Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN1057

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
200902572/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2009, nummer 2008-017652, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maasdriel bij besluit van 4 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kerkdriel en Hoenzadriel".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902572/1/R2.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prochamp B.V., gevestigd te Velddriel, gemeente Maasdriel,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2009, nummer 2008-017652, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maasdriel bij besluit van 4 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kerkdriel en Hoenzadriel".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2009, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2009, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2009, [appellant sub 5] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2009, [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2009, en Prochamp B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 26 april 2009. [appellant sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 26 april 2009. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 26 april 2009.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2010, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M. de Jong, advocaat te 's-Hertogenbosch, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4], allen vertegenwoordigd door mr. J.H. Hartman, [appellant sub 5] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 5], Prochamp B.V., vertegenwoordigd door R. Peffer en G.W. van Kessel, en bijgestaan door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door W. Zweverink, werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het beroep van [appellant sub 3] voor zover dat is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" dat betrekking heeft op de gronden aan de [locatie 1], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Voor zover het dit plandeel betreft, doet geen van deze omstandigheden zich voor.

Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.3. Het plan voorziet in een actuele regeling van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden voor de kernen Hoenzadriel en Kerkdriel, met uitzondering van een gedeelte van het centrum van de kern Kerkdriel. Het college heeft het plan, voor zover hier van belang, goedgekeurd.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] richten zich in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" dat betrekking heeft op het perceel Paterstraat 13-15 en de achterliggende gronden. Zij voeren aan dat de bedrijfsbestemming die is gegeven aan de achterliggende gronden in strijd is met een goede ruimtelijke ordening nu de desbetreffende gronden slechts via een inrit over de gronden van [appellant sub 1] kunnen worden ontsloten. Zij wijzen hierbij op het feit dat op het perceel Paterstraat 13-15 teveel bebouwing is gerealiseerd, zodat daar geen ontsluiting mogelijk is. Voorts is het ter plaatse aanwezige koetsenbedrijf niet opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten en was het bedrijf tevens in strijd met het vorige plan zodat het niet als zodanig hoeft te worden bestemd. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de feitelijke situatie en de afstand tot de aanwezige woningen. De locatie is volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ook niet geschikt voor andere bedrijven. Bovendien bestaan er plannen om op het perceel woningbouw te realiseren. Tevens is de woning op het perceel Paterstraat 13-15 ten onrechte als bedrijfswoning bestemd, aldus [appellant sub 2].

[appellant sub 1] richt zich voorts nog tegen het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" voor zover dat ziet op zijn gronden omdat volgens hem een deel van zijn bijgebouwen ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht.

2.4.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorheen op het perceel aanwezige transportbedrijf en het huidige koetsenbedrijf met paarden weliswaar niet aanvaardbaar zijn op deze locatie, maar dat dit niet betekent dat het perceel geen bedrijfsbestemming zou mogen krijgen. Het is niet uitgesloten dat zich daar een ander bedrijf in de toegestane milieucategorieën kan vestigen. Het als bedrijfswoning bestemmen van de bij het bedrijf behorende woning op het perceel is in overeenstemming met de plansystematiek, aldus het college. Ten aanzien van de bijgebouwen van [appellant sub 1] stelt het college dat die niet onder het overgangsrecht zijn gebracht, maar zijn toegestaan op grond van artikellid 20.3.3., onder f., van de planvoorschriften.

2.4.2. In het verslag zienswijzen is over de regeling voor de bijgebouwen vermeld dat, anders dan bij het overgangsrecht, door toepassing van artikellid 20.3.3. onder d., (lees: onder f.) van de planvoorschriften de bestaande bebouwing die de maximaal toegestane oppervlakte overschrijdt, wordt gelegaliseerd en dus bij recht wordt toegestaan. Ook mogen deze aan- en/of bijgebouwen worden vernieuwd of veranderd. Over de bedrijfsbestemming ter plaatse van het perceel Paterstraat 13-15 stelt de raad dat, gelet op de voorschriften en de Staat van Inrichtingen, niet is uitgesloten dat op de desbetreffende locatie wel andere bedrijfsactiviteiten mogelijk zijn. De bestaande bedrijfsbestemming is gecontinueerd, aldus de raad.

