Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1100

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200904936/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009, kernmerk 22/5.1/2009004675, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente De Wolden bij besluit van 9 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kleine Kernen Noord" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904936/1/R2.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente De Wolden,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente De Wolden,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009, kernmerk 22/5.1/2009004675, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente De Wolden bij besluit van 9 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kleine Kernen Noord" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 5 augustus 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [partij] hebben daartoe in de gelegenheid gesteld een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2010, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. D. Rietberg, advocaat te Groningen, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. G. Bussink-Klein Wolterink, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door J.M. van der Vinne, werkzaam bij de gemeente, en [partij], bijgestaan door mr. M.A. de Boer, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de kernen Ansen, Echten, Oosteinde, Bergen en Koekangerveld. Het plan is hoofdzakelijk consoliderend van aard.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] voert als formeel bezwaar aan dat het college onvoldoende op zijn bedenkingen is ingegaan. [appellant sub 1] heeft ter zitting toegelicht dat hij daarmee met name zijn bedenking bedoelt dat na de uitbreiding van het bebouwingsvlak ten behoeve van een horecabedrijf geen sprake meer is van kleinschalige bedrijvigheid.

2.3.1. Dit bezwaar van [appellant sub 1] treft geen doel. De Afdeling overweegt daartoe dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat het college de bedenkingen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Bij de beantwoording van de bedenking met betrekking tot kleinschalige bedrijvigheid heeft het college in het bestreden besluit gesteld dat vanwege de beperkte bouwmogelijkheden sprake is van een relatief kleinschalig bedrijf en dat het om de uitbreiding van een reeds bestaand bedrijf gaat en niet om nieuwvestiging van een horecabedrijf. Gelet op dit antwoord, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

2.4. [appellant sub 1] richt zich in beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Horeca" voor het perceel [locatie A] te [plaats] (hierna: het perceel), voor het deel waarop zich een schuur bevindt. Volgens [appellant sub 1] legaliseert het plan ten onrechte de illegaal opgerichte schuur. [appellant sub 1] kan zich hiermee niet verenigen, omdat de uitbreiding van het bebouwingsvlak ten behoeve van een horecagelegenheid volgens hem in strijd is met het Provinciaal Omgevingsplan II (hierna: POP II). Daartoe voert hij aan dat volgens het POP II in kleine kernen slechts kleinschalige lokale bedrijvigheid is toegestaan, terwijl het plan volgens hem voorziet in een grootschalige horecagelegenheid.

Voorts doet het onderhavige plan afbreuk aan de in het POP II genoemde cultuurhistorische waarden van de kern Ansen, waaronder de karakteristieke huisweiden en boomgroepen, aldus [appellant sub 1].

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestreden plandeel niet in strijd is met het POP II, omdat het op het perceel aanwezige bedrijf een relatief kleinschalig bedrijf betreft. Het college wijst er voorts op dat geen sprake is van nieuwvestiging van een horecabedrijf, maar van uitbreiding van een bestaand bedrijf. Van een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden ten gevolge van de in het plan voorziene uitbreiding is volgens het college geen sprake.

Kleinschaligheid

2.4.2. In het POP II staat dat kleine kernen, waartoe Ansen behoort, in hoofdzaak een woonfunctie hebben voor de plaatselijk aanwezige bevolking en voor het omliggende op de kern georiënteerde buitengebied. Voor de ontwikkeling van bedrijvigheid hebben de kleine kernen slechts in beperkte mate een functie voor incidentele kleinschalige lokale bedrijvigheid, aldus is verder in het POP II vermeld.

2.4.3. Op het perceel exploiteert [partij] een restaurant. Ter plaatse van het perceel bevinden zich een hoofdgebouw en een schuur. Aan het perceel is de bestemming "Horeca" toegekend met daarbinnen de aanduidingen 'categorie III' en 'karakteristiek'.

