Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1078

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
201003658/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2010:BM1318, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2009 heeft de korpschef de aanvraag van [wederpartij] om een jachtakte voor het seizoen 2009-2010 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/238 met annotatie van H.E. Bröring
BA 2010/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003658/1/H3.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de korpschef van de politieregio Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 17 maart 2010 in zaak nr. 09/3154 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Amersfoort

en

de korpschef.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2009 heeft de korpschef de aanvraag van [wederpartij] om een jachtakte voor het seizoen 2009-2010 afgewezen.

De korpschef heeft ingestemd met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en heeft het tegen voornoemd besluit ingediende bezwaarschrift overeenkomstig artikel 7:1a, vijfde lid, van die wet doorgezonden naar de rechtbank Utrecht.

Bij uitspraak van 17 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het tot beroep getransformeerde bezwaar van [wederpartij] gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de korpschef opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de korpschef bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2010, hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2010, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. M.D.W. Smit-van Valkenhoef en G.B.A. van der Wulp, beiden werkzaam bij de politieregio Utrecht, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 39, eerste lid, aanhef en onder j, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw), voor zover thans van belang, wordt een jachtakte geweigerd indien de aanvrager in de twee jaren, voorafgaande aan het verzoek tot het verkrijgen van een jachtakte wegens één der bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten is veroordeeld dan wel deswege een strafbeschikking tegen hem is uitgevaardigd.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ffw, zoals dat luidde tot 1 februari 2008, voor zover thans van belang, wordt een jachtakte geweigerd indien de aanvrager in de twee jaren, voorafgaande aan het verzoek tot het verkrijgen van een jachtakte wegens één der bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten is veroordeeld of indien hij de vervolging deswege overeenkomstig de bepalingen van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht heeft voorkomen.

Ingevolge artikel 74, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: het WvSr) kan de officier van justitie voor de aanvang van de terechtzitting een of meer voorwaarden stellen ter voorkoming van de strafvervolging wegens misdrijven, met uitzondering van die waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van meer dan zes jaar, en wegens overtreding. Door voldoening van de voorwaarden vervalt het recht tot strafvordering.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, kan de officier van justitie betaling aan de staat van een geldsom, te bepalen op ten minste € 3 en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd, als voorwaarde stellen.

Ingevolge artikel XI van de Wet OM-afdoening, voor zover thans van belang, blijven in strafzaken waarin voor het in werking treden van artikel II, onderdelen O tot en met R, artikel III, artikel IV en artikel VI van deze wet voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld overeenkomstig de artikelen 74 en 74c van het WvSr de artikelen die door deze wet gewijzigd worden of vervallen van toepassing zoals zij luidden voor het in werking treden van het desbetreffende onderdeel van deze wet.

2.2. De korpschef heeft het verzoek om de jachtakte met toepassing van artikel 39, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ffw afgewezen omdat [wederpartij] op 21 april 2008 een transactie, als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het WvSr, heeft aanvaard in verband met een overtreding van artikel 9 van de Ffw.

2.3. De voorzieningenrechter heeft dit besluit vernietigd wegens strijd met de wet. Daartoe heeft hij overwogen dat in het gewijzigde artikel 39, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ffw het aanvaarden van een transactie niet meer als weigeringsgrond voor een jachtakte wordt genoemd en dat uit artikel XI van de Wet OM-afdoening niet blijkt dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om andere zaken dan strafzaken onder dit overgangsrecht te laten vallen.

2.4. De korpschef betoogt dat de voorzieningenrechter de overgangsbepaling te strikt heeft geïnterpreteerd. Het gaat zowel bij de transactie als bij de strafbeschikking om buitengerechtelijke afdoening van strafzaken. De wijziging van artikel 39, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ffw moet worden gezien in het licht van de ontwikkeling die met de inwerkingtreding van de Wet OM-afdoening wordt beoogd, dat de strafbeschikking geleidelijk in de plaats zal treden van de transactie, aldus de korpschef.

2.5. Dit betoog slaagt.

De Wet OM-afdoening is, met uitzondering van een aantal artikelen en artikelonderdelen, op 1 februari 2008 in werking getreden. De wet beoogt een gefaseerde invoering van de bevoegdheid van de officier van justitie om strafzaken af te doen door het nemen van een zogeheten strafbeschikking. Deze bevoegdheid dient de in artikel 74, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onder a, van dat artikel van het WvSr neergelegde bevoegdheid tot het opleggen van de betaling aan de staat van een geldsom, uiteindelijk te vervangen. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2004/2005, 29 849, nr. 3, blz. 6) blijkt dat de wetgever heeft beoogd de wettelijke bepalingen houdende de transactiebevoegdheid op het moment waarop de eerste bepalingen van de Wet OM-afdoening in werking treden, vooralsnog te handhaven. De wettelijke bepalingen waarin de verdere procedure van de transactie was neergelegd of waarin aan de transactie nadere gevolgen waren verbonden zijn wel met ingang van 1 februari 2008 aangepast aan de wettelijke regeling inzake de strafbeschikking. Met het bepaalde in artikel XI van de Wet OM-afdoening heeft de wetgever voorzien in overgangsrecht. Deze bepaling strekt er blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2004/2005, 29 849, nr. 3, blz. 87) toe dat aan een transactie dezelfde rechtsgevolgen verbonden blijven en dat op deze wijze ook buiten twijfel wordt gesteld dat transacties onverkort vermeld blijven in de justitiële documentatie.

Een redelijke wetsuitleg brengt met zich dat aan de woorden "in strafzaken" in artikel XI van de Wet OM-afdoening niet de betekenis moet worden toegekend die de voorzieningenrechter daaraan heeft gehecht en dat het ingevolge artikel XI geldende overgangsrecht van toepassing is op de procedures waarin een transactie is overeengekomen ter zake van een overtreding waarvoor de Wet OM-afdoening nog niet in werking is getreden.

De met de Wet OM-afdoening voorziene mogelijkheid een strafbeschikking te geven was ten tijde van belang voor overtredingen van artikel 9 van de Ffw nog niet in werking getreden. De korpschef heeft derhalve bij de beoordeling van de aanvraag terecht met toepassing van artikel XI van de Wet OM-afdoening getoetst aan de voorwaarden van artikel 39, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ffw zoals die bepaling luidde voor 1 februari 2008. Nu niet is bestreden dat [wederpartij] op 21 april 2008 een transactie, als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het WvSr, heeft aanvaard in verband met een overtreding van artikel 9 van de Ffw, heeft de korpschef terecht de aanvraag om een jachtakte voor het seizoen 2009-2010 afgewezen.

De voorzieningenrechter heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de weigering van de korpschef om een jachtakte te verlenen in strijd is met de wet.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 3 september 2009 van de korpschef alsnog ongegrond verklaren. Het besluit van de korpschef van 20 april 2010, waarbij ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter alsnog een jachtakte is verleend aan [wederpartij], komt daarmee te vervallen, nu de verlening is geschied onder voorbehoud van de uitkomst in deze zaak.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 17 maart 2010 in zaak nr. 09/3154;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

290.