. Daarbij is uitgegaan van 10,5 uur voor een forfaitair bedrag van € 50,00 per uur.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe van 30 juni 2009, kenmerk 0928-1-RU-WV;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.330,00 (zegge: dertienhonderddertig euro), waarvan € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Hulst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

402.