Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1112

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200908361/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een paardenfokkerij met bedrijfswoning op het perceel [locatie] naast nr. […] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908361/1/H1.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 september 2009 in zaak nr. 07/8785 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats], gemeente Pijnacker-Nootdorp,

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een paardenfokkerij met bedrijfswoning op het perceel [locatie] naast nr. […] te [plaats].

Bij besluit van 15 oktober 2007 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage het door [wederpartij], daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 15 oktober 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 november 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [wederpartij] hebben elk een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.L. van Popering en mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaten te Alphen aan de Rijn, bijgestaan door J.C. van Eeden, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. J. Wildschut en G. Schotte, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een stal, een berging, een buitenbak, een paddock, een mestplaats, een stapmolen en een bedrijfswoning. De te bebouwen oppervlakte bedraagt 1237 m².

Volgens het bedrijfsplan wil [wederpartij] ter plaatse dertien fokmerries houden, die jaarlijks tien veulens voortbrengen. Deze veulens zullen ter plaatse worden opgefokt en op driejarige leeftijd zadelmak worden gemaakt. De twee paarden met de minste kwaliteit zullen dan worden verkocht. De andere paarden worden een jaar getraind. Na dit jaar worden de twee beste paarden verder getraind, terwijl de andere worden verkocht.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden, klasse D".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder s, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften), voor zover thans van belang, wordt in deze voorschriften verstaan onder agrarisch bedrijf: een veehouderij, veemesterij, akkerbouw- of tuinbouwbedrijf dan wel een uit één of meer eerdergenoemde bedrijfsvormen samengesteld bedrijf.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder ao, wordt in deze voorschriften verstaan onder Handleiding: de Handleiding agrarische bouwaanvragen en aanlegvergunningen, zoals die luidt op het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van onderhavige herziening.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor aan de grond gebonden agrarische bedrijven met de daartoe benodigde bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken, met dien verstande dat in beginsel alleen bedrijfsgebouwen, dienstwoningen, andere bouwwerken en andere werken toelaatbaar zijn die noodzakelijk zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven. De bij artikel 32, derde lid, gegeven procedureregels zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 32, derde lid, wordt bij de beoordeling van de vraag of de bedrijfsgebouwen, dienstwoningen, andere bouwwerken en andere werken noodzakelijk zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven de Handleiding in acht genomen. Een door de gemeente aangewezen agrarisch deskundige kan daarbij worden geraadpleegd.

Volgens paragraaf 3.2 van de Handleiding agrarische bouwaanvragen en aanlegvergunningen (hierna: de Handleiding) geeft elk bestemmingsplan zelf in de begripsomschrijving en/of bestemmingsdoelen aan welke activiteiten onder het begrip agrarisch bedrijf vallen. Het is aan het bestemmingsplan te bezien hoe breed of smal dit begrip wordt geformuleerd.

Op sommige agrarische bedrijven komen activiteiten voor die zijn gericht op de verwerking of verhandeling van producten, zoals het maken van kaas of het verpakken van aardappelen en uien. Zolang deze activiteiten beperkt blijven tot op het eigen bedrijf voortgebrachte producten worden ze in het algemeen beschouwd als een geïntegreerd onderdeel van het agrarisch bedrijf en passend binnen de agrarische bestemming.

Volgens paragraaf 3.3 van de Handleiding is een volwaardig bedrijf een bedrijf waarin een volwaardige arbeidskracht gedurende het gehele jaar een volledige dagtaak vindt en dat voldoende bestaansmogelijkheden biedt om duurzaam bij wijze van hoofdberoep te worden geëxploiteerd. Bij de beoordeling van volwaardigheid staan dus twee vragen centraal:

- is er sprake van een volwaardige arbeidskracht, en

- is het bedrijf en de arbeidskracht "duurzaam"

Het bedrijf moet werk en inkomen leveren voor minimaal één volwaardige arbeidskracht. Een volwaardige arbeidskracht is iemand die gedurende het gehele jaar een volledige dagtaak in het bedrijf vindt en hierin het hoofdberoep, hoofdinkomen en hoofdbestaan vindt.

Volgens paragraaf 5.5.6, onder a, van de Handleiding kan gelet op de algemene omschrijving in bestemmingsplannen met betrekking tot de definitie van een agrarisch bedrijf ten aanzien van de paardenhouderij alleen het fokken van veulens en de opfok van jonge paarden met de daaraan verbonden basistraining tot een leeftijd van twee à drie jaar beschouwd worden als een agrarische activiteit.

Daarnaast zijn er vele andere (niet-agrarische) activiteiten op het gebied van paardenhouderij, zoals training en africhting van paarden, handel in paarden, stalling van pensionpaarden en manegeactiviteiten.

