Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1071

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200908709/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Haarlem bij besluit van 22 januari 2009 vastgestelde bestemmingsplan "IJsbaanlaan e.o.".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908709/1/R1.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant 1] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Haarlem bij besluit van 22 januari 2009 vastgestelde bestemmingsplan "IJsbaanlaan e.o.".

Tegen dit besluit hebben [appellant 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2010, waar

[appellant 1] en anderen, vertegenwoordigd door [drie appellanten], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Braxhoven, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de raad, vertegenwoordigd door mr. drs. G. Koppenaal, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. In artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Awb wordt een beroepschrift ondertekend. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Indien een beroep is ingesteld bij de Afdeling kan zij krachtens artikel 8:24, tweede lid, van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat of procureur, een schriftelijke machtiging verlangen. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.1.1. [appellant 2] heeft in het beroepschrift verklaard dat het beroep mede namens [appellanten 3, 4 en 5] wordt ingesteld. Daarbij heeft hij geen machtiging of andere stukken overgelegd waaruit de gestelde vertegenwoordiging blijkt. Bij aangetekend verzonden brief van 13 november 2009 is [appellant 2] verzocht de gestelde vertegenwoordiging aan te tonen. Hij is tot en met 11 december 2009 hiertoe in de gelegenheid gesteld. Hierbij is vermeld dat, indien dat niet binnen de gestelde termijn gebeurt, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

[appellant 2] heeft de gestelde vertegenwoordiging niet binnen de aldus gestelde termijn aangetoond. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant 2] in verzuim is geweest.

Gelet hierop is het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld namens [appellanten 3, 4 en 5].

2.2. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Awb kan tegen het goedkeuringsbesluit van het college slechts beroep worden ingesteld door de belanghebbende die over het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.2.1. [appellant 1], [appellanten 6 en 7] hebben geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad. Onder verwijzing naar de uitspraak van 20 februari 2008, nr. 200701692/1, overweegt de Afdeling dat, indien zou komen vast te staan dat [appellant 1], [appellanten 6 en 7] eerst na afloop van de termijn waarin het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen, de koopovereenkomst voor hun woningen aan de Iepenlaan hebben gesloten, hen redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren te hebben gebracht.

[appellant 1] en [appellant 6] hebben, daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij eerst na de termijn van terinzagelegging van het ontwerpplan de koopovereenkomst voor hun woningen aan de [locatie] hebben gesloten.

Derhalve is het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellant 7].

Toetsingskader

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.4. Het plan voorziet in een actueel planologisch-juridisch kader voor de gronden van de kunstijsbaan en het sportcomplex tussen de A.W.F. van Idenburglaan, het Carel Reinierszpad en de Willem van Outhoornlaan in Haarlem. Op grond van het plan is een volledige overkapping van de ijsbaan met een bouwhoogte van 13 meter toegelaten. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming "Verkeersdoeleinden" te wijzigen ten behoeve van sportfuncties, recreatieve of maatschappelijke functies met inbegrip van kantoren en congres-, vergader- en praktijkruimten.

Verruiming van de bestemming en de bouwhoogte van de ijsbaan

2.5. [appellant 1] en anderen betogen dat het plan ten onrechte voorziet in een wijziging van de voorheen geldende bestemming voor een ijsbaan in de bestemming "Sport- en recreatieve doeleinden". Zij stellen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de noodzaak of wenselijkheid van de verruiming van de bestemming en voeren aan dat concrete plannen voor uitbreiding van de activiteiten niet bestaan. Volgens hen heeft het plan tot gevolg dat de ijsbaan ook in de zomermaanden mag worden gebruikt en dat daarnaast ook andere (sport)activiteiten zijn toegelaten. Zij vrezen voor de daarmee gepaard gaande (geluids)overlast.

2.5.1. Het college stelt dat uitbreiding van de mogelijkheden voor de ijsbaan en de daartoe vereiste verruiming van de bestemming past binnen het gemeentelijk beleid om dit gebied in de toekomst te professionaliseren tot een sportboulevard.

Daarnaast stelt het college dat de wijziging van de bestemming geen planologische verslechtering voor de omwonenden tot gevolg heeft, daar in het voorgaande bestemmingsplan het gebruik van de ijsbaan gedurende de zomermaanden evenmin was verboden. Voorts betekent de bestemming "Sport- en recreatieve doeleinden" voor de gronden van de ijsbaan ook niet dat de ijsbaan gedurende het hele jaar meer geluidsbelasting mag produceren, nu de thans vastgelegde geluidsnorm in de milieuvergunning niet wordt gewijzigd, aldus het college.

2.5.2. Ingevolge artikel 6.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Sport- en recreatieve doeleinden" aangewezen gronden bestemd voor sport- en recreatieve voorzieningen. Ingevolge artikel 1, onder 25, wordt in de planvoorschriften onder recreatieve voorzieningen verstaan: het bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, exploiteren van ruimte in recreërende sfeer, daaronder begrepen dansschool, fitnesscentrum en sportschool.

2.5.3. Voorheen gold voor de desbetreffende gronden het uitbreidingsplan "Omgeving Kleverlaan", goedgekeurd op 9 december 1959, waarin het bestreden plandeel was bestemd als "IJsbaan". Daarnaast golden de "Aanvullende voorschriften stedebouwkundige maatregelen Woningwet 1901", goedgekeurd op 2 april 1974, die ander gebruik dan volgens de bestemming uitsloten. Hieruit volgt dat de gronden van de ijsbaan slechts als zodanig gebruikt mochten worden. Wel zijn er enkele vrijstellingen in de zin van artikel 19 van de WRO verleend voor diverse bouwinitiatieven.

