Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200910072/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 september 2007, gewijzigd bij besluit van 2 oktober 2007, heeft het college aan de stichting Stichting Sportclub Overleek een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet (hierna: de Dhw) verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf in de zogenoemde 'grote zaal' van clubgebouw "De Boerenhemel" op het perceel Overleek 13 te Monnickendam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910072/1/H3.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] (hierna: [appellant A] en anderen), allen wonend te Monnickendam, gemeente Waterland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 november 2009 in zaak nr. 08/1407 in het geding tussen:

[appellant A] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Waterland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2007, gewijzigd bij besluit van 2 oktober 2007, heeft het college aan de stichting Stichting Sportclub Overleek een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet (hierna: de Dhw) verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf in de zogenoemde 'grote zaal' van clubgebouw "De Boerenhemel" op het perceel Overleek 13 te Monnickendam.

Bij uitspraak van 13 november 2009, verzonden op 17 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2010, waar [appellant A] en anderen, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J.F.M. Asselbergs, werkzaam bij de gemeente Waterland, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de stichting, vertegenwoordigd door haar [voorzitter], bijgestaan door M. van Wijk van Juridisch Adviesbureau MW, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3 van de Dhw is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 10 dient de inrichting te voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur in het belang van de sociale hygiëne te stellen eisen.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, voor zover thans van belang, kan bij gemeentelijke verordening, de inspecteur gehoord, het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank worden verboden.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kunnen bij een verordening als bedoeld in het eerste lid regels worden gesteld omtrent de voorschriften die aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 kunnen worden verbonden.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, wordt een vergunning geweigerd, indien:

a. niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen;

b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn;

c. artikel 7, tweede lid, of artikel 31, derde lid, zich tegen de verlening van de gevraagde vergunning verzet;

d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een of meer van de bij of krachtens de artikelen 2 en 13 tot en met 24 gestelde verboden zal worden overtreden of dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, wordt een vergunning verleend, indien geen der in artikel 27 bedoelde weigeringsgronden aanwezig is.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet, zijn in de onmiddellijke nabijheid van een horecalokaliteit, ten behoeve van de bezoekers, ten minste twee volledig van elkaar gescheiden toiletgelegenheden aanwezig.

Ingevolge het tweede lid bevat elke toiletgelegenheid ten minste:

a. een of meer behoorlijke en afsluitbare toiletruimten;

b. een of meer behoorlijke voorzieningen om de handen met stromend deugdelijk drinkwater te kunnen wassen.

Ingevolge het derde lid zijn de in de toiletruimten aanwezige toiletpotten en urinoirs voorzien van een waterspoeling.

Ingevolge het vierde lid zijn de toiletruimten niet rechtstreeks toegankelijk vanuit een horecalokaliteit.

2.1.1. Volgens paragraaf 2.2 van de Nota Horecabeleid gemeente Waterland, vastgesteld door de raad van de gemeente Waterland op 14 oktober 1999 (hierna: de Nota), kan een vergunning krachtens de Dhw alleen worden geweigerd als niet voldaan wordt aan de inrichtingseisen, eisen zedelijk gedrag of eisen sociale hygiëne.

Volgens paragraaf 2.4, onder het kopje "Bestemmingsplan", moeten verzoeken om vestiging/uitbreiding van horeca-inrichtingen allereerst aan het betreffende bestemmingsplan worden getoetst. Vervolgens zal aan andere wetten zoals de Dhw en de Wet milieubeheer getoetst moeten worden om te kunnen bepalen of vestiging c.q. uitbreiding van een horeca-inrichting mogelijk is.

Volgens paragraaf 3.2, onder het kopje "Nieuw beleid ten aanzien van vergunning Dhw/gedoogtoestemming", kan de situatie ontstaan dat formeel de vergunning moet worden verleend, omdat aan alle eisen van de Dhw wordt voldaan, maar dat het horecabedrijf nog niet geopend kan worden om redenen gelegen buiten de Dhw, bijvoorbeeld strijd met het bestemmingsplan. Van de Dhw-vergunning kan derhalve dan nog geen gebruik worden gemaakt.