Vaak heeft een paardenhouderij betrekking op een mengvorm van meerdere activiteiten.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe voert het aan dat het bouwplan in strijd is met de bebouwingsvoorschriften uit het bestemmingsplan. Voorts voert het daartoe aan dat het bedrijf van [wederpartij] niet als volwaardig agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt, zodat het bouwplan zijns inziens niet noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van een volwaardig agrarisch bedrijf.

2.3.1. Het college heeft aan zijn weigering om bouwvergunning eerste fase te verlenen ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften, omdat het volgens de door hem ingewonnen adviezen van de agrarisch deskundige DCMR niet voorziet in bebouwing die noodzakelijk is ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf. Nu het college zich in het besluit op bezwaar niet op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met de bebouwingsvoorschriften uit het bestemmingsplan, heeft de rechtbank terecht niet bij haar beoordeling betrokken of dit standpunt juist is.

2.3.2. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft het college terecht alleen het fokken van veulens en de opfok van jonge paarden met de daaraan verbonden basistraining tot een leeftijd van twee à drie jaar beschouwd als een agrarische activiteit. Het college heeft daartoe terecht paragraaf 5.5.6, onder a, van de Handleiding in acht genomen, zoals ingevolge artikel 32, derde lid, van de planvoorschriften is vereist. In de zaken die voorlagen in de door de rechtbank aangehaalde uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 augustus 1996 in zaak nr. R03.94.0300 en van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2008 in zaak nr. 08/367 (www.rechtspraak.nl) bevatte het relevante bestemmingsplan niet een voorschrift waarin is bepaald dat de Handleiding in acht dient te worden genomen. Bij de uitleg van het begrip "agrarisch bedrijf" kan derhalve geen aansluiting worden gezocht bij deze uitspraken. Het betoog van [wederpartij] dat de in de Handleiding vermelde leeftijd van twee à drie jaar achterhaald is en niet ruimtelijk relevant, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. De mogelijkheid om de gelding van de toepasselijke bestemmingsregeling aan de orde te stellen, strekt niet zover dat het desbetreffende onderdeel van het bestemmingsplan aldus opnieuw kan worden onderworpen aan de bij de goedkeuring van het plan te hanteren toetsingsmaatstaf. Geen grond bestaat voor het oordeel dat artikel 32, derde lid, van de planvoorschriften, buiten toepassing dient te worden gelaten.

In de begroting in het bedrijfsplan van het bedrijf van [wederpartij] van 3 oktober 2005, dat door DLV is opgesteld, is vermeld dat van de verwachte € 55.486,00 aan opbrengsten € 4.924,00 is verwacht uit de verkoop van aangereden opfokpaarden, € 31.278,00 uit de verkoop van sportpaarden en € 19.284,00 uit de verkoop van doorgetrainde sportpaarden. Het bedrijf van [wederpartij] levert blijkens het bedrijfsplan geen inkomen uit het fokken van paarden, voor zover dat kan worden beschouwd als agrarische activiteit, voor minimaal één volwaardige arbeidskracht. Nu het bedrijf van [wederpartij], gelet op paragraaf 3.3 van de Handleiding, derhalve niet kan worden aangemerkt als een volwaardig agrarisch bedrijf, heeft het college het bouwplan terecht niet noodzakelijk geacht voor een doelmatige bedrijfsvoering van een volwaardig agrarisch bedrijf en terecht in strijd geacht met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften.

Anders dan de rechtbank, komt de Afdeling niet toe aan de beoordeling van de vraag of het trainen van paarden samenhangt met het fokken van paarden en derhalve als een daaraan ondergeschikte nevenactiviteit kan worden beschouwd.

2.4. Gelet hierop zal de Afdeling alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgrond beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

2.5. [wederpartij] heeft betoogd dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. Daartoe heeft hij zich, onder verwijzing naar een aantal gevallen, op het gelijkheidsbeginsel beroepen.

2.5.1. Ten aanzien van de paardenfokkerij op het perceel [locatie a] heeft het college te kennen gegeven dat deze binnen de vrijgekomen agrarische complexen is toegestaan op basis van het overgangsrecht en dat hiervoor op basis van het overgangsrecht bouwvergunning is verleend, zodat geen vrijstelling was vereist. Ten aanzien van de percelen [locatie b, c en d] en heeft het college te kennen gegeven dat daar voorheen melkveehouderijen waren gevestigd en de bestaande opstallen mogen worden gebruikt voor het stallen van maximaal 25 paarden, mits aan de milieuvoorschriften kan worden voldaan. Gelet op deze toelichting, is niet gebleken dat het college vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend voor een bouwplan dat gelijk is aan of rechtens vergelijkbaar is met het bouwplan. In hetgeen [wederpartij] heeft aangevoerd is derhalve geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen weigeren.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 september 2009 in zaak nr. 07/8785;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Sloots

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

499.