2.4.3. In artikellid 20.3.3., onder a. tot en met f., van de planvoorschriften zijn de regels voor het bouwen van bijgebouwen en aan- en uitbouwen opgenomen. Ingevolge dit artikellid, onder f., zijn voor zover de bestaande bijgebouwen en aan- en uitbouwen niet voldoen aan het bepaalde onder a. tot en met e., in afwijking hiervan de bestaande bijgebouwen en aan- en uitbouwen toegestaan.

2.4.3.1. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat de regeling in artikellid 20.3.3., onder f., van de planvoorschriften ertoe strekt om in afwijking van de algemene regeling in artikellid 20.3.3., onder a. tot en met e., op percelen waar de bijgebouwen niet aan deze regeling voldoen, in een specifieke regeling te voorzien. Daarbij gelden de afmetingen en oppervlaktes van de bestaande bijgebouwen als de maximale mogelijkheden. Hieruit volgt dat de aanwezige bijgebouwen van [appellant sub 1], in tegenstelling tot hetgeen hij heeft betoogd, in het plan als zodanig zijn bestemd. Tevens volgt daaruit dat de desbetreffende bijgebouwen mogen worden veranderd en vernieuwd.

2.4.3.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre ongegrond.

2.4.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wonen op [locatie 2 en 3]. Hun gronden zijn bestemd voor "Wonen (W)".

Aan de gronden aan de Paterstraat 13-15 is in het plan de bestemming "Bedrijf (B)" toegekend. De gronden strekken zich uit achter de tuinen van de percelen [locaties. Ter plaatse wordt door Koetserij Haasnoot een koetsenbedrijf met paarden geëxploiteerd. Ter zitting is toegelicht dat het bedrijf een aantal koetsen, vrachtwagens en trailers en 12 tot 14 paarden heeft. De koetsen en paarden worden verhuurd en met de vrachtwagens en trailers vervoerd.

Ingevolge artikellid 6.1., aanhef en onder a. en b., van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Bedrijf (B)" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven in categorie 1 of 2 als genoemd in de Staat van Inrichtingen en voor bestaande bedrijven in categorie 3 als genoemd in de Staat van Inrichtingen of daarmee vergelijkbaar, dat wil zeggen welke aanwezig zijn op het moment van het van kracht worden van dit plan.

2.4.4.1. Het bestemmingsplan "Grote Ipperakkeren 1980" (hierna: het vorige plan) voorzag voor de gronden aan de Paterstraat 13-15 in de bestemming "Bedrijven" met de aanduiding 'transportbedrijven'. Binnen deze bestemming waren transportbedrijven en bedrijven uit de categorieën 1 tot en met 3 van de bij dat plan behorende Staat van Inrichtingen toegestaan.

2.4.4.2. In antwoord op de inspraakreactie van [appellant sub 1] heeft de raad gesteld dat in principe in het plan de bestaande situatie van een nieuwe regeling wordt voorzien. Nieuwe ontwikkelingen worden meegenomen voor zover deze voldoende concreet en onderbouwd zijn, zodat een sluitende afweging over de aanvaardbaarheid ter plaatse kan worden gemaakt en voor zover daartoe strekkende procedures zijn afgerond. In het geval van de geplande woningbouw op het perceel Paterstraat 13-15 is hiervan nog geen sprake. Daarom wordt vooralsnog de bedrijfsbestemming gehandhaafd.

