Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1113

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200908625/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het college aan de Stichting Domein Wonen te Eindhoven (hierna: vergunninghoudster) bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een tijdelijke erfafscheiding op het perceel kadastraal bekend gemeente Best, sectie B, nummer 2659, plaatselijk bekend Terraweg te Best (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908625/1/H1.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te Best,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 september 2009 in zaak nr. 08/2239 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Best.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het college aan de Stichting Domein Wonen te Eindhoven (hierna: vergunninghoudster) bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een tijdelijke erfafscheiding op het perceel kadastraal bekend gemeente Best, sectie B, nummer 2659, plaatselijk bekend Terraweg te Best (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 mei 2008 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bij besluit van 30 oktober 2007 verleende bouwvergunning, onder verlening van ontheffing krachtens artikel 2.5.18, tweede lid, van de Bouwverordening van de gemeente Best (hierna: de bouwverordening) gehandhaafd.

Bij uitspraak van 30 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2010, waar [twee van de appellanten], bijgestaan door mr. G.J.B.C. Maton, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.C.W. Vorstenbosch en drs. M.W.C.C. van Rooij, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een erfafscheiding rondom het perceel, dat in eigendom is bij vergunninghoudster. Het bouwwerk is opgebouwd uit zogenoemde legoblokken van 0,63 m hoog. Omdat afwisselend één en twee blokken op elkaar zijn geplaatst, heeft de erfafscheiding een afwisselende hoogte van 0,63 m, dan wel 1,26 m.

2.2. De erfafscheiding is voorzien op gronden die ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Woonwagencentrum" zijn bestemd voor "Woonwagencentrum".

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op de voor "Woonwagencentrum" aangewezen gronden, voor zover thans van belang, worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals terrassen, pergola’s, zitgelegenheden en speelwerktuigen en terreinafscheidingen.

Ingevolge artikel 2.5.18, eerste lid, van de bouwverordening zijn erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, niet toegelaten.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, voor zover thans van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening.

2.3. Niet in geschil is dat het in het bouwplan voorziene bouwwerk wat betreft de hoogte ervan niet voldoet aan het bepaalde in artikel 2.5.18, eerste lid, van de bouwverordening. Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het college met toepassing van het bepaalde in artikel 2.5.18, tweede lid, ontheffing verleend.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun beroepsgrond dat het college niet bevoegd was om de ontheffing te verlenen, nu niet is gebleken waarom "het belang van het af te scheiden erf of terrein" als bedoeld in artikel 2.5.18, tweede lid, van de bouwverordening uitsluitend kan worden gediend door verlening van de ontheffing.

2.4.1. Anders dan [appellanten] stellen, is de rechtbank niet aan deze beroepsgrond voorbij gegaan. De rechtbank heeft overwogen dat het in het belang van het af te scheiden terrein kan worden geacht om de erfafscheiding uit te voeren op de wijze als bedoeld in het bouwplan, nu de muur dient om te voorkomen dat toegang wordt verschaft tot het perceel. Hieruit volgt dat de rechtbank een oordeel heeft gegeven over de bevoegdheid van het college om ontheffing te verlenen. Voor zover wordt betoogd dat het belang van het af te scheiden terrein evengoed kan worden gediend door realisering van een erfafscheiding waarvan de afmetingen voldoen aan hetgeen is toegestaan volgens artikel 2.5.18, eerste lid, van de bouwverordening, wordt overwogen dat het college dient te besluiten op de aanvraag zoals deze is ingediend. Anders dan [appellanten] stellen, vloeit uit de bouwverordening niet voort dat niet is voldaan aan het vereiste als genoemd in het tweede lid van artikel 2.5.18, als met het realiseren van een lagere erfafscheiding, wat daar ook van zij, ook kon worden volstaan.

Het betoog faalt.

2.5. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat door het verlenen van de ontheffing hun belangen onevenredig worden geschaad. Zij voeren daartoe aan dat het bouwwerk, dat zij als zeer kolossaal ervaren, hun uitzicht beperkt en dat voor hen de negatieve ruimtelijke impact ervan zeer groot is.

2.5.1. Dit betoog faalt eveneens. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij het besluit om de ontheffing te verlenen, de belangen van vergunninghoudster bij afscherming van het perceel in redelijkheid heeft mogen laten prevaleren boven de belangen van de omwonenden. Daarbij heeft de rechtbank terecht mede in aanmerking genomen dat de erfafscheiding een wisselende hoogte heeft en dat volwassen personen er over heen kunnen kijken, zodat in die zin geen gesloten beeld ontstaat. Verder is van belang dat een erfafscheiding met een hoogte van 1 m bouwvergunningvrij is toegestaan en de ontheffing betrekking heeft op een overschrijding van de hoogte ter plaatse van de gestapelde legoblokken met slechts 0,26 m.

Voor zover [appellanten] ter zitting nog hebben aangevoerd dat uit de gedingstukken ten onrechte naar voren komt dat zij het betrokken perceel in het verleden onrechtmatig in gebruik hebben genomen, wordt overwogen dat die omstandigheid, wat daar verder van zij, in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

414-640.