Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1080

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
201003553/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Jachthaven Manten" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003553/2/R1.

Datum uitspraak: 8 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Wijdemeren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Jachthaven Manten" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2010, beroep ingesteld. [verzoeker] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 14 juni 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 juni 2010, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. W. Visser, werkzaam bij

Achmea rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door

H.J.W. van Emmerik, werkzaam bij de gemeente, en ir. H.H.J. Kossen, werkzaam bij Royal Haskoning, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jachthaven Manten B.V., vertegenwoordigd door P.P. van Veenendaal, bijgestaan door ing. R.J.C. Braams, werkzaam bij Braams Consult.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan heeft betrekking op de jachthaven Manten, die is gelegen aan het kruispunt van het Tienhovensch Kanaal en de watergang Kalverstraat. De jachthaven beslaat ongeveer 4 hectare aan gronden en water. In het water bevinden zich momenteel 292 ligplaatsen. Met het plan is onder meer beoogd een uitbreiding van het aantal ligplaatsen mogelijk te maken.

2.3. Ter zitting is vast komen te staan dat Jachthaven Manten B.V. een bouwvergunning heeft aangevraagd voor de verlenging van de drie meest noordelijk gelegen steigers, zodat 63 nieuwe ligplaatsen kunnen worden gerealiseerd. Derhalve acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig.

2.4. De raad heeft ter zitting betoogd dat het verzoek van [verzoeker] dient te worden afgewezen nu het beroep niet-ontvankelijk is, omdat [verzoeker] geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. In dit verband heeft de raad erop gewezen dat zijn recreatiewoning op een afstand van ten minste 200 meter van de entree van de jachthaven ligt en de uitbreiding van de jachthaven tevens niet in de nabije omgeving van zijn recreatiewoning is voorzien.

2.4.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.4.2. Gezien de afstand van ongeveer 80 meter tussen de recreatiewoning van [verzoeker] en de voorziene verlenging van de steigers en nu hij zicht heeft op deze verlenging, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het belang van [verzoeker] niet rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Derhalve bestaat geen grond voor de verwachting dat de Afdeling het beroep in de bodemprocedure niet-ontvankelijk zal achten.

2.5. Het verzoek van [verzoeker] is gericht op de vaststelling van het gehele plan. Hij betoogt allereerst dat het rapport "Uitwerking Voortoets Jachthaven Manten" (hierna: het rapport Uitwerking Voortoets) van Royal Haskoning van 20 oktober 2009 ter inzage had moeten liggen voor de vaststelling van het plan.

2.5.1. Vanaf 28 mei 2009 heeft het ontwerpplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. In artikel 3:11, eerste lid, van de Awb is - voor zover hier van belang - bepaald dat het bestuursorgaan het ontwerp van het ambtshalve te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, ter inzage legt. Het rapport Uitwerking Voortoets was ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan nog niet voorhanden, zodat artikel 3:11, eerste lid, van de Awb hierop niet van toepassing is. De voorzitter ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad uit een oogpunt van zorgvuldigheid alsnog gelegenheid had moeten bieden te reageren op het rapport. Overigens heeft [verzoeker] zijn bezwaren tegen het rapport alsnog in beroep naar voren kunnen brengen.

2.6. [verzoeker] voert aan dat het plan planologisch voorziet in een uitbreiding van de jachthaven, terwijl het gemeentelijk beleid geen uitbreiding toestaat.

2.6.1. Ter zitting heeft de raad aangegeven dat het gebied met de bestemming "Jachthaven (RJ)" wordt vergroot ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan "Plassengebied" en de herziening daarvan, maar dat deze wijziging binnen de begrenzing van de bestaande waterkering en de eigendomsgrenzen van Jachthaven Manten B.V. blijft. Uit de notitie zienswijzen volgt dat het gemeentelijk beleid aan nieuwe jachthavens in de weg staat. Gelet hierop ziet de voorzitter geen aanleiding voor de verwachting dat in de hoofdzaak zal worden geoordeeld dat het vergroten van het gebied met de bestemming "Jachthaven (RJ)" voor een bestaande jachthaven niet in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.

2.7. [verzoeker] betoogt verder dat is verzuimd om op basis van de maximale planologische mogelijkheden van het plan de gevolgen voor de omgeving te bepalen.

2.7.1. Blijkens de verbeelding is aan vrijwel het gehele plangebied de bestemming "Jachthaven (RJ)" toegekend.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder a en k, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Jachthaven (RJ)" onder meer bestemd voor een jachthaven met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde waaronder begrepen steigers en golfbrekers.