Ingevolge artikel 15, lid A, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor horeca, genoemd in de categorieën als aangegeven op de plankaart van de lijst met horecabedrijven, alsmede, indien en voor zover de gronden op de kaart zijn aangeduid met 'karakteristiek' voor het behoud, de bescherming en/of herstel van de cultuurhistorische waarden met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, tuinen en erven.

Ingevolge artikel 15, lid B, onder 2, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, geldt in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde onder 1, indien gronden op de kaart zijn aangeduid met 'karakteristiek', dat de hoofdvorm van de gebouwen, bepaald door de oppervlakte van het grondvlak, gevelbreedte, (goot)hoogte, dakhelling en nokrichting, zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan, gehandhaafd dient te worden, met dien verstande dat een afwijking van de goot- en/of nokhoogte van ten hoogste 5% is toegestaan.

In de lijst met horecabedrijven staat dat categorie III bedrijven vormen van horeca zijn, waar in hoofdzaak maaltijden worden verstrekt, die ter plaatse worden geconsumeerd: restaurants, bistro, poffertjeszaak, pannenkoekenhuis, hotel-restaurant en pension.

2.4.4. De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bedrijvigheid op het perceel qua aard en schaal kan worden gekwalificeerd als kleinschalige lokale bedrijvigheid. In dit verband acht de Afdeling van belang dat het totaal bruto vloeroppervlak van de bestaande bebouwing op het perceel 218 m² bedraagt en het bruto vloeroppervlak van de schuur 143 m² bedraagt. Daarbij komt dat de hoofdvorm van de bebouwing door de aanduiding 'karakteristiek' op grond van de artikelen 15, lid A, en 15, lid B, onder 2, van de planvoorschriften gehandhaafd dient te blijven. Dat het horecabedrijf na de uitbreiding niet uitsluitend is gericht op de lokale bevolking, zoals [appellant sub 1] stelt, betekent op zichzelf niet dat geen sprake meer is van lokale bedrijvigheid. Ter zitting heeft de raad nader toegelicht dat het begrip "lokaal", zoals gebruikt in het POP II, zo uitgelegd dient te worden dat hieronder niet alleen de kern Ansen valt, maar eveneens kernen uit de regio. Een dergelijke uitleg acht de Afdeling niet onredelijk.

Cultuurhistorische waarden

2.4.5. In de plantoelichting staat dat de structuur van het esdorp Ansen nog duidelijk herkenbaar is. Het dorp vormt volgens de plantoelichting een losse verzameling (oorspronkelijk) agrarische bebouwing aan de rand van een relatief grote es en daarnaast zijn kenmerkend de ligging in een web van onregelmatig uitwaaierende landbouwwegen, de aanwezigheid van een aantal historische boerderijen en schuren en daartussen boomgroepen, moestuinen en huisweiden.

2.4.6. Op kaart 2 behorende bij het POP II is ter plaatse van Ansen de aanduiding cultuurhistorisch waardevolle nederzetting opgenomen. In het POP II staat dat de als cultuurhistorisch waardevolle nederzetting aangeduide kernen als geheel, of in overwegende mate, nog een herkenbare cultuurhistorische stedenbouwkundige structuur bezitten. Het POP II vermeldt verder dat het beleid in deze nederzetting is gericht op handhaving en waar mogelijk en zinvol, ook op herstel en/of versterking van de nu nog aanwezige cultuurhistorische waarden en gebouwen.

Op kaart B bij het POP II is een toelichting gegeven op de verschillende typen nederzettingen met de daarbij behorende kenmerken. Tot de kenmerken van een esdorp behoort onder meer dat daarbij het landelijk gebied via een opeenvolgende reeks van grote en kleine ruimten het dorp binnendringt en dat dit ook geldt voor lijnelementen zoals wegen, beplantingen en perceelsgrenzen. De dorpsstructuur heeft (oorspronkelijk) een los karakter met veel groen. Als kenmerk van een esdorp wordt gewezen op de open ruimten die worden gevormd door de brinken, erven, tuinen, kleine akkers en weilanden tussen de bebouwing alsook op de beplanting langs de wegen, vooral hoofdwegen, op de brinken, op de erven en langs perceelsgrenzen.