2.4.4.3. Op grond van artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) rust op het college van burgemeester en wethouders de verplichting om ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gemeentelijke gebied onderzoek te verrichten naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. De raad heeft overeenkomstig het bij de voorbereiding van het plan gehanteerde uitgangspunt de voorheen geldende bedrijfsbestemming als bestaande situatie in het plan opgenomen, doch voorzien van een nieuwe regeling met een beperking van de toegelaten categorieën van bedrijven. In de Staat van Inrichtingen is echter geen koetsenbedrijf met paarden opgenomen. Over de stelling van de raad ter zitting dat het bedrijf moet worden aangemerkt als een bestaand transportbedrijf in categorie 3 met als nevenactiviteit het houden van paarden dat ook in categorie 3 valt en dat het bedrijf dan ook als zodanig is bestemd, is de Afdeling van oordeel dat het bedrijf niet kan worden aangemerkt als een transportbedrijf. De activiteiten bestaan namelijk niet uit het transporteren van goederen, maar uit het verhuren van koetsen en paarden inclusief koetsiers. Dat in het kader van die activiteiten ook transportbewegingen plaatsvinden, maakt hiervoor geen verschil nu dat alleen het vervoeren van de koetsen en de paarden betreft. In de Staat van Inrichtingen van het vorige plan was voorts geen koetsenbedrijf opgenomen. Het vorige plan liet ter plaatse van het perceel Paterstraat 13-15 derhalve een dergelijk bedrijf niet toe. Het is dan ook niet duidelijk wat de raad beoogt met het perceel en het aanwezige koetsenbedrijf. Het had daarom op de weg van de raad gelegen om meer onderzoek te verrichten naar het mogelijke en wenselijke gebruik van het perceel en naar de aanvaardbaarheid van een bedrijfsbestemming ter plaatse. Hierbij is van belang dat het voorheen op het perceel aanwezige transportbedrijf is verplaatst, omdat het niet meer aanvaardbaar was in de omgeving en dat het koetsenbedrijf lange tijd zonder milieuvergunning werd geëxploiteerd en ook nu nog niet beschikt over een onherroepelijke milieuvergunning. Tevens is daarbij in aanmerking genomen dat het onderhoud aan de koetsen en de aanwezigheid van de paarden hinder opleveren voor [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Bovendien kunnen de gronden feitelijk slechts worden ontsloten door een inrit over het perceel van en direct naast de woning van [appellant sub 1], die ook van dat gebruik hinder ondervindt.

Op grond van de Staat van Inrichtingen behorend bij het plan zijn op het perceel bedrijven van categorie 2 toegestaan waarbij ten opzichte van een woonbestemming vanwege hinder door geur en/of geluid in principe een afstand van 30 meter moet worden aangehouden. Gelet op het feit dat de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op een afstand van 14 respectievelijk 17 meter liggen van het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)", is de Afdeling van oordeel dat de raad ook deze afstand bij zijn onderzoek dient te betrekken. Daarbij dient tevens de noodzakelijkheid van een bedrijfswoning ter plaatse onder ogen te worden gezien.

2.4.4.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" dat betrekking heeft op het perceel Paterstraat 13-15 is vastgesteld in strijd artikel 9, eerste lid, van het Bro 1985. Door dit plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

De beroepen van [appellant sub 1] voor het overige en van [appellant sub 2] zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling tevens aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het voornoemde plandeel.

Het beroep van [appellant sub 3] voor zover ontvankelijk

2.5. [appellant sub 3] betoogt dat het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" en de aanduiding 'bedrijventerrein III (III)' voor zover dat betrekking heeft op de gronden achter zijn woning aan de [locatie 4], ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid drie bedrijfswoningen te realiseren. Het plan voorziet slechts in de bouw van één nieuwe woning en de bebouwingszone daarvoor ligt niet op de door hem gewenste plaats. Voorts is al voor de vaststelling van het plan overeenstemming bereikt met de gemeente over de overdracht van de weg op zijn perceel. [appellant sub 3] brengt naar voren dat hij door het plan wordt beperkt, omdat hij op basis van het vorige plan rechtstreeks drie bedrijfswoningen kon bouwen terwijl dat nu alleen via een ontheffing kan worden geregeld. Tevens heeft hij voordat het plan werd vastgesteld een aanvraag voor een bouwvergunning met een verzoek om vrijstelling voor drie bedrijfswoningen ingediend. Daarna is gebleken dat een vrijstelling niet nodig was voor het bouwplan. Tevens is het koppelen van een bedrijfswoning aan een bedrijfsverzamelgebouw volgens hem op een terrein aan de Bulkseweg wel toegestaan en is op het perceel [locatie 1] wel voorzien in een woonbestemming, terwijl daarvoor de procedures nog niet waren afgerond.

