Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN0500

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
200907677/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de uitbreiding van een scharrelkippenbedrijf aan [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 27 augustus 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/2605
JOM 2010/679
JM 2010/95 met annotatie van Poortinga
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907677/1/M2.

Datum uitspraak: 7 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub a] en [appellant sub b] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de uitbreiding van een scharrelkippenbedrijf aan [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 27 augustus 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 2 november 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2010, waar [appellant sub b], in persoon en bijgestaan door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door P. Esselaar en E. Wiarda, zijn verschenen.

Tevens is [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

Eerdere procedures

2.1. Bij besluiten van 19 september 2006 en 27 mei 2008 heeft het college voor de inrichting op grond van dezelfde aanvraag als die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt een vergunning verleend. Deze besluiten heeft de Afdeling bij de uitspraken van 18 juli 2007 met zaak nr. 200607108/1 en 29 april 2009 met zaak nr. 200805289/1/M2 vernietigd. In zaak nr. 200607108/1 heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening op 13 februari 2007 een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht).

Ontvankelijkheid

2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de beroepsgrond over de vergunningplicht ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) niet-ontvankelijk is, omdat [appellant] over deze veronderstelde vergunningplicht geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.2.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten.

2.2.2. De beroepsgrond over de Wvo-vergunningplicht heeft geen betrekking op een binnen het bestreden besluit als zelfstandig te beschouwen besluitonderdeel, zodat artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht er niet aan in de weg staat dat deze grond eerst in beroep wordt aangevoerd.

Milieu-effectrapport

2.3. [appellant] voert aan dat ten onrechte geen milieu-effectrapport is opgesteld. Het opstellen daarvan is volgens hem verplicht omdat bij het bestreden besluit vergunning is verleend voor het oprichten van een stal voor het houden van meer dan 60.000 leghennen in de zin van het Besluit milieu-effectrapportage 1994. Dat voor deze stal bij besluit van 23 oktober 2002 al vergunning is verleend, betekent volgens hem niet dat het bestreden besluit niet ziet op een oprichtingssituatie, omdat de stal bij het nemen van dit besluit nog niet of niet volledig overeenkomstig de in 2002 verleende vergunning zou zijn gerealiseerd.

2.3.1. Vaststaat dat de desbetreffende in 2002 vergunde stal inmiddels feitelijk gerealiseerd is, zodat de veronderstelde aanleiding voor het opstellen van een milieu-effectrapport zich niet meer voordoet.[appellant] kan met zijn betoog niet bereiken dat alsnog een milieu-effectrapport moet worden opgesteld. Gelet hierop laat de Afdeling verdere beoordeling van de beroepsgrond achterwege.

Wvo-vergunningplichtige activiteit

2.4. [appellant] voert aan dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of de in paragraaf 8.1.3.2 van de Wet milieubeheer, zoals die paragraaf ten tijde van het nemen van het bestreden besluit luidde, opgenomen coördinatieregeling voor gevallen waarin voor een inrichting tevens een krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleende vergunning nodig is, van toepassing is. Hij voert hiertoe, kort weergegeven, aan dat ten gevolge van de vergunde activiteiten door afvloeiing van hemelwater verontreinigingen in het oppervlaktewater terecht kunnen komen.

2.4.1. Het college stelt dit aspect te hebben onderzocht, en te hebben geconcludeerd dat er geen vergunningplichtige lozing als gevolg van afvloeiing plaatsvindt. De Afdeling ziet geen grond om dit door [appellant] niet met nadere argumenten bestreden standpunt onjuist te achten.

De beroepsgrond faalt.

Onvolledigheid aanvraag

2.5. [appellant] voert aan dat de aanvraag om vergunning onvolledig is, omdat daarin ten onrechte niet is vermeld hoeveel dieren per stal worden gehouden.

2.5.1. Er is een vergunning aangevraagd voor het houden van 100.000 legkippen in twee stallen. Uit de bij de aanvraag behorende tekening blijkt dat deze twee stallen samen één emissiepunt hebben. Voor een beoordeling van de milieugevolgen vanwege het houden van de legkippen zijn de stoffen die via dit emissiepunt geëmitteerd worden van belang. Daarbij doet niet ter zake op welke wijze de dieren over twee stallen zijn verdeeld. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

De beroepsgrond faalt.