2.4.7. Het plandeel met de bestemming "Horeca" grenst aan de oostzijde aan de Kerkdijk waaraan de bestemming "Verkeersdoeleinden" is toegekend. De gronden ten westen en noorden van bestemming "Horeca" zijn bestemd als "Tuinen". Ten zuiden direct grenzend aan het bestreden plandeel ligt een strook grond met de bestemming "Agrarisch gebied" en daarachter liggen gronden met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden". De Afdeling stelt vast dat het plan het losse karakter van de bebouwing in stand laat, nu zich tussen de bebouwing op het perceel en de bebouwing ten noorden en zuiden hiervan open ruimten bevinden. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat huisweiden en boomgroepen worden aangetast door de uitbreiding van het bebouwingsvlak. Gelet hierop heeft het college zich in navolging van de raad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de cultuurhistorische waarden niet op onevenredige wijze zullen worden aangetast.

2.4.8. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.4.4 en 2.4.7 heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre niet in strijd is met het POP II.

2.5. Verder voert [appellant sub 1] aan dat het plan in strijd is met het gemeentelijke beleid, omdat de plantoelichting vermeldt dat alleen in Koekangerveld en Oosteinde ontwikkelingsruimte wordt geboden en dat in de overige kernen de bestaande functies worden gehandhaafd. De raad heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom in afwijking van het gemeentelijk beleid uitbreiding van de bedrijvigheid in Ansen wordt toegestaan, zo stelt [appellant sub 1].

Voorts vreest hij voor onaanvaardbare parkeeroverlast en geluidhinder ten gevolge van de exploitatie van het restaurant.

2.5.1. Het college stelt dat de door [appellant sub 1] bedoelde passage uit de plantoelichting uitsluitend ziet op de ontwikkeling van nieuwe woningbouw en dat dit niet impliceert dat reeds bestaande functies op geen enkele wijze mogen worden uitgebreid. Volgens het college valt, gezien de oppervlakte van het perceel, niet in te zien dat niet aan de parkeerbehoefte kan worden voldaan. Het college stelt zich verder op het standpunt dat de inrichting wat betreft het aspect geluid dient te voldoen aan de voorwaarden uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).

2.5.2. De raad heeft in de schriftelijke uiteenzetting gesteld dat uitbreiding van het bebouwingsvlak past binnen het gemeentelijk beleid en dat de gemeente overeenkomstig de gemeentelijke toekomstvisie initiatieven voor lokale bestaande bedrijvigheid ondersteunt.

2.5.3. In de plantoelichting staat dat het bestemmingsplan in hoofdlijnen consoliderend van aard is, dat wil zeggen dat het in beginsel is gericht op het regelen van de bestaande functies in het plangebied, waarbij rekening is gehouden met de wijzigingen die zijn opgetreden sinds het van rechtskracht worden van diverse plannen. Het plan is flexibeler van opzet dan de vigerende bestemmingsplannen. De plantoelichting vermeldt dat in beginsel alleen in Koekangerveld en Oosteinde ontwikkelingsruimte wordt geboden. Verder vermeldt de plantoelichting dat kleine kernen in hoofdzaak een woonfunctie hebben voor de plaatselijk aanwezige bevolking. In paragraaf 2.7 van de plantoelichting staan de uitgangspunten en randvoorwaarden van het woonbeleid voor deze kleine kernen verwoord. De uitbreidingsbehoefte van de kleine kernen: Ansen, Echten, Oosteinde, Berghuizen en Koekangerveld, zoals berekend in de "Woonvisie De Wolden", wordt volgens pagina 26 van de plantoelichting voor 2004-2010 geraamd op ongeveer 30 woningen. In Oosteinde zijn in 2005 zes kavels gekocht voor de bouw van woningen. Verder vermeldt pagina 27 van de plantoelichting dat in Koekangerveld een gebied is bestemd als "Uit te werken woondoeleinden" waar in de toekomst maximaal acht woningen kunnen worden gebouwd.

