Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1118

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200901963/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2009, kenmerk 2009INT236201, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maarssen bij besluit van 1 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Maarssen aan de Vecht".

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/667
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901963/1/R2.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ballast Nedam BV, gevestigd te Nieuwegein, en andere (hierna: Ballast Nedam en andere), appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2009, kenmerk 2009INT236201, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maarssen bij besluit van 1 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Maarssen aan de Vecht".

Tegen dit besluit hebben Ballast Nedam en andere bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2009, beroep ingesteld. De gronden van hun beroep hebben zij aangevuld bij brief van 21 april 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van burgemeester en wethouders een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2010, waar Ballast Nedam en andere, vertegenwoordigd door mr. C. Burgemeestre, advocaat te Amsterdam en mr. N.J. van Paridon, werkzaam bij Ballast Nedam, en het college, vertegenwoordigd door N.M. van Hattem, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door W. Bader-Schenk en S.C. Lutters, beiden werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben Ballast Nedam en andere hun beroepsgrond met betrekking tot het aantal toegelaten bedrijfswoningen op hun perceel ingetrokken.

2.2. Ter zitting hebben Ballast Nedam en andere aangevoerd dat aan de ontsluiting van de op hun perceel aanwezige haven naast de dubbelbestemming "Primaire waterkering" eveneens de dubbelbestemming "Water, ten dienste van het bedrijf" dient te worden toegekend. Deze beroepsgrond hebben zij niet eerder naar voren gebracht. Nu Ballast Nedam en andere dit eerst ter zitting hebben aangevoerd, dient het met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Ballast Nedam en andere geen bijzondere omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan van hun redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij dit eerder naar voren hadden gebracht. Deze beroepsgrond kan derhalve niet bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken.

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4. Het voorliggende plan voorziet in een herziening van verschillende geldende plannen voor het beschermde dorpsgezicht, het centrum van Maarssendorp en de buitenplaatsen. Het plan is grotendeels conserverend van aard en maakt voorts incidenteel nieuwe ontwikkelingen mogelijk.

2.5. Ballast Nedam en andere kunnen zich niet met het plan verenigen, wat betreft de hierbij voor het perceel aan de Straatweg 29 (hierna: het perceel) toegelaten maximale milieucategorie voor bedrijven. Zij betogen dat het plan ten onrechte voorziet in een beperking van de milieucategorie ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan "Landelijk Gebied". Deze beperking is volgens Ballast Nedam en andere onvoldoende gemotiveerd en vormt een ernstige aantasting van de bedrijfsvoering van Ballast Nedam.

In dit kader wijzen zij er voorts op dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is gewaarborgd, omdat geen rekening is gehouden met een planschadeclaim die zij wegens voornoemde beperking van de maximaal toegelaten milieucategorie voornemens zijn in te dienen.

2.5.1. Het college heeft uiteengezet dat de raad niet de bedoeling heeft gehad een plan vast te stellen waarin de planologische mogelijkheden ter plaatse van het perceel van Ballast Nedam en andere worden beperkt. In dit verband wijst het college erop dat in de partiële herziening van het onderhavige plan ten aanzien van het perceel dezelfde planologische mogelijkheden zullen worden opgenomen als in het voorgaande bestemmingsplan "Landelijk gebied". Ten aanzien van de financiële uitvoerbaarheid heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het plan grotendeels conserverend van aard is en niet dusdanige planschadeclaims zijn te verwachten dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan in gevaar zal komen.

2.5.2. Blijkens de plankaart is aan het perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend. Ingevolge artikel 4.1, onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven behorende tot maximaal milieucategorie 2 van de in de bijlage bij deze voorschriften opgenomen "Staat van bedrijfsactiviteiten" of bedrijven behorende tot maximaal milieucategorie 2 die niet zijn opgenomen in de "Staat van bedrijfsactiviteiten", maar naar aard en invloed op de omgeving zijn gelijk te stellen aan deze bedrijven. In het voorgaande plan "Landelijk Gebied" was aan het perceel eveneens een bedrijfsbestemming toegekend met de subbestemming 'BIII'. Ter plaatse van deze subbestemming waren bedrijven toegestaan in de categorie 1 t/m 3 van de Staat van Inrichtingen.

Gelet op het voorgaande staat vast dat de maximaal toegelaten milieucategorie ter plaatse van het perceel een beperking inhoudt ten opzichte van het voorgaande planologische regime. Blijkens de plantoelichting en het verhandelde ter zitting heeft de raad evenwel beoogd een conserverend plan vast te stellen, in die zin dat de planologische mogelijkheden zoals opgenomen in het voorgaande plan "Landelijk gebied" behouden zouden blijven. In verband hiermee heeft de raad thans een partiële herziening van het onderhavige plan in procedure gebracht waarin voor het perceel maximaal milieucategorie 3 voor bedrijven is opgenomen.

Gelet op het vorenstaande komt het plan, voor zover dat betrekking heeft op de toegestane milieucategorie voor bedrijven ter plaatse van het perceel, niet overeen met hetgeen de raad heeft beoogd. Door het plan in zoverre goed te keuren heeft het college naar het oordeel van de Afdeling miskend dat het plan op dit punt is voorbereid in strijd met de zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel, wegens strijd met artikel 3:2 in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande aanleiding goedkeuring te onthouden aan het voornoemde plandeel. Gelet hierop behoeft het betoog dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is gewaarborgd, omdat geen rekening in gehouden met de planschadeclaim die Ballast Nedam en andere wegens de beperking van de milieucategorie voornemens zijn in te dienen, geen bespreking meer.