Algemeen kader

2.6. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Schoonmaken van de stallen

2.7. [appellant] voert aan dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met nevelvorming vanwege het schoonmaken van de stallen. Volgens hem had het college aan de vergunning voorschriften dienen te verbinden ter voorkoming van hinderlijke nevel buiten de inrichting. Ter onderbouwing van deze beroepsgrond verwijst [appellant] naar een uitspraak van de Afdeling van 23 april 2008 in zaak nr. 200704409/1.

2.7.1. In de door [appellant] genoemde uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat - kort weergegeven - het vergunningverlenend bestuursorgaan onvoldoende had gemotiveerd waarom geen voorschriften nodig waren voor het voorkomen van neveloverlast bij het ontsmetten van stallen.

In de huidige zaak heeft het college gesteld dat ramen en deuren van de stallen ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 6.13 behoudens het doorlaten van personen, dieren of goederen gesloten moeten zijn, en dus ook tijdens het ontsmetten van de stallen. De ondanks de gesloten deuren eventueel ontsnappende nevel zal mede gezien de afstanden tot de omliggende bebouwing volgens het college geen nadelige gevolgen voor het milieu hebben.

Het college heeft met deze motivering in redelijkheid kunnen besluiten geen aanvullende voorschriften aan de vergunning te verbinden ten aanzien van optredende nevel vanwege het schoonmaken van de stallen.

De beroepsgrond faalt.

Geurhinder

2.8. [appellant] vreest voor geurhinder vanwege de inrichting. Hij voert hiertoe - kort weergegeven - aan dat niet vaststaat dat de geur van de stallen daadwerkelijk ter plaatse van het emissiepunt zoals aangegeven op de bij de aanvraag behorende tekening wordt geëmitteerd. Hij wijst er in dit verband op dat onduidelijk is of het ventilatiesysteem deugdelijk is en dat de stal gedurende de dagperiode op meerdere plaatsen geopend zal zijn in verband met de uitlopen. Voorts zal vanwege de mest in deze uitlopen geurhinder worden ondervonden. Daarnaast is volgens hem de geurhinder vanwege de mestverwerking onderschat. [appellant] voert verder aan dat vergunningvoorschrift 7.18 niet in overeenstemming is met de considerans van het bestreden besluit. Hiertoe merkt hij op dat in dit voorschrift is bepaald dat een afstand van 95 meter aangehouden dient te worden tussen het emissiepunt van de digestaatdroger en geurgevoelige objecten, terwijl in de considerans van het bestreden besluit is vermeld dat een afstand van 115 meter aangehouden moet worden.

2.8.1. De bij het bestreden besluit vergunde veranderingen van de inrichting ten opzichte van de eerder vergunde situatie komen er, kort weergegeven en voor zover hier van belang, op neer dat een vergistingsinstallatie gekoppeld aan een warmtekrachtinstallatie wordt geplaatst. Verder wordt een droger geplaatst, waarin het digestaat van de vergistingsinstallatie met stallucht wordt gedroogd. In verband daarmee worden de nokventilatoren van de stallen verwijderd, en wordt een luchtkanaal aangelegd om de door de stalventilatoren in de westelijke wand van de stallen geëmitteerde stallucht naar de droger te leiden. Vanuit de droger wordt de stallucht geëmitteerd.

2.8.2. Het college heeft - zo begrijpt de Afdeling zijn standpunt - bij de beoordeling van de stankhinder van de bestaande stallen samen met de thans vergunde uitbreiding primair aansluiting gezocht bij de in de Brochure Veehouderij en Hinderwet gelezen in samenhang met de Richtlijn veehouderij en stankhinder van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de richtlijn en de brochure) aanbevolen afstanden gerelateerd aan het aantal mestvarkeneenheden. Voor die geurbronnen waarbij volgens die stukken geen omrekening naar mestvarkeneenheden mogelijk is - en daarmee geen toetsing aan de aanbevolen afstanden - heeft het college een aanvullende toets verricht.

