Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1110

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200807269/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9625, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2007 heeft het college aan Schouten en De Jong Projectontwikkeling B.V. vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een ondergrondse parkeergarage, commerciële units (winkel/horeca) met 66 appartementen en twee maisonnettes op het perceel Damplein/Sluiskant te Leidschendam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2010, 1665
Gst. 2010/90 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
ABkort 2010/251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807269/1/H1.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Behoud Damplein Leidschendam, gevestigd te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 augustus 2008 in zaken nrs. 08/2148 en 08/3026 in het geding tussen:

1. de Stichting

2. [partij], wonend te Leidschendam

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2007 heeft het college aan Schouten en De Jong Projectontwikkeling B.V. vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een ondergrondse parkeergarage, commerciële units (winkel/horeca) met 66 appartementen en twee maisonnettes op het perceel Damplein/Sluiskant te Leidschendam.

Bij besluit van 20 maart 2008 heeft het college, voor zover hier van belang, het door onder meer de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 31 mei 2007 op onderdelen herzien.

Bij uitspraak van 22 augustus 2008, verzonden op 25 augustus 2008, heeft de rechtbank het door de Stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2009, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag, en [voorzitter] van de Stichting, en [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. D.M.C. Schuurmans, advocaat te Voorburg, en ing. S.N. Dijkstra, P. van der Ark, ing. M. le Cointre en ir. B. Ligthart, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Schouten en De Jong, vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton, haar [directeur] en [gemachtigde] gehoord.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Bij brief van 25 juni 2009 heeft de Afdeling het college om nadere informatie verzocht. Bij brief van 3 september 2009 heeft het college nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden, met uitzondering van de stukken ten aanzien waarvan het college heeft verzocht om geheimhouding, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Bij besluit van 24 november 2009 heeft de Afdeling in andere samenstelling beslist dat beperking van de kennisneming van de desbetreffende stukken gerechtvaardigd is. De Afdeling heeft de andere partijen gevraagd om toestemming om mede op de grondslag van de geheim te houden stukken uitspraak te doen. Deze toestemming is gegeven.

Bij brief van 5 januari 2010 heeft de Stichting een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 23 juni 2010, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag, en [voorzitter] van de Stichting, en [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. D.M.C. Schuurmans, advocaat te Voorburg, en P. van der Ark, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Schouten en De Jong, vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton en haar [directeur] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft, om realisering van het bouwplan mogelijk te maken, krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend. Ingevolge die bepaling kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad heeft die bevoegdheid gedelegeerd aan het college.

2.2. Voor zover de Stichting betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het college heeft miskend dat het bouwplan niet alleen in strijd is met het bestemmingsplan "Damcentrum" maar ook met het bestemmingsplan "Damlaan 1983", leidt dat, wat daar ook van zij, niet tot het beoogde doel, nu uit de "Ruimtelijke onderbouwing ex artikel 19, lid 1, WRO Damplein en Damstraat" van 27 juni 2006, geactualiseerd op 18 maart 2008, en het primaire besluit en het besluit op bezwaar duidelijk blijkt dat beoogd is ten behoeve van het gehele project krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen.

2.3. Gedeputeerde staten van Zuid-Holland hebben bij aan het college gerichte brief van 23 januari 2007 verklaard dat zij, de VROM-inspectie gehoord hebbende, geen bezwaar hebben tegen het bouwplan. Desgevraagd hebben gedeputeerde staten bij aan het college gerichte brief van 18 maart 2008 verklaard dat zij, de VROM-inspectie en het Stadsgewest Haaglanden gehoord hebbende, hun verklaring van geen bezwaar neergelegd in de brief van 23 januari 2007, handhaven. Er bestaat geen aanknopingspunt voor de juistheid van de door de Stichting geuite veronderstelling dat gedeputeerde staten het dagelijks bestuur van het stadsgewest Haaglanden niet daadwerkelijk hebben gehoord. Anders dan de Stichting betoogt heeft de rechtbank terecht overwogen dat is voldaan aan de hoorplicht van artikel 36m van de WRO. Ook valt niet in te zien dat de verklaring van 18 maart 2008 ondeugdelijk is omdat deze verwijst naar de eerdere verklaring waarin, naar gesteld, geen rekening is gehouden met de strijdigheden van het bouwplan met het bestemmingsplan "Damlaan 1983". Uit de verklaring blijkt genoegzaam dat gedeputeerde staten geen bezwaar hebben tegen vrijstelling voor het project als zodanig.

