Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1116

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200909849/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 september 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning met vrijstaande garage op het perceel [locatie A] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909849/1/H1.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonende te [woonplaats], gemeente Zuidhorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 november 2009 in zaak nr. 09/815 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning met vrijstaande garage op het perceel [locatie A] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 10 november 2009, verzonden op 12 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2010, waar [appellant] en [echtgenote], bijgestaan door mr. J.A. Wols, en het college, vertegenwoordigd door L.C. Dijkstra en A.M. de Roos, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Aduard", omdat op het perceel de bestemming "Woongebied" rust en ingevolge de bij die bestemming behorende planvoorschriften het aantal woningen ten hoogste het bestaande aantal mag bedragen. Teneinde bouwvergunning voor het bouwplan te kunnen verlenen heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.2. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de Ruimtelijke Ordening, aangegeven categorieën van gevallen.

2.3. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Hiertoe voeren zij aan dat het bouwplan niet past binnen de door het college van gedeputeerde staten van de provincie Groningen (hierna: gedeputeerde staten) aangegeven categorieën van gevallen. In dit verband voeren zij aan dat het bouwplan naar aard en schaal niet past in de bestaande ruimtelijke en functionele structuur, dat Aduard een klein dorp is als bedoeld in het Provinciaal Omgevingsplan Groningen (hierna: POP II) en dat het project afbreuk doet aan omringende functies en bestemmingen.

2.3.1. Bij besluit van 8 augustus 2006 hebben gedeputeerde staten de "Provinciale projectenlijst ex artikel 19, tweede lid, van de WRO" vastgesteld. Hierin staat dat als categorie, waarvoor vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO kan worden verleend, is aangewezen: het bouwen van woningen ten behoeve van aan de kern gerelateerde functies, ter opvulling van een reeds bestaande open plek, mits:

1. het project naar aard en schaal in de bestaande ruimtelijke en functionele structuur past, met dien verstande dat open plekken in een klein dorp als bedoeld in het POP II uitsluitend met woningbouw worden opgevuld;

2. de met gedeputeerde staten gemaakte afspraken over het aantal te bouwen woningen in de gemeente in acht worden genomen. Indien het bouwen in een klein dorp betreft is voor het verlenen van vrijstelling een verklaring van geen bezwaar vereist;

3. (…)

De vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO wordt alleen gebruikt indien en voor zover een project geen onevenredige afbreuk doet aan omringende functies en bestemmingen.

2.3.2. In het POP II is als essentieel beleidsuitgangspunt opgenomen dat in dorpen waar de meest wezenlijke voorzieningen nog aanwezig zijn, kan worden gebouwd voor de lokale behoefte. Deze wordt bepaald door de te verwachten groei van het aantal huishoudens. Voorts is als zodanig uitgangspunt vermeld dat in de kleinste dorpen alleen incidenteel mag worden gebouwd, bijvoorbeeld om het beeld van het dorp of landschap te versterken of voor specifieke doelgroepen als ouderen en gehandicapten. Daartoe is uiteengezet dat gestreefd wordt naar concentratie van woningbouw in centrumdorpen, zijnde dorpen met een redelijk volwaardig en compleet pakket aan voorzieningen, dat men in kleinere dorpen zeer terughoudend is met het toestaan van nieuwbouw, terwijl in de kleinste dorpen woningbouw alleen wenselijk is waar dit de beeldkwaliteit van deze dorpen versterkt. Een aantal dorpen, niet zijnde centrumdorpen beschikt nog over behoorlijke voorzieningen en kunnen in dat opzicht worden beschouwd als complete dorpen. In deze dorpen kan in ieder geval worden gebouwd voor de eigen behoefte die voortvloeit uit gezinsverdunning, aldus het POP II.

2.3.3. Het bouwplan vult een open locatie in een bestaand bebouwingslint. Uit het verweerschrift van het college van 3 februari 2010 en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat met de bebouwingsvorm zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bebouwingsstructuur van de omgeving, bestaande uit vrijstaande bebouwing en twee-onder-een kap woningen. Anders dan [appellant] en anderen betogen, heeft het college zich derhalve op goede gronden op het standpunt gesteld dat het bouwplan naar aard en schaal in de bestaande ruimtelijke en functionele structuur past. Niet in geschil is dat in Aduard zodanige voorzieningen aanwezig zijn dat het kan worden aangemerkt als een compleet dorp als bedoeld in het POP II. Het POP II voorziet ten aanzien van complete dorpen in andere mogelijkheden voor woningbouw dan ten aanzien van kleine dorpen. Naar het oordeel van de Afdeling volgt reeds hieruit dat een compleet dorp, anders dan [appellant] en anderen betogen, niet tevens als klein dorp kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college verklaring van geen bezwaar had behoren te vragen. Voorts is aan het naastgelegen perceel [locatie B] een woonbestemming toegekend. Anders dan [appellant] en anderen betogen, bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het onderhavige bouwplan onevenredige afbreuk doet aan omringende functies en bestemmingen. Dat het perceel [locatie B] feitelijk in strijd met de woonbestemming wordt gebruikt ten behoeve van een timmerbedrijf, doet hieraan niet af. Bij beantwoording van de vraag of een bouwplan past binnen genoemde categorie van de provinciale vrijstellingenlijst dient het begrip omringende functies en bestemmingen niet in feitelijke zin, doch in planologische zin te worden uitgelegd. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat het college bevoegd was tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

17-270-593.