2.5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant sub 3] door het plan niet onevenredig wordt benadeeld omdat op grond van het vorige plan weliswaar bij ieder bedrijfsgebouw een bedrijfswoning mocht worden gerealiseerd, maar dat hieraan op grond van de gemeentelijke bouwverordening nadere eisen waren gesteld. Op grond van bijvoorbeeld de eis van het gericht zijn van de woning naar de openbare weg, kon in de praktijk op het perceel toch maar één bedrijfswoning worden opgericht. Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders toegelicht dat het niet afwijzend tegenover de plannen van [appellant sub 3] staat en dat deze plannen via een vrijstellingsprocedure alsnog kunnen worden gerealiseerd. De aanvraag voor een bouwvergunning is pas na de terinzagelegging van het ontwerpplan ingediend, dus deze toekomstige ontwikkeling behoefde nog niet in het plan te worden opgenomen, aldus het college.

2.5.2. De gronden van [appellant sub 3] liggen achter zijn woning aan de [locatie 4] te [plaats]. Deze achterliggende gronden hebben in het plan de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" en de aanduiding 'bedrijventerrein III (III)'. Ter plaatse van deze gronden is één bebouwingszone ingetekend. Ingevolge artikellid 9.3.1., aanhef en onder b., van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mag op de gronden die zijn aangewezen als "Bedrijventerrein (BT)" maximaal één woning/dienstwoning per bouwperceel worden gebouwd, uitsluitend ter plaatse van en binnen de bebouwingszone.

2.5.3. In antwoord op de inspraakreactie van [appellant sub 3] heeft de raad gesteld dat een nieuwe bedrijfswoning aan de openbare weg moet zijn gesitueerd. De bebouwingszone is daarom nabij het einde van de zijtak van de Nijverheidsstraat ingetekend. Andere locaties op het perceel komen om diezelfde reden niet in aanmerking voor een bedrijfswoning.

2.6. Het uitgangspunt van de raad dat bij een conserverend plan de bestaande situatie van een nieuwe regeling wordt voorzien en dat nieuwe ontwikkelingen alleen worden meegenomen voor zover deze voldoende concreet en onderbouwd zijn, is in beginsel niet onredelijk. Ter zitting is komen vast te staan dat ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen overeenstemming was bereikt over de overdracht van de weg op het perceel van [appellant sub 3] aan de gemeente, waarna de weg een openbare weg zal worden. Gelet hierop waren er niet zonder meer drie bebouwingszones op het perceel mogelijk in dit plan, evenmin als in het vorige plan. Omdat voor één bebouwingszone op het perceel van [appellant sub 3] geen beletselen bestonden, kon die al in het plan worden opgenomen. Ter zitting hebben [appellant sub 3] en de raad naar voren gebracht dat er nog overleg gaande is over de plaats van de bedrijfswoningen op het perceel, aan het mogelijk maken waarvan de raad wil meewerken. Tevens is gebleken dat de plannen van [appellant sub 3] voor de bedrijfswoningen ten tijde van de vaststelling van het plan nog onvoldoende waren uitgewerkt.

Ten aanzien van de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met nieuwe ontwikkelingen aan de Bulkseweg waarin het plan al voorziet hoewel de procedures daarvoor ook nog niet waren afgerond, wordt overwogen dat de raad zich ter zitting onbetwist op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat de desbetreffende ontwikkelingen al dermate concreet waren dat daarvoor in het plan een regeling kon worden opgenomen en dat aan die ontwikkelingen bovendien niets in de weg stond. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte met de raad op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van gelijke gevallen.

2.6.1. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3], voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.7. [appellant sub 4] betoogt dat het college zich ten onrechte heeft aangesloten bij de beantwoording van de zienswijze door de raad.

2.7.1. De Afdeling overweegt hierover dat nu het college in het bestreden besluit heeft vermeld in te stemmen met de beantwoording van de door [appellant sub 4] ingebrachte zienswijzen, deze beantwoording dient te worden beschouwd als het standpunt van het college. Een dergelijke handelwijze leidt niet op voorhand tot de conclusie dat het college zich niet een eigen oordeel heeft gevormd omtrent hetgeen een belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening vereist. In het algemeen staat geen wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel aan een dergelijke handelwijze in de weg. Niet is gebleken dat dat in dit geval anders is.

