Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
201005979/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2009 heeft het college aan DIT een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van voorschrift 4.1.9 van de milieuvergunning van 11 oktober 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005979/1/M1.

Datum uitspraak: 9 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

mr. J.J. Dingemans en mr. S.M.M. van Dooren, kantoorhoudend te

's-Hertogenbosch, in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dutch Infra Tech B.V. (hierna: DIT),

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2009 heeft het college aan DIT een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van voorschrift 4.1.9 van de milieuvergunning van 11 oktober 2006.

Bij besluit van 9 juni 2010 heeft het college het verzoek van DIT om de looptijd van de begunstigingstermijn voor voorschrift 4.1.9 uit de last onder dwangsom van 30 november 2009, bij besluit van 8 januari 2010 opgeschort tot 1 juni 2010, opnieuw op te schorten, afgewezen.

Tegen het besluit van 30 november 2009 heeft DIT, thans Dingemans en Van Dooren, bezwaar gemaakt en tegen het besluit van 9 juni 2010 hebben Dingemans en Van Dooren bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2010, hebben Dingemans en Van Dooren de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden van het verzoek zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2010.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 juni 2010, waar Dingemans en Van Dooren, vertegenwoordigd door mr. dr. O.J.D.M.L. Jansen, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door Y.E. Staal LLM MSc en ing. C.J. Koudenburg, beiden werkzaam bij DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft het collega aan DIT een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor het accepteren, opslaan en immobiliseren van verontreinigde grond, steekvaste baggerspecie en andere afvalstoffen aan de Boezembocht nabij nummer 30 te Rotterdam. Ingevolge voorschrift 4.1.9 van deze vergunning mogen de opslaghoogten van de diverse deelstromen afvalstoffen in de opslagvakken maximaal 5 meter bedragen.

2.2. Op 18 juni 2010 is DIT failliet verklaard. Dingemans en Van Dooren zijn aangesteld als curatoren in het faillissement van DIT.

2.3. Niet in geschil is dat voorschrift 4.1.9, voor zover het betreft de afvalstof zeefzand, is overtreden, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. Dingemans en Van Dooren betogen dat DIT op dit moment niet aan de last kan voldoen. Het zeefzand is een reststof die overblijft na afvalverwerking dat door DIT wordt ingezet als grondstof bij de productie van bouwstoffen in de van haar inrichting deel uitmakende betoncentrale. Volgens hen zijn als gevolg van de economische crisis de afzetmogelijkheden van de door DIT geproduceerde bouwstoffen weggevallen. Dingemans en Van Dooren voeren aan dat het verwerken van het zeefzand tot beton forse kosten vergt, waartoe de financiële middelen thans ontbreken. In dit kader merken zij op dat de betoncentrale op dit moment stil ligt. Bovendien vergt het vinden van afnemers voor het beton enige tijd. Met het afvoeren van het zeefzand ter verwerking buiten de inrichting zijn dermate hoge kosten gemoeid dat dit volgens Dingemans en Van Dooren op dit moment niet van hen kan worden gevergd. Voorts voeren zij aan dat de mogelijkheden van een doorstart worden onderzocht. Om dit te realiseren is enige tijd nodig. Volgens hen wordt er door de te hoge opslag van zeefzand thans geen milieubelang geschaad. Dingemans en Van Dooren betogen dat het college hierin aanleiding had moeten zien om het verzoek om opschorting van de last in te willigen.

2.4.1. Het college betoogt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving van voorschrift 4.19 van de vergunning zwaarder weegt dan het financiële belang van Dingemans en Van Dooren bij voortzetting van de overtreding. In dit verband voert het college aan dat het zeefzand een bodemgevaarlijke afvalstof is. Door de overschrijding van de opslaghoogte kan het zeefzand diffuus verspreid worden en kan stofhinder ontstaan door het verwaaien van het zeefzand, aldus het college. Volgens het college kan dit bodemverontreiniging veroorzaken. Voorts voert het college aan dat verdere opschorting van de begunstigingstermijn betekent dat de situatie wordt gedoogd.

2.4.2. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de inrichting thans stil ligt en dat Dingemans en Van Dooren de mogelijkheden van een doorstart onderzoeken. Dingemans en Van Dooren hebben ter zitting te kennen gegeven dat binnen vier maanden duidelijk zal zijn of het maken van een doorstart tot de mogelijkheden behoort. De voorzitter acht, gelet op de genoemde omstandigheden, aannemelijk dat het voor DIT op dit moment niet mogelijk is om aan de last te voldoen. De voorzitter neemt verder in aanmerking dat ter zitting niet is gebleken van zodanige dringende belangen, waaronder mede begrepen het belang van de bescherming van het milieu, dat het noodzakelijk is dat de opslaghoogte van het zeefzand onmiddellijk dient te worden teruggebracht tot een hoogte van maximaal 5 m. Ter zitting is in dit verband gebleken dat het zeefzand ligt opgeslagen op een vloeistofdichte vloer, waardoor mogelijke verontreiniging van de bodem niet te verwachten is. Ten einde stofhinder van het opgeslagen zeefzand te voorkomen dan wel voldoende te beperken zijn in paragraaf 7.1 van de vergunning van 11 oktober 2006 voorschriften opgenomen. Deze voorschriften voorzien onder meer in het aanbrengen van een deugdelijke afdeklaag. Ter zitting is gebleken dat de opslag van het zeefzand op dit moment niet volledig en deugdelijk is afgedekt. Dingemans en Van Dooren hebben er ter zitting blijk van gegeven zich hiervan bewust te zijn. De voorzitter gaat er dan ook vanuit dat ook ten aanzien van bedoelde opslag van zeefzand alsnog aan bedoelde voorschriften wordt voldaan.

2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter, na afweging van de betrokken belangen, aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 30 november 2009, kenmerk 20972839/421604, tot vier maanden na verzending van deze uitspraak;

II. bepaalt dat de onder I. genoemde voorlopige voorziening vervalt indien binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak de opslag van zeefzand niet overeenkomstig voorschrift 7.1.4 verbonden aan de vergunning van 11 oktober 2006 is afgedekt en afgedekt wordt gehouden;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij mr. J.J. Dingemans en mr. S.M.M. van Dooren in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan mr. J.J. Dingemans en mr. S.M.M. van Dooren het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2010

159-625.