Dit acht de Afdeling geen onrechtmatige invulling van de beoordelingsvrijheid die het college toekomt bij de vaststelling van wat nodig is in het belang van de bescherming van het milieu.

2.8.3. Wat de toetsing aan de in de brochure en de richtlijn aanbevolen afstanden betreft, overweegt de Afdeling als volgt.

Het college staat op het standpunt dat de vergistingsinstallatie en de warmtekrachtcentrale grotendeels een gesloten systeem inhouden, waaruit geen geur vrijkomt. Wel acht het de opslag van koeien- en varkensmest van derden die in de installatie kan worden vergist een mogelijke geurbron. Er is geen grond om dit standpunt onjuist te achten.

De geur van de opgeslagen mest kan voor zover het de varkensmest betreft worden gerelateerd aan mestvarkeneenheden. Het college heeft berekend dat deze geur kan worden gelijkgesteld met 250 mestvarkeneenheden. De Afdeling ziet geen grond om dit, ook niet door [appellant] bestreden standpunt, onjuist te achten.

De geur van de stallen komt volgens het college overeen met 1.527 mestvarkeneenheden, zodat het totale aantal mestvarkeneenheden 1.777 bedraagt. Bij dit aantal volgt volgens het college uit de richtlijn en de brochure een aan te houden afstand van 115 meter tot het dichtstbijzijnde gevoelige object, te weten de agrarische bedrijfswoning bij de veehouderij van [appellant]. Er is geen grond om aan te nemen dat deze conclusies van het college onjuist zijn.

2.8.4. In de tekening bij de aanvraag om vergunning, die ingevolge het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, is aangegeven waar het emissiepunt zich bevindt. De afstand van dit emissiepunt tot de woning van [appellant] bedraagt volgens het college 116 meter, zodat wordt voldaan aan de vereiste afstand.

Door [appellant] is niet gemotiveerd waarom het ventilatiesysteem, dat dient te waarborgen dat de stallucht via het aangegeven emissiepunt emitteert, ondeugdelijk is. Het college gaat er, evenals de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening in het deskundigenbericht (p. 6), vanuit dat de emissiepunt(en) in de eerder vergunde situatie bestaan uit de ventilatoren, en in de thans vergunde situatie uit de afvoer van de digestaatdroger. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de stallucht ter plaatse van het op de tekening aangegeven emissiepunt emitteert en dat, anders dan [appellant] meent, de uitlopen niet als emissiepunt fungeren. Overigens is het aangevraagde en vergunde emissiepunt op dezelfde afstand van de woning van [appellant] gelegen als de dichtstbijzijnde buitenzijde van de uitlopen, zodat ook als de uitlopen als emissiepunt zouden fungeren, dit geen verandering zou betekenen wat betreft de aan te houden afstand.

2.8.5. Het college heeft, gelet op het door hem gehanteerde uitgangspunt, in redelijkheid kunnen concluderen dat, nu de afstand van 116 meter tussen het emissiepunt en de woning van [appellant] groter is dan de volgens de richtlijn en de brochure aan te houden afstand van 115 meter, de afstand toereikend is om de geuremissie voldoende te beperken.

De Afdeling constateert dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.18 in weerwil van het in overweging 2.8.3 vermelde standpunt van het college bepaalt dat de aan te houden afstand minimaal 95 meter moet bedragen. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.8.6. Wat de geur van de opslag van koeienmest betreft, staat het college op het standpunt dat kan worden volstaan met een minimale afstand van 50 meter tot geurgevoelige objecten. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college dit standpunt niet mocht innemen.

2.8.7. Wat, tot slot, de geur die bij het drogen van het digestaat vrijkomt betreft, staat het college - zo blijkt uit het deskundigenbericht (p. 12) - op het standpunt dat dit geen aanleiding zal geven tot geurhinder, omdat het hier gaat om het drogen van uitgegist materiaal. Gezien het deskundigenbericht (p. 12) acht de Afdeling aannemelijk dat het drogen van het digestaat niet geheel geurloos is. Het college heeft evenwel in redelijkheid kunnen oordelen dat bij het drogen van uitgegist materiaal niet in die mate geur vrijkomt, dat dit aanleiding zal kunnen geven tot onaanvaardbare geurhinder.

