Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200907514/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Seinpostduin 2009" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2009, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2009, beroep ingesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2010/168
JOM 2010/666
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907514/1/R1.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Den Haag,

2. [appellanten sub 2], wonend te Den Haag,

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Seinpostduin 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2009, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2010, waar [appellanten sub 1], in de persoon van [gemachtigde], [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.E. Jendsen, werkzaam bij Das Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door drs. J.E. Leenders, mr. M.V.I. Balász-den Hartog en ir. A.G.M. Heijmen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben ter zitting betoogd dat de bezonningsonderzoeken van de raad van juni 2009 en februari 2010, door de raad eerst in een zodanig laat stadium van de procedure zijn overgelegd dat het voor hen niet meer mogelijk was de eerder door hen reeds ingeschakelde deskundige van het Architectengilde om een reactie te vragen dan wel anderszins adequaat op deze rapporten te reageren. Zij verzoeken dan ook deze rapporten wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten.

2.2. Vast staat dat de raad eerst op 29 april 2010 bij de Raad van State een bezonningsonderzoek van juni 2009 en een bezonningsonderzoek van februari 2010 heeft ingediend. Gelet op de omvang van deze onderzoeken en de technische aard daarvan dienen deze met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij is in aanmerking genomen dat het voor [appellanten sub 1] en voor [appellanten sub 2] zo kort voor de zitting niet meer mogelijk was op deze rapporten op een passende wijze te reageren, zoals door middel van het laten beoordelen van deze stukken door een deskundige. Als gevolg hiervan valt niet uit te sluiten dat de procespositie van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hierdoor zou kunnen worden geschaad. Nu het eerste bezonningsonderzoek reeds in juni 2009 beschikbaar was en het tweede bezonningsonderzoek in februari 2010, valt niet in te zien dat de raad de bezonningsonderzoeken niet eerder heeft kunnen overleggen. De enkele stelling dat de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vermelde termijn nog net in acht is genomen is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

2.3. De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] richten zich tegen de plandelen met de bestemming "Wonen" aan de Wassenaarsestraat, de Schuitenweg en de Zeeweg, met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw" (hierna: de bestreden plandelen), en de ontheffingsbevoegdheid voor het bouwen van een dakopbouw op de percelen Schuitenweg 6 t/m 20, 22 t/m 26, 28 t/m 32, 33 t/m 37, 34 t/m 38, 40 t/m 44, 46 t/m 48, 52 t/m 56, 58 t/m 68 en Zeeweg 7 t/m 15.

2.4. Het bestemmingsplan "Seinpostduin" beoogt onder meer te voorzien in de mogelijkheid om bepaalde woningen uit te breiden door middel van het toestaan van een extra bouwlaag.

2.5. Artikel 11.2, onder f, van de planregels luidt, voor zover van belang: "op het dakvlak van het hoofdgebouw met de aanduiding 'extra bouwlaag toegestaan' mag, behalve voor wat betreft de percelen Schuitenweg 6 t/m 20, 22 t/m 26, 28 t/m 32, 33 t/m 37, 34 t/m 38, 40 t/m 44, 46 t/m 48, 52 t/m 56, 58 t/m 68 en Zeeweg 7 t/m 15, een extra bouwlaag en terras gebouwd worden (…)."

2.6. Op de verbeelding is de in artikel 11.2, onder f, van de planregels genoemde aanduiding niet vermeld. Wel staat op de verbeelding de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw" weergegeven, onder meer op de bestreden plandelen.

De Afdeling overweegt dat de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw" op de verbeelding geen betekenis heeft, nu ingevolge artikel 11.2, onder f, van de planregels slechts op de plandelen met de aanduiding "extra bouwlaag toegestaan" een dakopbouw is toegestaan, zodat niet ondubbelzinnig blijkt waar op de verbeelding een dakopbouw is toegestaan. De aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw" is in strijd met de eisen die de rechtszekerheid stelt.

2.7. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen dat aan het bestemmingsplan ten onrechte geen dan wel onvoldoende onderzoek ten grondslag ligt naar de gevolgen van het bij recht dan wel met ontheffing toestaan van dakopbouwen op de bestreden plandelen voor de bezonning van de omliggende woningen. Volgens [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] is geen rekening gehouden met de invloed van de vermindering van de bezonning op het woon- en leefklimaat en is ten onrechte geen rekening gehouden met de bezonning van de tuinen. Voorts betogen zij dat de nadere eisen regeling onvoldoende waarborgen biedt om de betrokken belangen, zoals voorkoming van schaduwhinder, te beschermen.

2.8. De raad stelt zich op het standpunt dat reeds in het kader van de Kadernota Dakopbouwen 2006 van februari 2006 (hierna: de Kadernota) onderzoek is gedaan naar de gevolgen voor de bezonning van het toestaan van dakopbouwen in het plangebied. Voorts kan volgens de raad, in de gevallen dat sprake zal zijn van onevenredige schaduwhinder, door het stellen van nadere eisen maatwerk geboden worden. Door middel van de nadere eisen regeling wordt volgens de raad tevens rekening gehouden met de bezonning van de tuinen.