2.7.2. De raad heeft ter zitting aangegeven dat niet is uitgesloten dat op grond van het plan meer ligplaatsen kunnen worden gerealiseerd dan de 63 waarvoor Jachthaven Manten B.V. een bouwvergunning heeft aangevraagd. Van de 63 zijn 10 ligplaatsen reeds mogelijk op grond van de tot dusver geldende bestemmingsplannen. In de aan het plan ten grondslag liggende onderzoeken is uitgegaan van een uitbreiding van de jachthaven met een aantal ligplaatsen in deze orde van grootte en niet van een niet uit te sluiten hoger aantal. De voorzitter ziet hierin in deze procedure echter geen aanleiding om het plan te schorsen, nu niet is gebleken van concrete plannen van Jachthaven Manten B.V. om meer dan 63 ligplaatsen in het noordoostelijke gedeelte van het plangebied te realiseren. Daarbij heeft de voorzitter betrokken dat Jachthaven Manten B.V. ter zitting heeft aangegeven dat het overige gedeelte van het plangebied in de huidige situatie niet geschikt is voor verlenging van de daar aanwezige steigers omdat het water in dat gedeelte van de jachthaven ofwel te ondiep is ofwel nodig als manoeuvreerruimte.

2.8. [verzoeker] heeft ter zitting betoogd dat het plan een nieuwe botenloods mogelijk maakt tegenover zijn recreatiewoning, zodat hij in zijn uitzicht wordt beperkt.

2.8.1. Blijkens de verbeelding ligt ten oosten van de recreatiewoning van [verzoeker] een strook die de bestemming "Waterweg (WW)" heeft. Ten oosten hiervan ligt een strook van ongeveer vijf meter breed met de bestemming "Groenvoorziening (G)"en daarnaast liggen binnen de bestemming "Jachthaven (RJ)" de steigers van de jachthaven.

Ingevolge de artikelen 4 en 6 van de planregels zijn gronden met de bestemmingen "Waterweg (WW)" en "Groenvoorziening (G)" niet bestemd voor gebouwen. Niet is uitgesloten dat binnen de bestemming "Jachthaven (RJ)", na demping, een loods kan worden gerealiseerd, maar ter zitting is niet gebleken dat Jachthaven Manten B.V. plannen heeft om dat gedeelte van de jachthaven daarvoor te gebruiken. Gelet hierop is niet aannemelijk dat zich in het gedeelte van het plangebied tegenover de woning van [verzoeker] onomkeerbare gevolgen zullen voordoen totdat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.

2.9. [verzoeker] voert verder aan dat in het plan de aanbevolen richtafstand van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) niet in acht is genomen.

2.9.1. In de VNG-brochure wordt met betrekking tot jachthavens met diverse voorzieningen een richtafstand tot woningen in een rustig buitengebied gehanteerd van tien meter voor de aspecten geur en stof, 50 meter voor het aspect geluid en 30 meter voor het aspect gevaar.

In de plantoelichting staat dat de uitbreiding van de jachthaven plaatsvindt op een afstand van minimaal 60 meter tot de dichtstbijzijnde recreatiewoning, zodat de voorzitter geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het plan niet aan de richtafstand van 50 meter uit de VNG-brochure voldoet. Voor het oordeel dat de raad hier een grotere afstand had moeten aanhouden, ziet hij voorshands geen aanleiding.

2.10. Voorts betoogt [verzoeker] dat, gelet op de toename van het aantal ligplaatsen, het plan in onvoldoende parkeergelegenheid voor de jachthaven voorziet. Vooral op zomerse dagen leidt dit volgens hem tot verkeersopstoppingen met chaotische toestanden, omdat dan ook de nabijgelegen recreatiestrook druk wordt bezocht.

2.10.1. Ter zitting is van de zijde van de raad meegedeeld dat in de zomermaanden op het grondgebied van de jachthaven 180 parkeerplaatsen in de bestaande loods en op de aanwezige betonplaten beschikbaar zijn, omdat daar in de zomermaanden geen boten worden gestald. Daarnaast wordt het gehele jaar door beschikt over 180 parkeerplaatsen ten zuiden van de Nieuweweg. Alle parkeerplaatsen voldoen aan de eisen die hiervoor gelden, aldus de raad.

De voorzitter ziet vooralsnog geen aanleiding voor de verwachting dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat voor de jachthaven, gelet op de toename van het aantal ligplaatsen, niet in voldoende parkeergelegenheid zal kunnen worden voorzien en dat dit tot verkeersonveilige situaties zal gaan leiden.