2.8.8. De conclusie is dat de beroepsgronden over geur falen, met uitzondering van de grond over de in voorschrift 7.18 genoemde afstand.

Ammoniak

2.9. [appellant] kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.20, waarin is bepaald dat de concentratie van ammoniak in de afgassen uit de inrichting niet meer mag bedragen dan 30 mg per kubieke meter. Volgens hem is de voorgeschreven grenswaarde onnodig hoog. Gezien de Richtlijn mestverwerkingsinstallaties van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zou een grenswaarde van 5 mg per kubieke meter moeten worden gesteld. Tot slot betoogt [appellant], zo begrijpt de Afdeling het beroep, dat het voorschrift ten onrechte mede geldt voor de emissie van de stallen.

2.9.1. Voorschrift 7.20 is opgenomen in hoofdstuk 7 'Biomassavergistingsinstallatie' onder het kopje 'Normen emissie van gas of dampvormige stoffen'. Gezien deze plaatsing heeft het voorschrift, anders dan [appellant] veronderstelt, geen betrekking op de ammoniakemissie van stallen.

De Richtlijn mestverwerkingsinstallaties verwijst voor de grenswaarde voor ammoniak naar de 'Bijzondere Regeling Mestverwerkende bedrijven (A1, voorheen 3.5/18)', waarin een grenswaarde voor de emissie van ammoniak van 5 mg per kubieke meter was aanbevolen. Deze bijzondere regeling was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds vervallen. Het college heeft ervoor gekozen om voor de beoordeling van de ammoniakemissie niet de vervallen bijzondere regeling, maar de algemene richtlijnen in de Nederlandse emissierichtlijn lucht (InfoMil; hierna: Ner) tot uitgangspunt te nemen. De Ner beveelt een emissie-eis van 30 mg per kubieke meter aan. Het college heeft gelet op het door hem gehanteerde kader terecht deze emissie-eis als grenswaarde aan de vergunning verbonden.

Deze beroepsgrond faalt.

Geluid

2.10. Voor zover [appellant] - kort weergegeven - aanvoert dat het bij de aanvraag om vergunning behorende geluidrapport van december 2007 (hierna: het geluidrapport) niet deugt, overweegt de Afdeling dat dit rapport reeds aan de orde is geweest in de uitspraak van 29 april 2009. In deze uitspraak ziet de Afdeling in de kritiek van [appellant] op het geluidrapport geen aanleiding aan de juistheid van dit rapport te twijfelen. Hetgeen [appellant] in deze procedure heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

2.11. [appellant] kan zich niet verenigen met de vergunningvoorschriften 2.1 en 2.2, waarin onder meer geluidgrenswaarden op een afstand van 50 meter van gebouwen zijn gesteld. Volgens hem is onduidelijk welke onderdelen van de inrichting als 'gebouw' zouden moeten worden beschouwd.

De in de voorschriften gestelde geluidgrenswaarden zijn afgeleid van de in het geluidrapport berekende waarden. In het geluidrapport is in de figuren 1 tot en met 3 onder meer aangeduid welke onderdelen van de inrichting daarbij als gebouw zijn aangemerkt. De voorschriften 2.1 en 2.2 moeten gelet hierop aldus worden uitgelegd, dat met het begrip 'gebouw' wordt gedoeld op de in het geluidrapport weergeven gebouwen die tot de inrichting behoren.

Deze beroepsgrond faalt.

2.12. [appellant] kan zich niet verenigen met vergunningvoorschrift 2.3 en 2.4. Daarin is, voor zover hier van belang, bepaald dat in afwijking van het bepaalde in voorschrift 2.1 tijdens de afvoer van legkippen het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau vanwege de inrichting niet meer mogen bedragen dan de in de voorschriften 2.3 en 2.4 weergegeven geluidniveaus. [appellant] betoogt dat ten onrechte niet het aantal keren dat legkippen mogen worden afgevoerd, is vastgelegd.

