Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1077

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
201000544/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2008 heeft het CBR [wederpartij] verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid om een motorrijtuig te besturen en de geldigheid van zijn rijbewijs voor alle categorieën geschorst tot de dag waarop het besluit omtrent zijn geschiktheid wordt genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000544/1/H3.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 december 2009 in zaak nr. 08/4017 in het geding tussen:

[wederpartij] , wonend te [woonplaats],

en

het CBR.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2008 heeft het CBR [wederpartij] verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid om een motorrijtuig te besturen en de geldigheid van zijn rijbewijs voor alle categorieën geschorst tot de dag waarop het besluit omtrent zijn geschiktheid wordt genomen.

Bij besluit van 13 oktober 2008 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 2009, verzonden op 4 januari 2010, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 oktober 2008 vernietigd en bepaald dat het CBR een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2010, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2010, waar het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid is de bestuurder van een motorrijtuig ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.

Ingevolge het derde lid wordt de in het tweede lid bedoelde vordering gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. Het ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, wordt bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor een of meer categorieën motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde lid, bedoelde besluit van kracht wordt.

Ingevolge het zesde lid worden bij ministeriële regeling nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste en het vijfde lid.

Ingevolge artikel 134, vierde lid, voor zover thans van belang, wordt, indien het CBR besluit dat het rijbewijs van de houder ongeldig wordt verklaard, daarbij bepaald op welk deel van de geldigheidsduur alsmede op welke categorie of categorieën motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven de ongeldigverklaring betrekking heeft.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) wordt een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, kunnen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 onder meer blijken uit eigen waarneming en uit gegevens afkomstig van de politie.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, geschiedt een vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de Wvw 1994 ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig indien betrokkene een motorrijtuig heeft bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol.

Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of naar de geschiktheid in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij de regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, of onder B, Onderdeel III, Drogerende stoffen Alcohol.

Ingevolge artikel 7 schorst het CBR in de gevallen bedoeld in artikel 5 de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën motorrijtuigen overeenkomstig artikel 131, derde lid, onder a, van de Wvw 1994, tenzij een Educatieve Maatregel als bedoeld in artikel 131, vierde lid, van de Wvw 1994 wordt opgelegd.

In bijlage 1, onder B. Geschiktheid, onder III, Drogerende stoffen, is in het onderdeel Andere drogerende stoffen onder meer opgenomen:

d. betrokkene is aangehouden onder invloed van drogerende stoffen.

2.2. Het CBR heeft het in bezwaar gehandhaafde besluit genomen naar aanleiding van een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 van de Regiopolitie Limburg-Noord van 24 april 2008, waaruit het vermoeden blijkt dat [wederpartij] niet langer voldoet aan de eisen van geschiktheid waaraan hij gezien het aan hem afgegeven rijbewijs moet voldoen. Het CBR heeft een op ambtseed en op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van de Regiopolitie Limburg-Noord van 25 april 2008 aan het besluit ten grondslag gelegd. Daarin is, samengevat weergegeven, het volgende vermeld:

[wederpartij] werd naast zijn auto aangetroffen. Hij verklaarde dat hij alcoholhoudende drank had genuttigd en dat hij iets verkeerds had gegeten, waardoor hij onwel was geworden. Door een verbalisant werd geconstateerd dat hij onvast ter been was. Tijdens de overbrenging naar het politiebureau namen de verbalisanten waar dat [wederpartij] steeds harder begon te ademen, zijn evenwicht verloor, tegen het deurportier aanlag, bijna niet meer aanspreekbaar was, met zijn hoofd op en neer schudde, met zijn kaak van links naar rechts bewoog, zijn ogen wegdraaide en enkele malen moest braken. Bij het politiebureau moest hij zich aan de auto vasthouden om staande te blijven. Hij verklaarde dat hij geen drugs had gebruikt. Voorts zat hij met zijn hoofd tussen zijn benen, was hij niet aanspreekbaar, viel hij van zijn stoel en bleef hij daarop op de grond liggen. Gezien de toestand van [wederpartij] gelukte het een forensisch arts niet om een urineonderzoek af te nemen. [wederpartij] verklaarde niet mee te willen werken aan een bloedonderzoek. Bij een tweede urineonderzoek overhandigde [wederpartij] uiteindelijk een bekertje waterige en kleurloze vloeistof. De forensisch arts verklaarde dat dit geen urine kon zijn, omdat de vloeistof koud was. Vervolgens weigerde [wederpartij] wederom medewerking aan een bloedproef.