2.8. [appellant sub 4] richt zich voorts tegen het plandeel met de bestemming "Centrum (C)"dat betrekking heeft op het perceel Leijensteinstraat 3. Het plan zal volgens hem leiden tot verlies van (zon)lichtinval en privacy op zijn perceel doordat een muur van 12 meter hoog op de perceelsgrens is toegestaan. Zijn belangen worden hierdoor onevenredig geschaad, aldus [appellant sub 4].

2.8.1. De raad stelt in zijn reactie op de zienswijze dat in een stedelijk gebied rekening moet worden gehouden met nieuwe ontwikkelingen. Van een zodanige vermindering van de lichtinval dat het woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast, is geen sprake, aldus de raad.

2.8.2. [appellant sub 4] heeft het perceel [locatie 5] te [plaats] in eigendom. Het plan voorziet voor zijn gronden en voor de gronden ter plaatse van de Leijensteinstraat 3 in de bestemming "Centrum (C)" en de aanduiding 'zone detailhandel - horeca'.

2.8.3. Ingevolge artikellid 10.3.2., onder a., b. en c., van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen gebouwen in ten hoogste drie bouwlagen en met een kap worden gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan op de kaart in de desbetreffende bebouwingszone is aangegeven en mag de bebouwingshoogte maximaal 12 meter bedragen. Op de plankaart is een maximale goothoogte van 6 meter aangegeven.

2.8.4. De goothoogte ter plaatse van het perceel Leijensteinstraat 3 is beperkt tot een hoogte van 6 meter. Het plan kan derhalve niet leiden tot een muur van 12 meter hoog grenzend aan het perceel van [appellant sub 4]. Wel is een kap tot 12 meter hoog mogelijk. Ter zitting is komen vast te staan dat een aanvraag voor een bouwvergunning eerste fase is ingediend voor een gebouw dat groter is dan het bestaande gebouw op het perceel Leijensteinstraat 3. Niet kan worden uitgesloten dat het plan op dit punt kan leiden tot enige aantasting van het woon- en leefklimaat aan de [locatie 5] in de vorm van schaduwwerking. Gezien de ligging in het centrum van Kerkdriel heeft het college een grotere bebouwingsdichtheid en een grotere bouwhoogte dan in een woonwijk redelijk kunnen achten. Voorts heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de eventuele aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse niet onaanvaardbaar zal zijn.

2.8.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 5] en anderen

2.9. [appellant sub 6] en [appellant sub 5] en anderen richten zich in beroep tegen de goedkeuring van het plan voor zover dat voorziet in nieuwe woningbouwmogelijkheden op de gronden tussen de Plataanstraat, de Lindestraat en de Duitse Weistraat. Zij voeren hiertoe aan dat het plan in zoverre zal leiden tot een aantasting van de bereikbaarheid, hun privacy, woongenot en de lichtinval in hun woningen, en van het uitzicht op en het aanzicht van het landelijk gebied. Tevens zal de criminaliteit en geluidsoverlast toenemen en zullen de bestaande woningen in waarde verminderen, aldus [appellant sub 6] en [appellant sub 5] en anderen.

2.9.1. De raad heeft zich in zijn schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat de desbetreffende bouwvlakken bij het vervaardigen van de definitieve plankaart onbedoeld zijn ingetekend. In het ontwerpplan waren de bouwvlakken niet opgenomen en het plan is ook niet in dienovereenkomstige zin gewijzigd vastgesteld, aldus de raad.