2.4. Vaststaat dat ook overigens aan de formele vereisten voor het toepassen van artikel 19, eerste lid, van de WRO is voldaan. Anders dan de Stichting betoogt, valt niet in te zien dat de rechtbank heeft miskend dat het college van de aanwending van die bevoegdheid had behoren af te zien en het bouwplan had moeten beoordelen aan de hand van een door hem vastgestelde uitwerking ingevolge artikel 11 van de WRO nadat door de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg een nieuw plan was vastgesteld als bedoeld in artikel 30 van de WRO. Er bestond voor het college geen verplichting die procedure te volgen en ook is niet gebleken van rechtens bindende toezeggingen dat het toepassing zou geven aan artikel 11 van die wet alvorens bouwvergunning te verlenen. De omstandigheid dat in de bestemmingsplanprocedure in de reactie op ingebrachte zienswijzen is aangegeven dat een nadere uitwerking van de bestemming "Uit te werken gebied voor centrumdoeleinden" dient te volgen waartegen opnieuw zienswijzen kunnen worden ingebracht, kan niet worden aangemerkt als zodanige toezegging. Bovendien is niet gebleken dat de Stichting in haar belangen is geschaad doordat het college niet die weg heeft bewandeld maar met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling heeft verleend.

2.5. Het college heeft in bezwaar nader onderzoek doen instellen naar de gevolgen van het project voor luchtkwaliteit en geluidhinder en heeft de aan het besluit van 31 mei 2007 ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing aangevuld. Voor zover de Stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat deze stukken in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb in de vrijstellingsprocedure niet ter inzage hebben gelegen, faalt dat betoog. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld (uitspraak van 20 mei 2009 in zaak nr. 200806453/1/H1), kunnen eventuele gebreken in de voorbereiding van het vrijstellingsbesluit in de bezwaarfase worden hersteld. Vaststaat dat de Stichting, daartoe in de gelegenheid gesteld, voorafgaand aan het besluit op bezwaar bij brief van 31 januari 2008 heeft gereageerd op deze stukken. Bovendien heeft op 7 februari 2008 een nadere hoorzitting van de bezwaarcommissie plaatsgevonden waarbij de Stichting was vertegenwoordigd. Aldus is het gebrek met betrekking tot onderzoek naar luchtkwaliteit en geluidhinder bij het besluit op bezwaar hersteld. Voor zover de Stichting betoogt dat de stukken niet duidelijk waren, dan wel haar geen duidelijk beeld van het beoogde project verschaften, faalt dat betoog. Het had op de weg van de Stichting gelegen daarover uitleg te vragen bij het college.

2.6. De bezwaarcommissie heeft op 9 oktober 2007 en - naar aanleiding van de reacties op de aangevulde ruimtelijke onderbouwing - op 21 februari 2008 advies uitgebracht aan het college. Deze adviezen zijn bij het besluit op bezwaar van 20 maart 2008 aan de Stichting toegezonden. Gelet op het bepaalde in artikel 7:13, zevende lid, van de Awb, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college niet gehouden was het advies van de bezwaarcommissie van 9 oktober 2007 vóór het nemen van het besluit op bezwaar aan de Stichting toe te zenden. De Stichting kan niet worden gevolgd in haar betoog dat zij in haar verdedigingsrechten is geschaad doordat zij eerst van dit advies heeft kennisgenomen bij het besluit op bezwaar. Zij heeft de rechtmatigheid van dat besluit in beroep ten volle kunnen betwisten.