2.5.4. Wat betreft de in de plantoelichting vermelde ontwikkelingsruimte in Koekangerveld en Oosteinde heeft het college in het verweerschrift toegelicht dat met deze ontwikkelingsruimte uitsluitend op woningbouw wordt gedoeld. De Afdeling acht deze uitleg gelet op de pagina's 26 en 27 van de plantoelichting niet onredelijk. Daarnaast volgt uit het in hoofdlijnen consoliderend karakter van het plan niet dat in het geheel geen ontwikkelingsruimte aan bestaande bedrijven kan worden geboden. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de vergroting van het bebouwingsvlak in zoverre niet in strijd is met het gemeentelijk beleid.

2.5.5. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 1] dat de uitbreiding van het horecabedrijf tot meer parkeeroverlast zal leiden, overweegt de Afdeling dat de parkeerbehoefte is berekend in het aan de uitbreiding van het bebouwingsvlak ten grondslag liggende rapport "Ruimtelijke onderbouwing perceel [locatie A] te [plaats] (horeca)" van 23 juni 2008. Volgens deze ruimtelijke onderbouwing zijn na de uitbreiding van het horecabedrijf tussen de 22 en 35 parkeerplaatsen nodig. Op het perceel is een parkeerterrein aanwezig. Ter zitting heeft [partij] onweersproken gesteld dat dit parkeerterrein ruimte biedt aan 30 parkeerplaatsen. Voorts heeft [partij] ter zitting meegedeeld dat in de directe omgeving van zijn perceel - bij de school en het dorpshuis - openbare parkeerplaatsen aanwezig zijn. Gelet op de berekende parkeerbehoefte en de beschikbare parkeerplaatsen heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn zodat voor ernstige parkeeroverlast niet behoeft te worden gevreesd.

2.5.6. Aan de vergroting van het bebouwingsvlak ligt een door Noordelijk Akoestisch Adviesburo BV verricht akoestisch onderzoek ten grondslag. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Bepaling geluidsbelasting op de omgeving vanwege Restaurant De Huiskamer in Ansen" van 1 oktober 2007. In dit rapport is uitgegaan van de grenswaarden uit het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit horeca). Op 1 januari 2008 is het Besluit horeca, zoals dat gold ten tijde van het opstellen van het onderzoek, ingetrokken en is het Activiteitenbesluit in werking getreden. De hierin opgenomen grenswaarden voor geluid, voor zover hier van belang, verschillen niet van de grenswaarden uit het Besluit horeca. Volgens het rapport wordt aan de grenswaarden voldaan. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport zodanige gebreken, dan wel leemten in kennis vertoont dat het college zich bij het nemen van het bestreden besluit niet op dit rapport heeft mogen baseren.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding van het bebouwingsvlak niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat in de vorm van geluidhinder.

2.5.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Horeca" voor het perceel [locatie A] te [plaats] voor zover dat het deel betreft waarop zich de schuur bevindt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.6. [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 4, lid E, van de planvoorschriften voor zover dit betrekking heeft op het perceel [locatie B] te [plaats] (hierna: het perceel). Daartoe voert hij aan dat de in dit planvoorschrift opgenomen wijzigingsbevoegdheid alsnog voorziet in de mogelijkheid om woningbouw te realiseren op het perceel, terwijl het college goedkeuring heeft onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 34, tweede lid, van de planvoorschriften die eveneens voorzag in de mogelijkheid de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" te wijzigen in een woonbestemming.

Verder voert [appellant sub 2] aan dat de wijzigingsbevoegdheid te ruim en onvoldoende concreet is, omdat artikel 4, lid E, van de planvoorschriften niet vermeldt hoeveel woningen of appartementen kunnen worden gerealiseerd. [appellant sub 2] stelt dat een ruimtelijk relevante reden voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid ontbreekt en dat onvoldoende is onderzocht of woningbouw op het perceel aanvaardbaar is.