2.6. Ballast Nedam en andere betogen voorts dat artikel 4.3, onder a, van de planvoorschriften, waarin de bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders is opgenomen nadere eisen te stellen ten aanzien van de vormgeving van nieuwe bedrijfsbebouwing langs de Straatweg, in strijd is met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de WRO. Zij betogen dat onvoldoende duidelijk is ten aanzien van welke aspecten het college van burgemeester en wethouders bevoegd is nadere eisen te stellen.

2.6.1. Het college acht de in artikel 4.3, onder a, van de planvoorschriften opgenomen bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen aanvaardbaar en heeft geen aanleiding gezien op dit punt goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.6.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd is ten opzichte van in het plan omschreven punten nadere eisen te stellen. De voorziene bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen is derhalve beperkt tot eisen die aansluiten bij in het bestemmingsplan zelf reeds gestelde regels. Daarnaast dient voldoende duidelijk te zijn in welke gevallen en onder welke omstandigheden het college van burgemeester en wethouders gebruik kan maken van zijn bevoegdheid.

2.6.3. Ingevolge artikel 4.3, onder a, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen ten aanzien van de vormgeving van nieuwe bedrijfsbebouwing langs de Straatweg in verband met de cultuurhistorische belangen, mede ter voorkoming van een mogelijke aantasting van cultuurhistorisch waardevol geachte bebouwing en/of archeologisch waardevolle elementen zoals genoemd in de bij de toelichting opgenomen bijlage "Belvedère Vechtvisie bouwen". Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit artikel 4.3, onder a, van de planvoorschriften niet ten opzichte van welke in het plan omschreven punten het college van burgemeester en wethouders bevoegd is tot het stellen van nadere eisen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat in het plan niets is bepaald met betrekking tot het aspect vormgeving van bedrijfsbebouwing. Gelet hierop voldoet artikel 4.3, onder a, van de planvoorschriften niet aan artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de WRO. Door dit planvoorschrift niettemin goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel, in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 4.3, onder a, van de planvoorschriften.

2.7. Ballast Nedam en andere betogen daarnaast dat aan gronden van het perceel ten onrechte de bestemming "Water" is toegekend. Ter zitting hebben Ballast Nedam en andere toegelicht dat dit betoog uitsluitend betrekking heeft op de gronden met de bestemming "Water" aan de noordwestkant van het perceel, die worden omringd door gronden met de bestemming "Bedrijf". Nu hier feitelijk geen sprake is van een sloot, dient volgens Balast Nedam en andere aan deze gronden eveneens de bestemming "Bedrijf" te worden toegekend.

2.7.1. Het college heeft zich ter zitting in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat aan de door Ballast Nedam en andere bedoelde gronden ten onrechte de bestemming "Water" is toegekend. In de partiële herziening van het plan wordt aan deze gronden dan ook de bestemming "Bedrijf" toegekend.

2.7.2. Blijkens de plankaart is aan gronden aan de noordwestkant van het perceel de bestemming "Water" toegekend. Ingevolge artikel 16.1 van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor onder meer de waterhuishouding. Ter zitting is komen vast te staan dat deze bestemming niet overeenkomstig de feitelijke situatie is, nu ter plaatse geen sprake is van een sloot. Gelet hierop hebben de raad en het college zich op het standpunt gesteld dat de bestemming "Water" ten onrechte is toegekend aan deze gronden. Door het plan op dit punt goed te keuren, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling miskend dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Water" voor het perceel Straatweg 29, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1, wegens strijd met artikel 3:2 in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding goedkeuring te onthouden aan voornoemd plandeel.

2.8. Ballast Nedam en andere betogen tot slot dat aan de ontsluitingsweg van het perceel ten onrechte de bestemming "Verblijf" is toegekend. Zij wensen een bedrijfsbestemming voor deze weg, omdat zij door de verblijfsbestemming in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voorts wijzen Ballast Nedam en andere erop dat de weg hun eigendom is en uitsluitend fungeert als toegangsweg naar het perceel.

2.8.1. Het college heeft uiteengezet dat de ontsluitingsweg is bestemd overeenkomstig de feitelijke situatie. Onder het voorgaande plan was aan de weg evenmin een bedrijfsbestemming toegekend.

2.8.2. Blijkens de plankaart is aan de ontsluitingsweg van het perceel de bestemming "Verblijf" toegekend. Ingevolge artikel 15.1 van de planvoorschriften zijn de voor "Verblijf" aangewezen gronden bestemd voor wegen met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie en pleinen. De bestemming "Verblijf" is overeenkomstig de feitelijke situatie. Niet is gebleken dat het gebruik van de weg binnen de planperiode zal worden gewijzigd. Voorts hebben Ballast Nedam en andere niet aannemelijk gemaakt dat zij door de omstandigheid dat aan de ontsluitingsweg de bestemming "Verblijf" is toegekend in hun bedrijfsvoering worden aangetast. In hetgeen Ballast Nedam en andere hebben aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid met de aan de ontsluitingsweg toegekende bestemming "Verblijf" heeft kunnen instemmen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat eigendomsverhoudingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet van doorslaggevende betekenis zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

 

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 27 januari 2009, kenmerk 2009INT236201, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Straatweg 29;

b. artikel 4.3, onder a, van de planvoorschriften;

c. het plandeel met de bestemming "Water" voor het perceel Straatweg 29, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II. genoemde planonderdelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft het onder III. genoemde in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 27 januari 2009;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij Ballast Nedam en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan Ballast Nedam en andere het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Sloten w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

466-575.