2.2. Bij besluit van 19 maart 2003 heeft het college vastgesteld dat op het betreffende perceel met opstallen op grond van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" overgangsrecht van toepassing is ten aanzien van het niet-agrarische gebruik daarvan. Het overgangsrechtelijk toegestane niet-agrarische gebruik is bij dat besluit beperkt tot een aantal specifiek omschreven buurtverenigingsactiviteiten en het organiseren van feestweken met een tent in de zomer. Bij besluit van 15 juni 2004 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 oktober 2003 in zaak nr. 03/759 (aangehecht), één van de aan het besluit van 19 maart 2003 verbonden voorschriften gewijzigd en dat besluit voor het overige gehandhaafd. Tevens heeft het college in dat besluit medegedeeld dat ten behoeve van de uitvoering van die activiteiten een aantal vergunningen is vereist, waaronder een gebruiksvergunning, een exploitatievergunning en een vergunning krachtens de Dhw.

De thans in het geding zijnde vergunning krachtens de Dhw voor het uitoefenen van een horecabedrijf dient volgens het college te worden bezien tegen deze achtergrond. Het college heeft de stichting de vergunning verleend onder de voorwaarde dat deze niet geldt voor bijeenkomsten in de privésfeer die geen verband houden met de hoofddoelstellingen van de stichting. Daarnaast heeft het college de stichting uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 oktober 2003 en de als gevolg van het overgangsrecht zeer beperkende werking voor het gebruik van de vergunning, zoals neergelegd in het besluit van 15 juni 2004, onverkort gelden.

2.3. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in artikel 27 van de Dhw vervatte weigeringsgronden als limitatief moeten worden aangemerkt en dat daaronder niet valt strijdigheid met de bestemmingsplanvoorschriften. Volgens [appellant A] en anderen geeft de rechtbank een te enge uitleg aan de Dhw en dient de vergunning, nu het voorgestane niet-agrarische gebruik van de 'grote zaal' in strijd is met het bestemmingsplan, te worden geweigerd op grond van de Nota, gelezen in verbinding met de artikelen 23 en 26 van de Dhw.

[appellant A] en anderen betogen voorts dat de rechtbank in dat verband te voorbarig is geweest met haar overweging ten overvloede dat het recht tot gebruik van de 'grote zaal' niet meer is beperkt tot agrarische activiteiten, nu in de gebruiksvergunning voor het in gebruik hebben of houden van het clubgebouw "De Boerenhemel", die het college op 15 september 2004 heeft verleend aan [voorzitter], de eigenaar van het betreffende perceel, is vermeld dat het overgangsrechtelijk toegestane niet-agrarische gebruik mag plaatsvinden in de 'grote zaal'. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is die vergunning nog niet rechtens onaantastbaar aangezien zij daartegen rechtsmiddelen hebben aangewend, aldus [appellant A] en anderen.

2.3.1. Het betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 oktober 2003 in zaak nr. 200303593/1) blijkt uit de tekst van artikel 28, eerste lid, van de Dhw dat de in artikel 27 vervatte weigeringsgronden als limitatief moeten worden aangemerkt. Ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling blijkt dat de Dhw een stelsel van imperatieve vergunningverlening behelst, inhoudende dat een vergunning verleend moet worden indien geen van de in de Dhw genoemde weigeringsgronden zich voordoet (Kamerstukken II 1997/98, 25 969, nr. 3, blz. 33). De rechtbank heeft onder verwijzing naar voormelde uitspraak van 29 oktober 2003 terecht overwogen dat de door [appellant A] en anderen gestelde strijdigheid met de bestemmingsplanvoorschriften geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 27 van de Dhw vormt. Voorts is, anders dan [appellant A] en anderen betogen, de Nota geen gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 23, eerste en derde lid, van de Dhw.

Aangezien strijd met het bestemmingsplan geen grond is om de vergunning te weigeren, kan thans in het midden blijven of het uitoefenen van een horecabedrijf in de 'grote zaal' al dan niet daarmee in strijd is. In de door [appellant A] en anderen terecht aangevoerde omstandigheid dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gebruiksvergunning, waaruit volgens haar blijkt dat het overgangsrechtelijk toegestane niet-agrarische gebruik mag plaatsvinden in de 'grote zaal', rechtens onaantastbaar is, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 200908716/1/H3 heeft de Afdeling overigens de uitspraak van de rechtbank Haarlem in zaak nr. 09/1183, waarbij het beroep van [appellant A] en anderen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaar tegen de gebruiksvergunning ongegrond is verklaard, bevestigd. Daarmee staat thans vast dat de gebruiksvergunning in rechte onaantastbaar is.

