Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200909800/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 10 maart 2008 in zaak nr. 07/1692, [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast het strijdige gebruik van de woning aan de [locatie] te Epe (hierna: de woning) blijvend te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909800/1/H1.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 november 2009 in zaken nrs. 08/1881 en 09/568 in het geding tussen:

[appellante],

[eigenaar],

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 10 maart 2008 in zaak nr. 07/1692, [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast het strijdige gebruik van de woning aan de [locatie] te Epe (hierna: de woning) blijvend te beëindigen.

Bij brief van 30 oktober 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen ingediende bezwaarschrift met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, gelezen in samenhang met het eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.

Bij uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200802660/1 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 2 oktober 2008 met toepassing van artikel 6:19, tweede lid, van de Awb ter behandeling en beslissing naar de rechtbank verwezen.

Bij uitspraak van 4 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de beroepen van [appellante] tegen het besluit van 2 oktober 2008 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2010, waar het college, vertegenwoordigd door P. Luesink, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De woning, die eigendom is van [eigenaar], wordt door hem verhuurd aan het uitzendbureau [appellante] dat daarin, tegen betaling, onderdak biedt aan tijdelijke arbeidskrachten.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Vegtelarij" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder k, van de planvoorschriften verstaan deze voorschriften onder woning: een gebouw of een zelfstandig gedeelte van een gebouw dat bestemd is voor de huisvesting van een zelfstandig wonend persoon of een samenwonende groep van personen.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, is de op de plankaart voor "Woondoeleinden" aangewezen grond bestemd voor woningen, bijgebouwen, erven en tuinen, met de daarbij behorende andere bouwwerken.

Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, voor zover hier van belang, is het verboden grond en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming en met de in deze voorschriften gegeven gebruiksbepalingen.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bevoegd is handhavend op te treden tegen het verhuren van kamers in de woning. Hiertoe voert zij aan dat de bewoning door huurders als hier aan de orde niet in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de planvoorschriften omdat in dit geval sprake is van huisvesting van een samenwonende groep van personen.

2.3.1. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 november 2008 overwogen dat de term "samenwonende groep van personen" in artikel 1.1, aanhef en onder k, van de planvoorschriften een zekere mate van onderlinge samenhang en verbondenheid, tussen de leden van de groep en van continuïteit in de samenstelling van de groep impliceert.

2.3.2. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2008, bij haar beoordeling terecht als uitgangspunt genomen dat de term "samenwonende groep van personen" in artikel 1.1, aanhef en onder k, van de planvoorschriften een zekere mate van onderlinge samenhang en verbondenheid, tussen de leden van de groep en van continuïteit in de samenstelling van de groep impliceert. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het besluit van 2 oktober 2008 geen sprake was van onderlinge samenhang en verbondenheid in de hiervoor bedoelde zin. In hetgeen door [appellante] in beroep is aangevoerd, waaronder het feit dat de bewoners allen uit Polen afkomstig zijn, voor dezelfde werkgever werken en om die reden graag een woning delen, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor een ander oordeel. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat geenszins aannemelijk is dat de bewoners van de woning de intentie hebben om een samenwonende groep van personen te vormen, maar dat veeleer aannemelijk is dat het feit dat zij in de woning wonen uitsluitend het gevolg is van de toevallige omstandigheid dat zij voor [appellante] werkzaam zijn en hen om die reden door [appellante] de mogelijkheid wordt geboden te worden gehuisvest in een van de haar ter beschikking staande huizen. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de door elk van de bewoners verschuldigde huur door [appellante] op het loon wordt ingehouden. Gelet op het voorgaande, behoefde de rechtbank niet in te gaan op de vraag of sprake is van continuïteit in de samenstelling van de groep bewoners. De rechtbank is derhalve terecht tot de slotsom gekomen dat de bewoning door huurders als hier aan de orde in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de planvoorschriften en dat het college daarom bevoegd is daartegen handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

357-593.