Het CBR heeft in het besluit het standpunt ingenomen dat er, gelet op de uiterlijke kenmerken en gedragingen van [wederpartij], een gerechtvaardigd vermoeden is gerezen dat hij onder invloed van drugs aan het verkeer heeft deelgenomen.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat niet is vastgesteld dat [wederpartij] op 6 april 2008 is aangehouden onder invloed van drugs, omdat daartoe onvoldoende is dat bij de betrokken verbalisanten op basis van de gedragingen van [wederpartij] het vermoeden is gerezen dat hij mede onder invloed was van een andere stof dan alcohol. Volgens de rechtbank is niet onaannemelijk dat het gedrag van [wederpartij] door iets anders dan drugs is veroorzaakt en heeft [wederpartij] verklaard dat hij geen drugs had gebruikt, iets verkeerds had gegeten en daardoor onwel was geworden. Verder leidden de gedragingen van [wederpartij] naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat hij een motorrijtuig heeft bestuurd onder invloed van drogerende stoffen.

2.4. Het CBR bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het besluit op bezwaar op een onjuiste grondslag berust en niet deugdelijk is gemotiveerd. Volgens het CBR heeft de rechtbank ten onrechte niet aannemelijk geacht dat [wederpartij] onder invloed van drogerende stoffen aan het verkeer heeft deelgenomen. Het CBR stelt dat de in het proces-verbaal vermelde gedragingen van [wederpartij] daartoe voldoende zijn. In dat verband wijst het CBR erop dat [wederpartij] geen medewerking heeft verleend aan een urineonderzoek en aan een bloedonderzoek.

2.5. Voorop moet worden gesteld dat het in deze zaak gaat om een bestuursrechtelijke maatregel, die erop is gericht de ter bevordering van de verkeersveiligheid noodzakelijk geachte deelname aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig af te dwingen. Het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is in de bij ministeriële regeling bepaalde gevallen een verplichting voor het CBR, indien een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 wordt gedaan. Het opleggen van een dergelijk onderzoek vloeit voort uit het in dat artikel vermelde vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die vereist is voor het besturen van een motorrijtuig. In dit geval is aan dat vermoeden, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Regeling, gelezen in verband met bijlage 1 bij de Regeling, ten grondslag gelegd dat [wederpartij] is aangehouden onder invloed van drogerende stoffen. In dat verband is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet vereist dat is vastgesteld dat [wederpartij] daadwerkelijk onder invloed van drogerende middelen was. Het CBR heeft onweersproken gesteld dat de gedragingen, zoals weergegeven in het proces-verbaal, zich kunnen voordoen bij personen die onder invloed zijn van drogerende stoffen. Op grond van de in het proces-verbaal opgenomen gegevens, zoals hierboven onder 2.2 weergeven, heeft het CBR dan ook aannemelijk mogen achten dat [wederpartij] onder invloed van drogerende middelen was. De verklaringen van [wederpartij], inhoudende dat hij geen drugs had gebruikt en onwel was geworden doordat hij iets verkeerds had gegeten, zijn onvoldoende om daaraan af te doen. In dat verband is van belang dat [wederpartij], door medewerking aan de urineonderzoeken te belemmeren en medewerking aan de bloedonderzoeken te weigeren, het voor de verbalisanten onmogelijk heeft gemaakt om nader te onderzoeken of hij onder invloed van drogerende middelen was. Gelet op het voorgaande was er voldoende grondslag voor het vermoeden dat [wederpartij] niet langer beschikte over de vereiste geschiktheid. Aangezien de bevoegdheid tot het vorderen van een geschiktheidsonderzoek het CBR reeds toekomt, indien aannemelijk is dat iemand bij zijn aanhouding onder invloed van drogerende stoffen was, heeft het CBR, anders dan de rechtbank heeft overwogen, [wederpartij] op goede gronden verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid.

2.6. Voor de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs is niet slechts vereist dat er een vermoeden is dat [wederpartij] bij zijn aanhouding onder invloed was van drogerende stoffen, maar tevens dat hij een motorrijtuig heeft bestuurd onder invloed van dergelijke stoffen. Blijkens het proces-verbaal heeft hij verklaard dat hij het motorrijtuig, waarnaast hij werd aangetroffen, had bestuurd. Nu tevens, zoals hiervoor onder 2.5 is overwogen, aannemelijk was dat hij onder invloed van drogerende stoffen was, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het CBR ten onrechte tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs is overgegaan.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2008 van het CBR alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 december 2009 in zaak nr. 08/4017;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

97-640.