2.7. In aanmerking nemende de omvang van het bouwplan en de gedeeltelijke situering daarvan op gronden waarop geen bebouwing, althans niet van deze aard en omvang, is toegestaan, heeft de Stichting terecht betoogt dat het project een ingrijpende inbreuk maakt op het bestaande planologische regime. Naarmate sprake is van een grotere inbreuk op het bestaande planologische regime dienen zwaardere eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project.

2.7.1. De ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door de "Ruimtelijke onderbouwing ex artikel 19, lid 1, WRO Damplein en Damstraat" van 27 juni 2006, die is geactualiseerd op 18 maart 2008. In de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar het Masterplan Damcentrum, vastgesteld door de gemeenteraad op 6 april 2004 alsmede het bestemmingsplan "Damcentrum", vastgesteld door de gemeenteraad bij besluit van 6 juni 2005. In het Masterplan is de beoogde herontwikkeling van het gebied neergelegd, gebaseerd op in 2002 geformuleerde en nadien uitgewerkte stedenbouwkundige uitgangspunten. In dat plan is voorzien in bebouwing op het Damplein met winkel-, woon- en horecavoorzieningen alsmede de bouw van een parkeergarage onder het plein. De beoogde ontwikkeling is verder uitgewerkt in het bestemmingsplan "Damcentrum" waarin aan het Damplein de bestemming "Uit te werken gebied voor centrumdoeleinden" is toegekend. In de uitwerkingsregels van het planvoorschrift bij die bestemming is concreet aangegeven aan welke maatvoering de bebouwing in ieder geval moet voldoen en zijn concrete parkeernormen opgenomen. Niet in geschil is dat het project grotendeels voldoet aan de in het bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsregels. Voor zover daarvan is afgeweken, betreft het geringe afwijkingen die in de ruimtelijke onderbouwing genoegzaam zijn gemotiveerd.

2.7.2. De Afdeling heeft bij uitspraak van 6 juni 2007 in zaak nr. 200601135/1 goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Uit te werken gebied voor centrumdoeleinden" onthouden omdat uit het aan de vaststelling van dat plan ten grondslag gelegde onderzoek onvoldoende was aangetoond dat voldaan kon worden aan de eisen van het Besluit luchtkwaliteit 2005 en voorts omdat de planvoorschriften de bouw van een parkeergarage met slechts één bouwlaag mogelijk maakten dit terwijl vaststond dat slechts aan de parkeerbehoefte in het plangebied kon worden voldaan bij een parkeergarage met twee bouwlagen. Voor het overige zijn bij die uitspraak de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond verklaard. Anders dan de Stichting betoogt brengt deze uitspraak niet met zich dat aan de door de gemeenteraad in het bestemmingsplan "Damcentrum" gemaakte keuze voor bebouwing op het Damplein de betekenis is ontnomen en dat dit bestemmingsplan om die reden in zoverre niet kan dienen als ruimtelijke onderbouwing.

2.7.3. Anders dan de Stichting betoogt, neemt de enkele omstandigheid dat in de door haar overgelegde stedenbouwkundige rapporten ten aanzien van de invulling van het Damplein als openbare ruimte andere keuzen worden aangegeven, waarbij een groter deel van de open ruimte van het Damplein behouden blijft, niet weg dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het college in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij de door de gemeenteraad, die bij uitsluiting bevoegd is tot het bestemmen van gronden, blijkens het bestemmingsplan "Damcentrum" voorgestane ontwikkeling van het Damplein en de in dat plan gemaakte stedenbouwkundige keuzen. In de uitspraak van 6 juni 2007 zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de bebouwing op het Damplein waarin het project voorziet, om stedenbouwkundige redenen in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening en uit dat oogpunt onaanvaardbaar moet worden geacht. Bij bedoelde uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het mogelijk maken van bebouwing op het Damplein niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uit hetgeen de Stichting heeft betoogd kan niet de verwachting worden ontleend dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ter zake van het bij hem ingediende verzoekschrift daarover anders zal oordelen.