2.11. [verzoeker] voert ten slotte aan dat het rapport "Ecoscan bestemmingsplan Jachthaven Manten" van Royal Haskoning van 19 mei 2009 (hierna: Ecoscan 2009) ondeugdelijk is. Hiertoe heeft hij ter zitting gesteld dat de effecten op onder meer de soort Tafeleend in het rapport niet zijn beschreven en de gevolgen van het ankeren in de Zuidelijke Kievitsbuurt niet in het rapport zijn betrokken.

2.11.1. Bij besluit van 24 maart 2000 heeft de toenmalige staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij het op de bij dit besluit behorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam Oostelijke Vechtplassen, aangewezen als speciale beschermingszone (hierna: SBZ) in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn. De Oostelijke Vechtplassen kwalificeren als SBZ onder de Vogelrichtlijn onder meer vanwege het voorkomen van overwinterende en trekkende (water)vogels zoals de soort Tafeleend. Het plangebied grenst aan de Oostelijke Vechtplassen.

2.11.2. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), zoals deze luidde ten tijde van de vaststelling van het plan, voor zover hier van belang, wijst de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gebieden aan ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en 92/43/EEG (Habitatrichtlijn).

Ingevolge artikel 1, onder n, van de Nbw 1998 wordt onder Natura 2000-gebied verstaan een gebied dat is aangewezen op grond van artikel 10a, eerste lid.

2.11.3. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en […].

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

2.11.4. In de Ecoscan 2009 is onderzocht of de uitbreiding van het aantal ligplaatsen in de jachthaven Manten negatieve effecten heeft op de door de Flora- en faunawet beschermde soorten en op de beschermde natuurwaarden van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de resultaten van deel 1, 2 en 3 van het onderzoek "Ecoscan bestemmingsplan Plassengebied". In deel 1 is ingegaan op de beschermde natuurwaarden in het plangebied van het bestemmingsplan "Plassengebied". In deel 2 is ingegaan op de omvang en de ontwikkelingen van de recreatievaart in het Plassengebied en in deel 3 zijn de mogelijke effecten van de recreatievaart op de beschermde natuurwaarden bekeken. Volgens de Ecoscan 2009 is op donderdag 18 mei 2006 een bezoek gebracht aan het plangebied en zijn de gegevens uit deel 1 geïnterpreteerd en is ter plekke beoordeeld of het plangebied en de directe omgeving mogelijk geschikt leefgebied zijn voor beschermde soorten. De conclusies van de Ecoscan 2009 zijn onder meer dat fysieke effecten op het Natura 2000-gebied uit te sluiten zijn, dat optische verstoring en geluid niet leiden tot negatieve effecten op Habitattypen en Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten, dat licht tot negatieve effecten ten aanzien van de Meervleermuis leidt, maar dat deze effecten niet significant zijn en dat met betrekking tot emissies van gebiedsvreemde stoffen significante negatieve effecten op basis van de beschikbare informatie niet op voorhand kunnen worden uitgesloten.

2.11.5. In het rapport Uitwerking Voortoets zijn de mogelijke effecten van het plan op het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen meer in detail in kaart gebracht waarbij de onderwerpen licht en depositie van verzurende en vermestende stoffen aan de orde zijn gekomen. De conclusie van het rapport is dat de uitbreiding van de jachthaven wat betreft de verlichting geen effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Wat betreft de depositie van verzurende en vermestende stoffen wordt geconcludeerd dat effecten niet kunnen worden uitgesloten, maar dat deze effecten zeker niet significant negatief zijn.

2.11.6. Zowel de Ecoscan 2009 als het rapport Uitwerking Voortoets zijn ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. Uit deze onderzoeken volgt dat de gevolgen van de uitbreiding van de jachthaven op de door [verzoeker] genoemde soorten zijn bezien en dat significante effecten zijn uitgesloten. Wat betreft het ankeren in de Zuidelijke Kievitsbuurt is gebleken dat daar een vaarverbod voor gemotoriseerde vaartuigen geldt, zodat deze vaartuigen alleen met een ontheffing in het gebied mogen varen. Het is in dit gebied voorts niet toegestaan om aan te meren aan de rietkragen. Zolang geen nieuwe aanlegplaatsen bij rietkragen worden aangelegd, vindt er, zo volgt ook uit de zienswijzenota, geen verstoring plaats en wordt de recreatievaart voldoende goed gescheiden van de beschermde natuurwaarden. Dat zich op dit punt ten gevolge van het plan significante negatieve gevolgen voor vogelsoorten zullen voordoen, heeft [verzoeker] naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt.

In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd, ziet de voorzitter vooralsnog onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad de Ecoscan 2009 tezamen met het rapport Uitwerking Voortoets niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.12. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010

371-634.