Tot slot stelt [appellant sub 2] dat de wijzigingsbepaling niet voldoet aan de in het bestreden besluit gestelde voorwaarde dat bijzondere landschappelijke en stedenbouwkundige waarborgen dienen te gelden bij een toekomstige invulling van het perceel.

2.6.1. Het college heeft goedkeuring onthouden aan artikel 34, tweede lid, van de planvoorschriften en goedkeuring verleend aan artikel 4, lid E, van de planvoorschriften. Het college stelt dat de voornoemde wijzigingsbevoegdheden geen vergelijkbare mogelijkheden bevatten, omdat de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 4, lid E, van de planvoorschriften, anders dan de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 34, tweede lid, van de planvoorschriften, alleen wijziging van het hoofdgebouw van het voormalige agrarisch bedrijf naar een woonbestemming toestaat. Daarnaast acht het college de wijzigingsbevoegdheid voldoende beperkt.

2.6.2. Aan het perceel is de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" toegekend met daarbinnen de aanduiding 'karakteristiek'. De omliggende gronden zijn bestemd als "Agrarisch gebied". Op de plankaart is ter plaatse de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid II' opgenomen.

2.6.3. Ingevolge artikel 4, lid A, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat per bestemmingsvlak slechts een agrarisch bedrijf is toegestaan met daarbij behorende bebouwing.

Ingevolge artikel 4, lid E, onder 1, van de planvoorschriften, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om na beëindiging van het agrarisch bedrijf, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" te wijzigen in de bestemmingen "Woonhuizen", "Tuinen", "Agrarisch gebied", "Agrarisch gebied met natuurwaarden" en/of "Agrarisch aanverwante bedrijven", met dien verstande dat voor de wijziging naar "Woonhuizen" geldt dat alleen het hoofdgebouw van het voormalig agrarisch bedrijf gewijzigd mag worden naar een bebouwingsvlak ten behoeve van de bestemming "Woonhuizen".

Ingevolge artikel 4, lid E, onder 2, sub c van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, vindt ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de wijziging een evenredige belangenafweging plaats waarbij betrokken worden: de mate waarin de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische toelaatbaarheid, de stedenbouwkundige inpasbaarheid (waaronder onder andere begrepen het voorzien in voldoende parkeerplaatsen), de waterhuishoudkundige toelaatbaarheid, de archeologische toelaatbaarheid, de ecologische toelaatbaarheid, de landschappelijke inpasbaarheid en/of het volkshuisvestelijk belang is aangetoond.

Ingevolge artikel 9, lid B, onder 1, sub a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen op de tot "Woonhuizen" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat voor woonhuizen zijnde hoofdgebouwen geldt dat deze uitsluitend binnen de bebouwingsvlakken worden gebouwd, alsmede dat deze woonhuizen vrijstaand dan wel halfvrijstaand worden gebouwd, tenzij de gronden zijn aangeduid met 'maximaal aantal aaneen te bouwen woningen', in welk geval ook woonhuizen in een rij aaneen en tot het aangegeven aantal mogen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 9, lid B, onder 1, sub h, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, geldt in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde onder a tot en met h, indien de gronden op de kaart zijn aangeduid met 'karakteristiek', dat de hoofdvorm van de gebouwen, bepaald door de oppervlakte van het grondvlak, gevelbreedte, (goot)hoogte, dakhelling en nokrichting, zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan gehandhaafd dient te worden, met dien verstande dat een afwijking van de goot- en/of nokhoogte van ten hoogste 5% is toegestaan.

Ingevolge artikel 34, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, indien de gronden op de kaart zijn aangeduid met 'wijzigingsbevoegdheid II, de bestemmingen "Agrarisch gebied", "Agrarisch bedrijf" en "Tuinen" te wijzigen ten behoeve van de bestemmingen "Agrarisch gebied", "Woonhuizen", "Tuinen", "Groenvoorzieningen" en "Openbaar erf", met dien verstande dat de nieuwe bebouwing dient te voldoen aan de stedenbouwkundige uitgangspunten zoals genoemd in "studie naar de mogelijkheden van Ansen in het landschap".