2.8. Voor zover de Stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in de markt onvoldoende vraag bestaat naar de woningen en naar de winkel- en horecaruimten waarin het project voorziet, faalt dat betoog. De Stichting heeft niet aan de hand van concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat de vraag naar die woningen en winkel- en horecaruimten dermate gering is, dat dit aan uitvoering van het bouwplan in de weg staat.

2.9. Anders dan de Stichting verder betoogt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het project een onaanvaardbare inbreuk maakt op de bestaande cultuurhistorische waarden in het gebied rond de sluis. Het college heeft terecht in aanmerking genomen dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2007 heeft geoordeeld dat die waarden bescherming vinden in de bestemming "Waardevol dorpsgezicht" en in de in het vierde lid van artikel 26 van de planvoorschriften vervatte uitwerkingsregel. Voorts heeft de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in haar advies van 31 mei 2006 positief geadviseerd over de bebouwing aan de sluiszijde waarin het project voorziet.

2.10. De Stichting betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid.

2.10.1. In de ruimtelijke onderbouwing is voor de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen aansluiting gezocht bij de in artikel 26 van het bestemmingsplan "Damcentrum" gehanteerde parkeernormen. Deze bedragen 1,5 parkeerplaats per gestapelde woning, 3 parkeerplaatsen per 100 m² bedrijfsvloeroppervlak (hierna: bvo) overige detailhandelsvestigingen en 5 parkeerplaatsen per 100 m² bvo horeca. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2007 kan niet worden afgeleid dat deze normen onaanvaardbaar moeten worden geacht. Het bouwplan voorziet in 68 woningen, 1859 m² bvo overige detailhandelsvestigingen en 588 m² bvo horeca. Hiervan uitgaande bedraagt de parkeerbehoefte ten gevolge van het project 189 parkeerplaatsen. Niet is betwist dat het project voorziet in een ondergrondse parkeergarage van twee bouwlagen en in totaal 278 parkeerplaatsen. Dit in aanmerking nemende heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de thans aanwezige parkeerplaatsen op het Damplein die na realisering van het project komen te vervallen, in voldoende mate worden gecompenseerd. Het betoog van de Stichting dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte is voorbijgegaan aan bestaande tekorten in het plangebied van bedoeld bestemmingsplan, leidt, wat daar ook van zij, niet tot het ermee beoogde doel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 december 2005 in zaken nrs. 200502035/1 en 200502104/1) bij de beantwoording van de vraag of voorzien wordt in voldoende parkeermogelijkheden alleen rekening moet worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan. Een reeds bestaand tekort mag derhalve buiten beschouwing worden gelaten. De door de Stichting overgelegde memo's van Mobycon van 28 februari 2007 en 14 maart 2008 gaan ten onrechte uit van een ander uitgangspunt en leiden reeds daarom niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat de betreffende wethouder in de vergadering van de gemeenteraad van 6 april 2004 heeft aangegeven dat bewoners van de Delfsekade zich kunnen aanmelden voor een plek in de parkeergarage, daargelaten de betekenis van die uitnodiging, doet er niet aan af dat het project voldoet aan de parkeernorm van het bestemmingsplan "Damcentrum".

Het betoog faalt.

2.11. Met betrekking tot de gevolgen van het project voor de luchtkwaliteit is in de ruimtelijke onderbouwing verwezen naar de rapporten van Goudappel Coffeng van 14 december 2006 en 17 september 2007. In laatstbedoeld rapport is ten aanzien van de verkeersintensiteit in het onderzoeksgebied uitgegaan van de bestaande situatie in 2006, de situatie in 2015 na autonome groei van het aantal motorvoertuigenbewegingen per etmaal en de situatie in 2015 na de beoogde reductie van het aantal motorvoertuigenbewegingen per etmaal. Blijkens het rapport worden in geen van deze drie onderzochte scenario's grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit 2005 overschreden. Het betoog van de Stichting dat van een onjuiste bomenfactor is uitgegaan faalt. Vaststaat dat op het Damplein geen rij bomen aanwezig is of na realisering van het bouwplan wordt aangeplant. Gelet op de toelichting bij het gebruikte berekeningsmodel CAR II, versie 6.1, is bij het onderzoek terecht uitgegaan van bomenfactor 1. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat in het rapport is uitgegaan van onjuiste invoergegevens. De in het door de Stichting overgelegde briefadvies van Schoonderbeek en Partners Advies BV van 25 maart 2008 geplaatste kanttekeningen bij een aantal gebruikte invoergegevens worden voldoende weersproken in het advies van Goudappel van 4 juni 2008. De overgelegde e-mail van Schoonderbeek van 18 juni 2008 bevat in grote lijnen een herhaling van de eerdergenoemde kanttekeningen en is onvoldoende voor het oordeel dat het college zich niet heeft mogen baseren op het rapport van Goudappel van 17 september 2007.

