Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1114

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200909096/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het dagelijks bestuur aan de Stichting Onze Lieve Vrouwe Gasthuis vrijstelling, ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de begane grondverdieping en het maken van een nieuwe gevel aan het bouwdeel H van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (hierna: OLVG) op het perceel Oosterpark 9 te Amsterdam

(hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909096/1/H1.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2009

in zaak nr. 08/403 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost-Watergraafsmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het dagelijks bestuur aan de Stichting Onze Lieve Vrouwe Gasthuis vrijstelling, ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de begane grondverdieping en het maken van een nieuwe gevel aan het bouwdeel H van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (hierna: OLVG) op het perceel Oosterpark 9 te Amsterdam

(hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 29 mei 2008 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 5 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2009, hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2010, waar [appellant] is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding met 73 m² van de begane grondverdieping van bouwdeel H van het OLVG, alsmede in een wijziging van de gevel ter plaatse van de uitbreiding. Het bouwplan is voorzien in een zogenoemde binnentuin op het perceel.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur hem terecht geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij het besluit van 29 mei 2008 heeft geacht. Hij voert daartoe aan dat hij, op grond van het afstands- en het zichtcriterium, alsmede vanwege de omstandigheid dat door het bouwplan groen uit zijn omgeving zal verdwijnen, wel belanghebbend is.

2.2.1. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit.

2.2.2. Vast staat dat [appellant] in de directe omgeving van het te realiseren bouwplan woont. Dit enkele feit maakt echter niet dat zijn belang hiermee rechtstreeks wordt geraakt, nu, zoals ter zitting is komen vast te staan, [appellant] geen bewoner is van een direct aan het perceel grenzend perceel en dat tussen zijn woning en de locatie van het bouwplan een hoog gebouw aanwezig is, waardoor hij geen direct zicht heeft op het voorziene bouwwerk. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan, dat een relatief geringe wijziging van één van de gebouwen van het OLVG inhoudt, zodanig is, dat [appellant] om die reden als rechtstreeks belanghebbend bij het besluit tot verlening van de vrijstelling, ontheffing en de bouwvergunning dient te worden aangemerkt.

De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het dagelijks bestuur [appellant] terecht niet rechtstreeks belanghebbend bij het besluit heeft geacht. Dat, zoals hij stelt, groen uit zijn omgeving zal verdwijnen doet aan de juistheid van dit oordeel niet af, nu, voor zover hij al zicht heeft op dit groen, dat hem niet in voldoende mate onderscheidt van anderen.

2.3. Gezien het voorgaande wordt aan hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, niet toegekomen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

414-640.