2.9. Artikel 11.4.1 van de planregels luidt, voor zover hier van belang: "Van het bepaalde in artikel 11.2 kan ontheffing worden verleend ten behoeve van het bouwen van een extra bouwlaag en terras op de dakvlakken van de percelen Schuitenweg 6 t/m 20, 22 t/m 26, 28 t/m 32, 33 t/m 37, 34 t/m 38, 40 t/m 44, 46 t/m 48, 52 t/m 56, 58 t/m 68 en Zeeweg 7 t/m 15. (…) De voor de desbetreffende percelen in artikel 12 opgenomen percentages kunnen, indien de uitkomst van het onderzoek naar de bezonning daartoe aanleiding geeft, naar beneden worden bijgesteld."

Artikel 11.5.2 van de planregels luidt, voor zover hier van belang: "Burgemeester en wethouders zijn, indien een bouwaanvraag daartoe aanleiding geeft, bevoegd in verband met de bezonning en om reden van de stedenbouwkundige inpasbaarheid nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en de opbouw van het volume van de dakopbouw.

Ten aanzien van deze aspecten is de hiernavolgende uitwerking van toepassing.

a. ten aanzien van de bezonning:

I. De situering van de extra bouwlaag dient zodanig te zijn, dat de (het) perce(e)l(en) aan de overzijde van de straat gelegen, blijkens een daartoe door de aanvrager ingesteld onderzoek, geen onevenredige schaduwhinder ondervind(t)en. Er is sprake van onevenredige schaduwhinder, indien als gevolg van de plaatsing van de extra bouwlaag tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 19 februari- 21 oktober bij een zonhoogte van meer dan 10° niet zijn gewaarborgd.

II. Aan de achterzijde van het gebouw, waarop de extra bouwlaag zal worden geplaatst, dient de situering van de extra bouwlaag zodanig te zijn, dat de aangrenzende percelen en/of aan de achterzijde gelegen percelen en de daarbij behorende tuinen als gevolg van de extra bouwlaag geen onevenredige schaduwhinder ondervinden.

Het hiervoor onder a. inzake de bezonning beschreven criterium alsmede de bij de aanvrager neergelegde onderzoeksverplichting zijn daarbij onverkort van toepassing (…)."

2.10. Ingevolge de nadere eisen regeling van artikel 11.5.2 van de planregels kunnen eisen gesteld worden aan de situering en de opbouw van het volume van de dakopbouw op de plandelen waarop ingevolge artikel 11.2, onder f, van de planregels een dakopbouw toegestaan zou zijn. Met de nadere eisen regeling van artikel 11.5.2 van de planregels kan evenwel niet worden voorkomen dat een bouwvergunning voor een dakopbouw moet worden verleend indien op grond van de nadere eisen regeling niet kan worden voorkomen dat onevenredige afname van de bezonning zal optreden.

De raad heeft gesteld in het kader van de Kadernota onderzoek te hebben verricht naar de gevolgen voor de bezonning van dakopbouwen op onder meer de bestreden plandelen.

Het onderzoek dat in het kader van de Kadernota is verricht heeft niet ter inzage gelegen met het ontwerpbestemmingsplan noch is het bij het onderhavige procesdossier gevoegd.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat alleen de resultaten van dit onderzoek voor het plangebied in de Kadernota zijn weergegeven, door middel van de kaart op pagina 46.

De kaart op pagina 46 van de Kadernota geeft echter onvoldoende inzicht in de gevolgen voor de bezonning van het toestaan van dakopbouwen. De kaart op pagina 46 van de Kadernota maakt immers niet inzichtelijk van welke dakopbouwen al dan niet onevenredige schaduwhinder uitgaat, zodat aan de hand van deze kaart niet duidelijk wordt gemaakt op welke bebouwing een dakopbouw mogelijk is. Nu aan het bestemmingsplan ook overigens geen onderzoek ten grondslag ligt naar de gevolgen voor de bezonning van het toestaan van dakopbouwen is niet inzichtelijk of de nadere eisen regeling in alle gevallen voldoende soelaas biedt.

Dit klemt te meer nu in opdracht van [appellanten sub 1] al voor de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek naar de bezonning is gedaan, hetgeen heeft geresulteerd in het rapport van het Architectengilde van 24 april 2009 en de aanvulling daarop van 11 januari 2010.

De Afdeling overweegt voorts dat nu de raad niet tijdig een deugdelijk onderzoek heeft overgelegd naar de gevolgen van het toestaan van dakopbouwen op de bestreden plandelen voor de bezonning van de omliggende woningen, geen inzicht bestaat in de vermindering van de resterende bezonning, noch in de gevolgen voor de bezonning van de tuinen.

Het ontbreken van een deugdelijk onderzoek is een gebrek dat evenzeer geldt wat betreft de ontheffingsmogelijkheid van artikel 11.4.1 van de planregels.

2.11. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw" op de plandelen met de bestemming "Wonen" aan de Wassenaarsestraat, de Schuitenweg en de Zeeweg is voorbereid in strijd met artikel 3:2 van de Awb en bovendien in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en voorts dat de ontheffingsbevoegdheid van artikel 11.4.1 van de planregels is voorbereid in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

2.12. Gezien het voorgaande behoeft hetgeen overigens is aangevoerd geen bespreking meer.

2.13. De raad dient ten aanzien van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Den Haag van 9 juli 2009 met nummer 84, wat betreft:

a. de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw" op de plandelen met de bestemming "Wonen" aan de Wassenaarsestraat, de Schuitenweg en de Zeeweg;

b. artikel 11.4.1 van de planregels;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Den Haag tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.250,00 (zegge: drieduizend tweehonderdvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Den Haag aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 2], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bošnjakovic

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

410-655.