2.12. De Stichting betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat ter plaatse van de woningen uit oogpunt van geluidhinder geen goed leef- en woonklimaat is verzekerd.

2.12.1. Vaststaat dat voor het Damplein, de Damlaan en de Sluiskant een maximumsnelheid geldt van 30 kilometer per uur. Gelet op artikel 74, eerste en tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet geluidhinder hebben deze wegen geen zone. Dat brengt met zich dat een overschrijding van de daarin genoemde waarden niet leidt tot een met die wet strijdige situatie. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 3 september 2003, in zaak nr. 200203751/1, kan niettemin uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet worden voorbijgegaan aan de vraag of ter plaatse van de woningen waarin het project voorziet een goed leef- en woonklimaat is verzekerd. Het college heeft bij besluit van 11 september 2007, overeenkomstig artikel 83, eerste en tweede lid, van de Wet geluidhinder, de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel vastgesteld op 63 dB. In het rapport van Goudappel van 15 november 2007 wordt geconcludeerd dat deze waarde met het aanbrengen van een asfaltverharding op het Damplein niet wordt overschreden, ook niet indien de verkeersintensiteit niet afneemt. Het door de Stichting overgelegde rapport van Kupers & Niggebrugge van 24 maart 2008 geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich gelet op het rapport van Goudappel niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een goed leef- en woonklimaat ter plaatse van bedoelde woningen kan worden verzekerd. Niet valt in te zien dat in dat rapport ten onrechte is uitgegaan van een aftrek van 5 dB als bedoeld in artikel 110g van de Wet geluidhinder nu artikel 3.6 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 daarin uitdrukkelijk voorziet. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat de in het rapport van Goudappel gemaakte berekeningen niet volgens dit voorschrift zijn uitgevoerd. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat ter plaatse van de woningen uit oogpunt van geluidhinder geen goed leef- en woonklimaat is verzekerd.

Het betoog faalt.

2.13. De Stichting betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeente Leidschendam-Voorburg in strijd met artikel 87, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag), thans artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU), financiële steun heeft verleend voor de realisering van het bouwplan.

2.13.1. Ingevolge artikel 107, eerste lid, van het VWEU, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

2.13.2. Voorop wordt gesteld dat de vraag of de gemeente in strijd met artikel 87, eerste lid, van het EG-Verdrag, thans artikel 107, eerste lid, van het VWEU, financiële steun heeft verleend, in deze procedure alleen aan de orde kan komen in het kader van de beoordeling of voldoende gewaarborgd is dat het bouwplan financieel uitvoerbaar is.

De stukken van het dossier bieden, mede gezien de nadere informatie die het college bij brief van 3 september 2009 op verzoek van de Afdeling heeft verschaft en de ter zitting door het college en Schouten en De Jong gegeven toelichting, onvoldoende grond voor het oordeel dat de gemeente in strijd met voormeld artikel financiële steun heeft verleend. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat de Stichting reeds in 2007 een klacht bij de Europese Commissie heeft ingediend over het handelen van de gemeente, maar deze geen beschikking heeft gegeven, waarin zij vaststelt dat de gemeente onrechtmatige steun heeft verleend en evenmin gebruik heeft gemaakt van de haar ingevolge de artikelen 10 en 11 van de Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (thans artikel 108 van het VWEU; PB 1999 L83) toekomende bevoegdheid tot het geven van een bevel tot het verstrekken van informatie of tot opschorting van de verleende steun.