Verder betoogt hij dat de in vergunningvoorschrift 2.4 gestelde geluidgrenswaarde voor de dagperiode niet kan worden nageleefd, omdat in het geluidrapport is opgemerkt dat de geluidbelasting vanwege het afvoeren van kippen 61 dB(A) bedraagt, terwijl voor de dagperiode in voorschrift 2.4 een grenswaarde is gesteld van 58 dB(A).

2.12.1. In het bestreden besluit is bepaald dat het geluidrapport deel uitmaakt van de vergunning. In het geluidrapport is vermeld dat gedurende circa vier avonden en/of nachten per jaar kippen worden geladen en afgevoerd per vrachtwagen. In de voorschriften 2.3 en 2.4 zijn voor deze enkele keren per jaar dat kippen worden afgevoerd aangepaste geluidgrenswaarden gesteld, die het college voor deze uitzonderingssituatie toereikend acht. Niet valt in te zien waarom het college het in het belang van de bescherming van het milieu nodig had moeten achten om in deze voorschriften preciezer dan in het geluidrapport vast te leggen hoe vaak deze uitzonderingssituatie zich per jaar kan voordoen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.12.2. Voor zover [appellant] betoogt dat tijdens het afvoeren van kippen in de dagperiode niet aan de in voorschrift 2.4 gestelde grenswaarden kan worden voldaan, kan worden volstaan met de constatering dat alleen vergunning is gevraagd en verleend voor het afvoeren van kippen in de avond- en nachtperiode.

Deze beroepsgrond faalt eveneens.

2.13. [appellant] voert aan dat de in de vergunningvoorschriften 2.1 en 2.2 gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Hij merkt hiertoe op dat in het geluidrapport is vermeld dat op de woning [locatie] een geluidbelasting optreedt van 35,3 dB(A) terwijl in voorschrift 2.1 voor de avond- en nachtperiode een geluidbelasting is vergund van 35 dB(A). Voorts zullen volgens hem de geluidgrenswaarden worden overschreden vanwege de aanvoer van kippen.

2.13.1. In voorschrift 2.1 is bepaald dat het geluidniveau moet worden gemeten en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handleiding). In de Handleiding is vermeld dat beoordelingsgrootheden worden opgegeven in hele dB's. Deze getallen worden afgerond conform NEN 1047. Hierbij geldt dat indien het af te ronden getal op een 5 eindigt, dit wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde even getal.

Gelet op de in de Handleiding gegeven afrondingsregel dient de beoordelingsgrootheid van 35,3 dB(A) te worden afgerond naar 35 dB(A). Er is in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat niet kan worden voldaan aan de in voorschrift 2.1 voor de avond- en nachtperiode gestelde grenswaarde van 35 dB(A).

2.14. Ten aanzien van de aanvoer van kippen is in het geluidrapport opgemerkt dat tweemaal per jaar overdag met vijf vrachtwagens nieuwe kippen worden aangevoerd. Deze situatie is volgens het akoestische rapport niet representatief voor de bedrijfsvoering en daarom niet meegenomen bij de berekening van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting in de representatieve bedrijfssituatie. De in de voorschriften 2.1 en 2.2 gestelde geluidgrenswaarden zijn op de berekende geluidbelasting gebaseerd. Nu niet is onderzocht of de extra geluidbelasting als gevolg van de vrachtwagenbewegingen voor de aanvoer van kippen niet tot een hoger geluidniveau leidt, is niet duidelijk of bij de aanvoer van kippen aan de in de vergunningvoorschriften 2.1 en 2.2 gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. In zoverre is, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende onderzocht of de voorschriften 2.1 en 2.2 gelet op deze aanvoer van kippen toereikend zijn.

Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie

2.15. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit moet gedeeltelijk worden vernietigd. Het college dient op na te melden wijze in zoverre een nieuw besluit te nemen.

2.16. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel van 25 augustus 2009, voor zover het betreft het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.18 en voor zover niet is onderzocht of de vergunningvoorschriften 2.1 en 2.2 gelet op de aanvoer twee maal per jaar van kippen toereikend zijn;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen in zoverre binnen acht weken na de bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel tot vergoeding van bij [appellant sub a] en [appellant sub b] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 922,00 (zegge: negenhonderdtweeëntwintig euro), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel aan [appellant sub a] en [appellant sub b] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010

262-578.