2.9.2. De Afdeling stelt vast dat de door het college in zoverre goedgekeurde plankaart voorziet in woningbouwmogelijkheden in het door [appellant sub 6] en [appellant sub 5] en anderen bedoelde gebied. Deze woningbouwmogelijkheden waren niet ingetekend op de plankaart van het ontwerpplan. Uit het vaststellingsbesluit blijkt dat de raad bij de vaststelling van het plan niet heeft besloten om voornoemde woningbouwmogelijkheden in het plan op te nemen. Dit is echter wel verwerkt op de plankaart behorend bij het ter goedkeuring aangeboden plan. Derhalve doet zich op dit punt een verschil voor tussen het vastgestelde plan en het plan zoals dat ter voldoening aan artikel 28, eerste lid, van de WRO ter goedkeuring is aangeboden, zodat dit wettelijk voorschrift is geschonden.

2.9.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] en [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met artikel 28, eerste lid, van de WRO. Hieruit volgt dat het college, door de plandelen die betrekking hebben op de bedoelde gronden tussen de Plataanstraat, de Lindestraat en de Duitse Weistraat niettemin goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 5] en anderen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het de goedkeuring betreft van de plandelen met de bestemmingen "Wonen (W)", "Water (WA)" en "Verkeer (V)" voor zover die betrekking hebben op de gronden tussen de Plataanstraat, de Lindestraat en de Duitse Weistraat zoals nader aangeduid op bijgevoegde kaart.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling tevens aanleiding om aan bovengenoemde plandelen goedkeuring te onthouden.

Het beroep van Prochamp B.V.

2.10. Prochamp B.V. betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in één plandeel met een bedrijfsbestemming voor haar bedrijf aan de Duitse Weistraat 14 en de Laarstraat 2 in plaats van meerdere plandelen met verschillende bestemmingen. Hiertoe stelt zij dat het bedrijf bij de vergunning op grond van de Wet milieubeheer wel als één inrichting wordt beschouwd. Daarbij zou de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" 13.000 m² moeten zijn. Voorts zijn de groenvoorziening en de weg tussen de aanwezige bedrijfsgebouwen in overleg met de buurt en de gemeente aangelegd. Deze voorzieningen hadden daarom als zodanig moeten worden bestemd, aldus Prochamp B.V..

2.10.1. De raad stelt dat het bedrijf overeenkomstig de regeling uit het vorige plan is bestemd. Voor het achterliggende gebied is een woningbouwproject in ontwikkeling. Nieuwe ontwikkelingen die hieraan in de weg kunnen staan, worden dan ook niet in het plan opgenomen, aldus de raad.

2.10.2. Het bedrijf van Prochamp B.V. is een conservenfabriek voor champignons en is gevestigd aan de Duitse Weistraat 14-22 en de Laarstraat 2 te Kerkdriel. Het plan voorziet voor de gronden aan de Duitse Weistraat 14 in een plandeel met de bestemming "Agrarisch-Bedrijf (A-B)" en een bebouwingspercentage van 85%. Voor de gronden aan de Duitse Weistraat 20-22 en de Laarstraat 2 is een plandeel voorzien met de bestemming "Bedrijf (B)" en een bebouwingspercentage van 60%. De tussenliggende en de omliggende gronden hebben de bestemming "Agrarisch (A)".

2.10.3. Ingevolge artikellid 4.1, aanhef en onder c., van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Agrarisch-Bedrijf (A-B)" aangewezen gronden tevens bestemd voor bestaande opslag en stalling.

Ingevolge artikellid 6.1, aanhef en onder b., van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Bedrijf (B)" aangewezen gronden bestemd voor bestaande bedrijven in categorie 3 als genoemd in de Staat van Inrichtingen, dat wil zeggen welke aanwezig zijn op het moment van het van kracht worden van dit plan, een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven en parkeervoorzieningen.

Ingevolge dit artikellid, aanhef en onder c., voor zover hier van belang, zijn deze gronden tevens bestemd voor waterzuivering.

Ingevolge artikellid 3.1, aanhef en onder a., van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Agrarisch (A)" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik.