Echter, ook indien de Stichting gevolgd zou moeten worden in haar betoog dat de gemeente op onrechtmatige wijze steun heeft verleend en die steun moet worden teruggevorderd, bestaat geen grond voor het oordeel dat onvoldoende is gewaarborgd dat het bouwplan financieel uitvoerbaar is. Daarbij is van belang dat het college gemotiveerd heeft gesteld dat in dat geval zal kunnen worden voorzien in de extra benodigde financiële middelen door een bezuiniging op de uitvoering van de inrichting van de rest van het plangebied, hetgeen mogelijk is door de hoogwaardige kwaliteit van uitvoering die daarvoor thans wordt voorgestaan. De Afdeling acht deze mogelijkheid gelet op de wijze waarop de financiële participatie van de gemeente in het project is geregeld en de omvang van de betrokken bedragen niet onaannemelijk. In dat verband heeft ook Schouten en De Jong ter zitting nog aangegeven dat de uitvoerbaarheid van het bouwplan verzekerd is, gezien de verhouding tussen de partijen en de samenstelling van het consortium voor de bouw. De Stichting heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid hiervan naar voren gebracht.

Het betoog faalt.

2.14. Voor zover de Stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de uitvoering van het bouwplan niet met inachtneming van de daarvoor geldende regels is aanbesteed, hetgeen het college ter zitting heeft bestreden, leidt dat evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat, voor zover de procedure op dit punt al gebreken vertoont, deze aan de uitvoering van het bouwplan in de weg staan.

2.15. De rechtbank heeft verder, gelet op de belangen die zijn gemoeid met de centrumfunctie van het Damplein die is beoogd met het project, in de door de Stichting gestelde uitzicht- en privacybelangen van bewoners van de nabijgelegen appartementengebouwen terecht geen grond gevonden voor vernietiging van het besluit op bezwaar. Niet aannemelijk is gemaakt dat de inbreuk op de gestelde belangen van omwonenden tengevolge van het project onaanvaardbaar moet worden geacht. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de ruimte voor horecabedrijven waarin het project voorziet leidt tot onaanvaardbare overlast. Het college heeft bij het besluit op bezwaar aan de vrijstelling de voorwaarde verbonden dat slechts de vestiging van zogenoemde lichte horeca uit de categorie I van de bijlage van het bestemmingsplan "Damcentrum" is toegestaan.

Het betoog van de Stichting dat de rechtbank heeft miskend dat het college nader onderzoek had moeten doen naar een door de Stichting gepresenteerd alternatief plan voor de ontwikkeling van het Damplein, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 augustus 2006 in zaak nr. 200508708/1) kan, indien het bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. De Stichting heeft dat niet aannemelijk gemaakt.

2.16. De Stichting betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand ten onrechte heeft gebaseerd op de positieve welstandsadviezen van 22 mei en 21 november 2007. Volgens de Stichting verdragen deze adviezen zich niet met de Welstandsnota Leidschendam-Voorburg waarin is aangegeven dat nieuwe plannen in de historische kern van Leidschendam ingetogen moeten zijn en de omgeving niet mogen overstemmen.

2.17. Het Damplein, zo blijkt ook uit de begrenzing van het beschermd dorpsgezicht Sluiscomplex, kan niet worden gerekend tot de historische kern van Leidschendam als bedoeld in de welstandsnota. Voor zover het bouwplan betrekking heeft op bebouwing aan de Sluiskant voorziet het in de renovatie van twee bestaande panden en de reconstructie van drie voorheen aanwezige panden. Niet valt in te zien dat het bouwplan in zoverre in strijd komt met de welstandsnota.

Het betoog faalt.

2.18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen en daarvoor terecht bouwvergunning heeft verleend. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

412-457.