2.5.4. Gelet op het voorgaande betekent het nieuwe plan een aanzienlijke verruiming ten opzichte van het voorgaande plan, en kan verruiming van de bestemming in toekomst, anders dan de raad stelt, gevolgen hebben voor de omwonenden, waaronder de bewoners van de Iepenlaan. Niet is gebleken van een belangenafweging waarin de belangen van de bewoners zijn meegenomen, noch van concrete plannen dan wel andere ontwikkelingen waartoe een verruiming van de bestemming "IJsbaan" naar "Sport- en recreatieve doeleinden" gewenst zou zijn. Nu de realisatie van dergelijke ontwikkelingen binnen de planperiode daarnaast ook niet aannemelijk zijn gemaakt door de raad, ziet de Afdeling in het enkele feit dat verruiming van de bestemming past binnen het gemeentelijke beleid noch in de omstandigheid dat in het kader van de Wet milieubeheer voorschriften zouden kunnen worden gesteld onvoldoende aanleiding daartoe.

Het betoog slaagt op dit punt.

2.6. Voorts betogen [appellant 1] en anderen dat ten onrechte een maximale bouwhoogte van 13 meter is toegelaten ter plaatse van het thans onbebouwde middendeel van de gronden van de ijsbaan en een maximale bouwhoogte van 10 meter voor de buitenring. Daartoe stellen zij dat geen behoefte bestaat aan een volledige overkapping van de ijsbaan, nu gedeeltelijke overkapping van de ijsbaan reeds is gerealiseerd en de gebruiker van de ijsbaan, de Stichting Kunstijsbaan Kennemerland (hierna: SKK) heeft verklaard geen verdere overkapping na te streven.

2.6.1. Het college heeft aangevoerd dat de SKK is gevraagd naar haar toekomstige plannen en dat deze heeft aangegeven, op termijn en bij voldoende budget, het middenterrein van de ijsbaan te willen overkappen. Volgens het college is het niet onaannemelijk dat de volledige overkapping binnen de planperiode zal worden gerealiseerd. In dit verband wijst het college erop dat de SKK een voorlopige schets heeft overgelegd waarin een maximale bouwhoogte van 13 meter voor een overkapping als toereikend beschouwd wordt.

2.6.2. Ter zitting is gebleken dat verruiming van de bouwhoogte slechts ten doel heeft flexibiliteit te bieden voor mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Nu reeds een gedeeltelijke overkapping met een hoogte van 8,7 meter is gerealiseerd en de realisatie van andere ontwikkelingen binnen de planperiode waartoe verruiming van de bouwhoogte nodig zou zijn door de raad niet aannemelijk zijn gemaakt, heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aannemelijk is dat de bouwmogelijkheden binnen de planperiode zullen worden verwezenlijkt.

Het betoog slaagt op dit punt.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant 1] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel betreffende de ijsbaan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

2.8. Gelet op het bovenstaande behoeven de overige argumenten met betrekking tot dit plandeel geen bespreking meer.

Verkeer en parkeren

2.9. [appellant 1] en anderen betogen dat in het plan ten onrechte niet is bepaald dat de A.M.F. van Idenburglaan, de toegangsweg naar het parkeerterrein van de ijsbaan, niet als openbare weg mag worden gebruikt, mede nu reeds ongeoorloofd gebruik gemaakt wordt van deze weg en het parkeerterrein.

Daarnaast voeren [appellant 1] en anderen aan dat in het plan in onvoldoende parkeergelegenheid is voorzien, nu na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid parkeerplaatsen aan de noordzijde van het plangebied zullen vervallen, terwijl in de bestaande situatie reeds parkeeroverlast wordt ervaren bij evenementen in de sporthal.

2.9.1. De Afdeling overweegt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant 1] en anderen gewenste regeling voor de openbaarheid van wegen en parkeerterreinen uitsluitend een verkeersmaatregel in het kader van de Wegenverkeerswet betreft en uit een oogpunt van ruimtelijke ordening niet relevant is, zodat deze niet in een bestemmingsplan kan worden opgenomen.

Dit betoog faalt derhalve.

2.9.2. Ingevolge artikel 8.3 van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming van (een deel van) de gronden met de aanduiding "wijzigingsgebied" te wijzigen ten behoeve van de bestemmingen "Gemengde doeleinden (G)" (met uitzondering van een hotel) en/of "Maatschappelijke doeleinden (M)" met onder- en/of bovengrondse parkeervoorzieningen. De gronden mogen in dat geval worden bebouwd, waarbij onder meer aan de voorwaarde moet worden voldaan dat naast het aantal bestaande parkeerplaatsen dat dient te worden gehandhaafd, in voldoende parkeergelegenheid moet worden voorzien, bij voorkeur geheel of gedeeltelijk verdiept aangelegd. In de enkele stelling van [appellant 1] en anderen dat in onvoldoende parkeergelegenheid is voorzien, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het plan voldoende is gewaarborgd dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid niet tot een onaanvaardbare parkeeroverlast zal leiden.

2.9.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant 1] en anderen hebben aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" betreffende de gronden van de A.W.F. van Idenburglaan en het plandeel met de bestemming "Sport- en recreatieve doeleinden" met de aanduiding "wijzigingsgebied" betreffende het bestaande parkeerterrein, niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is op deze punten ongegrond.

2.10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover ingediend door [appellanten 3, 4 en 5] en [appellant 7];

II. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 14 september 2009, kenmerk 2009-49797, voor zover betreffende het plandeel met de bestemming "Sport- en recreatieve doeleinden" zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

IV. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Sport- en recreatieve doeleinden" zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 19,05 (zegge: negentien euro en vijf cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [appellant 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Sloten w.g. Bošnjaković

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

410-516-667.

<HR>

plankaart