2.10.4. Ter zitting is komen vast te staan dat Prochamp B.V. de gronden met de bestemming "Agrarisch-Bedrijf (A-B)" gebruikt voor de opslag van materialen die nodig zijn voor de conservenfabriek. De gronden met de bestemming "Agarisch (A)" tussen de twee bedrijfsgebouwen in worden gebruikt voor een verbindingsweg en tevens voor groenvoorzieningen. Niet in geschil is dat het gebruik dat Prochamp B.V. van deze gronden maakt ten behoeve van haar bedrijf, op grond van de gegeven bestemmingen is toegestaan. De Afdeling is desondanks van oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de raad passende bestemmingen voor de desbetreffende gronden heeft opgenomen. Hiertoe wordt overwogen dat de bestemmingen niet zijn gebaseerd op het bestaande gebruik, maar op de bestemmingen die op grond van het vorige plan golden, terwijl de raad ter zitting heeft bevestigd dat hij niet voornemens is ter plaatse de hoofdbestemmingen agrarisch bedrijf en agrarische grond binnen de planperiode te realiseren. Voorts heeft de raad zich daarbij op het standpunt gesteld dat de vestiging van een agrarisch bedrijf op de gronden met de bestemming "Agrarisch-Bedrijf (A-B)" zelfs als onwenselijk zou worden gezien.

2.10.4.1. Het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" maakt een bebouwde oppervlakte van ongeveer 10.000 m² mogelijk. Ter zitting is komen vast te staan dat deze oppervlakte overeenkomt met de bestaande bebouwing op de gronden met die bestemming. De raad heeft hierover toegelicht dat het bedrijf vlakbij de woonbebouwing aan de andere zijde van de Duitse Weistraat ligt. Tevens bestaat volgens de raad de mogelijkheid dat ten noorden van het bedrijf in de toekomst nieuwe woningen zullen worden gebouwd. Hoewel niet wordt beoogd het bedrijf om deze redenen binnen de planperiode op de huidige locatie te beëindigen, zal het bedrijf op langere termijn misschien moeten worden verplaatst. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het college zich, in tegenstelling tot hetgeen Prochamp B.V. heeft betoogd, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet onredelijk is dat het plandeel voor het bedrijf niet voorziet in 3.000 m² uitbreidingsruimte. Daarbij is in aanmerking genomen dat Prochamp B.V. geen concrete uitbreidingsplannen heeft en dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat hij bereid is tot overleg indien in verband met milieu-eisen uitbreiding noodzakelijk is.

2.10.5. De conclusie is dat hetgeen Prochamp B.V. heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch-Bedrijf (A-B)" en "Agrarisch (A)" voor zover die zien op de gronden van Prochamp B.V. aan de Duitse Weistraat 14-22 en de Laarstraat 2 niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door deze plandelen goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van Prochamp B.V. is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient op dit punt te worden vernietigd.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om aan bovengenoemde plandelen goedkeuring te onthouden.

Voorts is de conclusie dat hetgeen Prochamp B.V. heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" dat ziet op de gronden aan de Duitse Weistraat 20-22 en de Laarstraat 2 niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van Prochamp B.V. is in zoverre ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.11. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Prochamp B.V. dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 6] en [appellant sub 5] en anderen is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" dat betrekking heeft op de gronden aan de [locatie 1];

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prochamp B.V. gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 17 februari 2009, nummer 2008-017652, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan

a. het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" dat betrekking heeft op het perceel Paterstraat 13-15;

b. de plandelen met de bestemmingen "Wonen (W)", "Water (WA)" en "Verkeer (V)" voor zover die betrekking hebben op de gronden tussen de Plataanstraat, de Lindestraat en de Duitse Weistraat zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

c. het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Bedrijf (A-B)" dat betrekking heeft op de gronden van Prochamp B.V. aan de Duitse Weistraat 14;

d. het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" voor zover dat betrekking heeft op de gronden van Prochamp B.V. aan de Duitse Weistraat en de Laarstraat;

IV. onthoudt goedkeuring aan de onder III. genoemde plandelen;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 4] geheel, en de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prochamp B.V. voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van

a. € 675,15 (zegge: zeshonderdvijfenzeventig euro en vijftien cent) voor [appellant sub 1], waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) voor [appellant sub 2], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prochamp B.V., geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van

a. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1],

b. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2],

c. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 5] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen,

d. € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 6],

e. € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prochamp B.V..

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Troost

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

234-545.

<HR>

plankaart