2.4. [appellant A] en andere betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 27 van de Dhw.

Volgens [appellant A] en anderen doet de weigeringsgrond bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder a, van de Dhw zich voor, omdat de horeca-inrichting niet voldoet aan de krachtens artikel 10 van de Dhw gestelde hygiënevereisten ten aanzien van de toiletvoorziening.

Voorts doet zich volgens [appellant A] en anderen de weigeringsgrond voor bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder d, van de Dhw, aangezien de stichting stelselmatig de aan de vergunning verbonden beperkingen overtreedt, onder meer door het schenken van alcoholhoudende dranken aan gasten van de boerencamping van [voorzitter].

2.4.1. De rechtbank heeft de beroepsgronden van [appellant A] en anderen ten aanzien van het niet in acht nemen van de hygiënebepalingen ten aanzien van de toiletvoorziening in de 'grote zaal' terecht verworpen bij gebrek aan feitelijke onderbouwing en voldoende motivering. In hoger beroep hebben [appellant A] en anderen nogmaals aangevoerd dat de toiletvoorziening niet op de riolering is aangesloten. Het college heeft in het verweerschrift in hoger beroep bevestigd dat dit zo is. Nu deze omstandigheid op zichzelf evenwel niet in strijd is met artikel 7 van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet, zijnde de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 10 van de Dhw, kan het betoog ten aanzien van de weigeringsgrond bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder a, van de Dhw ook thans niet slagen.

2.4.2. Ter onderbouwing van het betoog dat de weigeringsgrond bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder d, van de Dhw zich voordoet, hebben [appellant A] en anderen een aantal bij de rechtbank overgelegde producties opnieuw in het geding gebracht. Dit zijn een verslag van een gesprek van 3 april 2006 gehouden tussen [voorzitter] en de burgemeester, bijgestaan door twee ambtenaren van de gemeente Waterland, over de voortgang van de vergunningaanvragen voor "De Boerenhemel", een ongedateerde reactienota naar aanleiding van de zienswijzen over het realiseren van een boerencamping op het betreffende perceel, een aan [voorzitter] gerichte brief van het college van 16 december 2009, en een ongedateerde foto. Op die foto is volgens [appellant A] en anderen te zien dat in "De Boerenhemel" alcoholhoudende dranken worden geschonken aan gasten van de boerencamping van [voorzitter].

Het college heeft de stichting de vergunning verleend onder het beperkende voorschrift dat deze niet geldt voor bijeenkomsten in de privésfeer die geen verband houden met de hoofddoelstellingen van de stichting. [appellant A] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college ten tijde van het verlenen van de vergunning redelijkerwijs moest aannemen dat in strijd zal worden gehandeld met dat voorschrift. Het in "De Boerenhemel" schenken van alcohol aan gasten van de boerencamping, wat een overtreding van dat voorschrift zou inhouden, kan op grond van de foto niet worden vastgesteld nu daarop alleen is te zien dat een aantal mensen drank nuttigt. De overige overgelegde stukken maken melding van het feit dat [voorzitter] zich meermalen niet heeft gehouden aan het bij het besluit van 15 juni 2004 vastgestelde overgangsrechtelijk toegestane niet-agrarische gebruik van het betreffende perceel met opstallen. Het overgangsrechtelijk toegestane gebruik maakt evenwel geen deel uit van de aan de vergunning verbonden voorschriften. Voorts ziet artikel 27, eerste lid, onder d, van de Dhw niet op de overlast die [appellant A] en anderen stellen te ondervinden doordat "De Boerenhemel" zich niet zou houden aan de openingstijden en door het parkeren van de bezoekers, nu daarmee geen verboden worden overtreden als bedoeld in de artikelen 2 en 13 tot en met 24 van de Dhw.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor het college geen grond bestond om de gevraagde vergunning te weigeren en dat het deze op goede gronden heeft verleend. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Graat

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

307-611.