2.6.4. Uit de plantoelichting volgt dat de wijzigingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 34, tweede lid, van de planvoorschriften in het plan is opgenomen om de agrarische bestemming van het perceel [locatie B] te zijner tijd te kunnen wijzigen om binnen de planperiode uitbreiding van woningbouw te realiseren. Het college heeft aan voormeld planvoorschrift goedkeuring onthouden, omdat deze wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd, nu de nieuwe bebouwing volgens het planvoorschrift dient te voldoen aan de stedenbouwkundige uitgangspunten zoals genoemd in de "studie naar de mogelijkheden van Ansen in het landschap", maar de locatie [locatie B] hierin niet voorkomt als toekomstige zogenoemde invullocatie voor woningbouw. Daarnaast is volgens het college onduidelijk hoeveel woningen alsmede welke woningtypes op basis van deze wijzigingsbevoegdheid mogelijk zijn.

[appellant sub 2] heeft ter zitting meegedeeld dat hij ondanks de onthouding van goedkeuring aan artikel 34, tweede lid, van de planvoorschriften vreest voor woningbouwontwikkeling op het gehele perceel. De Afdeling overweegt in dit verband dat de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid II" op de plankaart op een groter gebied betrekking heeft dan de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 4, lid E, van de planvoorschriften. Bovendien voorziet laatstgenoemde wijzigingsbevoegdheid slechts in wijziging van de agrarische bestemming na bedrijfsbeëindiging naar onder meer een woonbestemming waarbij alleen het hoofdgebouw van het voormalig agrarisch bedrijf mag worden gewijzigd naar een bebouwingsvlak voor de bestemming "Woonhuizen". In artikel 9, lid B, van de planvoorschriften is bepaald dat uitsluitend binnen het bebouwingsvlak woonhuizen mogen worden gebouwd, zodat het toegestane aantal woningen daarmee naar het oordeel van de Afdeling voldoende is beperkt. Gelet hierop en nu [appellant sub 2] niet anderszins heeft onderbouwd waarom de wijzigingsbepaling onvoldoende concreet is, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze wijzigingsbepaling onvoldoende objectief is begrensd. De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 4, lid E, van de planvoorschriften niet dezelfde mogelijkheden biedt als artikel 34, tweede lid, van de planvoorschriften.

2.6.5. In de schriftelijke uiteenzetting heeft de raad gesteld dat het aantal agrarische bedrijven in de gemeente al jaren afneemt. De wijzigingsbevoegdheid is dan ook in het plan opgenomen om wijziging van de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" mogelijk te maken na beëindiging van een agrarisch bedrijf. Gelet hierop heeft het college zich derhalve op goede gronden op het standpunt gesteld dat aan het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid een ruimtelijke relevante reden ten grondslag ligt. [appellant sub 2] heeft zijn stelling dat onvoldoende is onderzocht is of het perceel geschikt is voor wijziging naar de in wijzigingsbepaling genoemde bestemmingen in zijn beroepschrift noch ter zitting nader onderbouwd. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat onderzoek had moeten worden verricht.

2.6.6. Het betoog van [appellant sub 2] dat ten onrechte geen landschappelijke en stedenbouwkundige waarborgen zijn opgenomen in het plan vanwege de aanduiding 'karakteristiek', faalt. Hiertoe overweegt de Afdeling dat in artikel 4, lid E, onder 2, sub c, van de planvoorschriften is bepaald dat onder meer de stedenbouwkundige en de landschappelijke inpasbaarheid betrokken dienen te worden bij de belangenafweging. Tevens is van belang dat artikel 9, lid B, onder 1, sub h, van de planvoorschriften - dat van toepassing is na wijziging in de bestemming "Woonhuizen" - voorziet in specifieke bouwvoorschriften indien de gronden zijn aangeduid als 'karakteristiek'.

2.6.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 4, lid E, van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

425-586.